Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 23 april 2023

    Bloementuin

    Tot vorige week lag mijn tuin er nog bij zoals ik hem in november had losgelaten. Het gras niet meer gemaaid, een dikke laag bladeren op de groentebedden en dode takken van de krulwilg tot ver in het rond geblazen door de wind. De narcissen, krokussen en hyacinten waren in februari onopgemerkt ontluikt en in maart alweer uitgebloeid, of uitgeregend. Niemand die het zeggen kon, iedereen zat binnen; bij stoof, haard of onder een fleecedekentje.

    Het waren de brandnetels die me al enige tijd aanmaanden om in actie te schieten, maar telkens ik mijn kop buiten stak om orde op zaken te stellen, begon het terug te regenen. Tot ik op een redelijke dag vorige week twee uurtjes cadeau kreeg. De zon scheen alsof het midzomer was. Ik ging in het midden van de tuin staan. Half april waren het niet alleen de brandnetels die kwamen piepen. Ook de seringenstruik toonde trots zijn veelbelovende bloemknoppen, de meiklokjes tekenden weer present, aan de bessenstruiken kon je de vruchten al duidelijk herkennen en in het kluwen van dikke en dunne uitlopers van de wingerd op de tuinmuur barstten de eerste rode botten.

    De tuin en ik waren klaar voor grondig opsmukwerk. Ik nam het tuingereedschap uit de garage, trok mijn handschoenen aan en botste al meteen op een bosje stinkende gouwe die zijn plek opeiste. Onbehoorlijk dat ze dat onkruid noemen. Het hele jaar door heeft die plant prachtige gele bloemen. Akkoord: je moet er met je fikken afblijven, maar wat een mooie plant. Ik liet hem staan. Ook de klaverzuring, paarse dovenetel, en hondsdraf kregen gratie. Bij de paarden- en boterbloemen twijfelde ik even, maar hoe dankbaar zouden de bijtjes niet zijn, moest ik ook hen clementie tonen. Uiteindelijk gingen alleen de brandnetels, een enkele distel en de wilde hop in de ligusterhaag eraan.

    Niettemin: ik had plaats nodig. Het zaad voor de bloementuin die ik wilde inzaaien moest ik toch ergens kwijt? Heel voorzichtig harkte ik een plekje vrij. Daarbij botste ik op zaden gekiemd en uitgegroeid tot twee, vier en zelfs achtvormige bladrozetten. Het zou nog even duren alvorens ze prijs zouden geven welke bloemen of planten ze zouden worden. En niemand die het geweten zou hebben, moest ik ze daar ter plekke vermoord hebben. Toch kreeg ik het niet over mijn hart wortel en blad van elkaar te scheiden, dus ik liet ook hen onaangeroerd.

    Uiteindelijk strooide ik het bloemenzaad (goed voor twintig vierkante meter) uit op een plekje van twee op twee. Ongetwijfeld zou het er wat krap worden, maar het kon me niet deren. Eerst was eerst. Het werk in de tuin was daarmee in een wip gedaan. De groentebedden konden wachten. Voldaan zette ik me neer op de verwilderde gazon, met mijn snoetje in de zon. Toegegeven, op die manier in de tuin werken, had zo zijn voordelen. En dat “onkruid” – what ‘s in a name – zal niet misstaan tussen de andere bloemen.

  • 9 april 2023

    De apotheekassistente

    Eerder deze week wandelde ik met de haarbal langs de apotheek. Ik zat bijna door mijn medicatie. Dus sowieso had ik er een van die dagen moeten binnenspringen. Er stond één klant, een meevaller was dat. Ik dacht twee vliegen in één klap te slaan, snel terug buiten op de stoep te staan, bond de haarbal aan een paaltje, commandeerde “zit” en “wacht” – we zouden onze wandeling snel verderzetten – en glipte voor een andere klant naar binnen. Het was de nieuwe apotheekassistente die achter de toonbank stond. Je zag en hoorde dat er een vuur in haar brandde. Een groot holistisch vuur. Erg verwarmend was het. Toch voor even.

    Het was de beurt aan de man voor me. ‘Koortsblazen, zei u? Ja daar hebben we een aantal zalfjes voor. Een zelfbereid ook.’ De apotheekassistente stalde wat er voorradig was als een kleurenkaart voor de man uit. Hij zag meteen wat hij nodig had en wees naar de tube die hij herkende. ‘Ik merk dat u weet welke zalf u nodig heeft. Mag ik daaruit concluderen dat u wel vaker last heeft van koortsblazen?’ De man keek gegeneerd over zijn schouder mijn richting uit. Snel richtte ik mijn blik op de rij zalfjes naast me in het rek. Een uitgebreid assortiment anti-rimpelcrèmes. De assistente knikte opmerkzaam bij het zien van mijn geveinsde interesse en richtte zich dan terug met volle aandacht tot haar slachtoffer:  ‘Weet u dat stress en vermoeidheid het krijgen van koortsblazen kunnen uitlokken?’ De man knikte. ‘Een vitamine-C tekort ook,’ ging ze verder terwijl ze de ene na de andere doos uit haar schuiven toverde. Magnesium, vitaminesupplementen, melatonine in tablet- of poedervorm. Opletten wel in combinatie met de magnesium.

    De man, die duidelijk rekende op wat discretie, had het stilaan gehad met haar verkooppraatje. Ik ook. Hij schudde het hoofd. Ik ook. Het zalfje had hij nodig, de rest mocht de apotheekassistente terug opbergen. In een langgerekte wraakoefening deed ze dat. Tergend traag en met een gespeelde onschuld zocht ze naar waar de doosjes vandaan kwamen. Ondertussen werd de rij achter me almaar langer. De automatische deur bleef open en dichtgaan omdat de laatste klant, in het oog van de bewegingssensor, geen kant meer uit kon. Telkens de automatische deur open ging hoorde ik de haarbal luid piepen. Ik wipte nerveus van mijn ene op mijn ander been. Wat bezielde dat wicht toch?

    Eindelijk was het mijn beurt. Ik gaf de apotheekassistente mijn identiteitskaart. ‘Waar kan ik u mee helpen?’ ‘Door me de medicijnen te geven die de dokter me heeft voorgeschreven,’ antwoordde ik en wees daarbij naar haar computerscherm. ‘Ik zie dat het twee doosjes zijn. Wilt u er één, of wilt u ze allebei?’ Daar was die gespeelde onschuld weer. ‘Allebei,’ zei ik. Met grote tegenzin zette ze de twee doosjes op de toonbank. ‘Bent u zeker?’ vroeg ze, ‘Want dit zijn de twee laatste doosjes. Een volgende klant…’ ‘Ja, ik ben zeker,’ onderbrak ik haar. ‘Kan ik afrekenen?’ De apotheekassistente tuitte haar lippen, bestudeerde de doosjes en vroeg dan: ‘Deze medicatie voor de maag, neemt u die al lang?’ ‘Ja, dat doe ik. Kan u afreke…’. Ditmaal onderbrak zij mij: ‘Heeft u soms last van een opgeblazen gevoel?’ ‘Neen, nooit last van,’ loog ik.  ‘Ook niet na een volumineuze of vettige maaltijd? Na een feestdis, of zo?’ Ik fronste de wenkbrauwen. Dat overkomt toch iedereen wel eens? Hoe kon ik daar in godsnaam negatief op antwoorden? De assistente begon te grijnzen: ‘Voor een opgeblazen gevoel kan ik het volgende aanbevelen…’. Ze toverde in een oogwenk zes doosjes op de toonbank en goochelde met dure woorden zoals: receptorantagonisten, probiotica en lactobacillus.

    Buiten was het piepen van de haarbal overgaan in wolvengehuil. De dame achter me zuchtte luid en een duo in het midden van de rij  sprak van een schandaal: ‘Welke onverlaat laat een hond zo lang alleen?’ ‘Dierenmishandeling is het,’ viel de apotheekassistente hen bij. Mijn voorhoofd, neus en zelfs het vel achter mijn oren trok samen in meerdere, behoorlijk onvriendelijke, fronsen. ‘Ik heb nooit een opgeblazen gevoel,’ siste ik tussen mijn tanden door. ‘Excuses mevrouw, dat had ik dan verkeerd begrepen, maar zag ik u daarnet niet naar ons assortiment anti-rimpelcrèmes kijken?’ En dan op fluisterende toon: ‘Ik zou er niet te lang mee wachten: uw rimpels worden behoorlijk – hoe zal ik het beleefd zeggen – zichtbaar.’ Dat was de druppel. ‘Ik was jong toen ik hier binnenstapte,’ antwoordde ik luid. Ze mocht haar twee dozen houden. Ik griste mijn identiteitskaart van de toonbank en beende langs de wachtrij naar buiten. Zonder medicatie, maar mét rimpels, een opgeblazen gevoel en een sluimerende koortsblaas.

  • 26 maart 2023

    Hondenweide

    De haarbal was jarig. Twee is hij geworden. Bijna puber af, maar nog steeds even “enthousiast”. We vroegen hem wat hij wilde doen voor zijn verjaardag. Hij antwoordde niet, maar als hij dat had gekund, had hij ongetwijfeld de hondenweide in Lille gekozen. De wederhelft en ik gunden hem graag zijn pleziertje. Daar aangekomen was de haarbal niet te houden. Verspreid over het bos moeten er minstens vijftig honden hebben rondgelopen. En de haarbal wilde die allemaal goedendag zeggen. Tegelijkertijd. Dat was niet haalbaar. De andere viervoeters liepen namelijk alle kanten uit. De haarbal wist niet welke eerst te kiezen. Hij rende een vrolijk geval achterna, zonder nog om te kijken, steeds verder van ons weg… Tot hij volledig uit het zicht was verdwenen. Dat kon niet de bedoeling zijn, dus wij erachteraan.

    Laat me even wat verduidelijken; Alle honden worden doof van zodra ze een poot op eender welke hondenweide zetten en de weide waarover ik spreek is uniek in zijn soort: een afgebakend stuk dennenbos van acht hectare groot. Een toertje rond is meteen een kilometer stappen. Of slenteren… Of hollen op de paadjes die kriskras door het gebied lopen. In dat bos bevinden zich, verspreid, verschillende soorten baasjes. Je hebt de loslaters: die laten letterlijk en figuurlijk hun hond los. Het komt niet in hen op hun hond achterna te gaan. Dat zou vruchteloos zijn. Hun meest voorkomende verschijningsvorm is die van solitaire wandelaar. De tegenpolen van die loslaters zijn de babbelaar-verzamelaars. Die  klitten samen in het bos, ver weg van de brede wandelpaden en blijven daar staan praten, vaak in groepen van vijf, zes personen. Meestal doen ze dat op dezelfde plek die ze zich mettertijd zijn gaan toe-eigenen. Wat ergerlijk is. Dan zijn er de ballenwerpers. Zij doen alsof er geen andere honden zijn. Ze verwachten ook van alle andere honden dat die van hun bal afblijven. Volstrekt onmogelijk. Er zijn de controlefreaks, die verwachten dat hun hond naast hen blijft lopen. Wat moeilijk is. Dan heb je tenslotte de beschroomde eigenaars. Daar behoor ik toe. Ik ben zo’n baasje dat gillend haar hond achternaloopt en met lievelingskoekjes leurt in de hoop dat haar viervoeter dan beter zal luisteren. Zinloos…

    De haarbal was dus uit ons gezichtsveld verdwenen. We namen een berekende gok en liepen naar daar waar we vijf schriele hondenlijfjes op lange breekbare poten zagen wegstuiven. Daartussen sprong een Basset van dertig kilo baldadig op en neer,  zijn twee gigantische oren wild om zich heen flapperend. ‘Straks stijgt hij nog op!’ riep een babbelaar-verzamelaar. Ik zag het mislopen. Riep de haarbal bij me, maar daar had hij geen oren naar. Spelen wou hij en spelen zou hij! De wederhelft ondernam een eerste poging om hem te vangen. Tevergeefs. Ik haalde ondertussen mijn geheime wapen boven: zijn lievelingskoekjes. Hij moest ze niet. De vijf windhonden opjagen was veel interessanter. Met vereende krachten lukte het ons uiteindelijk toch de haarbal aan te lijnen en mee te sleuren naar het wandelpad. Daar lieten we hem terug los, waarop hij een bocht van honderdtachtig graden maakte en linea recta terug naar de vijf scharminkels liep. Hetzelfde scenario herhaalde zich: gillende ik, duikende wederhelft, koekjes, vangen, aanlijnen en sleuren. Ditmaal verder weg van de groep babbelaar-verzamelaars.

    We wandelden zo een kort stukje mee met een loslater die haar Labrador al een uur niet meer gezien had. Wanneer we de windhonden ver genoeg achter ons hadden gelaten, lieten we de haarbal terug los waarop die naar een nieuw doelwit schoot: een overzichtelijk allegaartje grote en kleine rassen. Het ging goed. Zo goed, dat we er even bij gingen zitten. Onze haarbal – niet slecht bedoeld – had zijn zinnen gezet op de grootste loebas van het gezelschap. Het was grappig om te zien, aandoenlijk zelfs, maar hij wist niet van ophouden en dat werd op den duur wat gênant. Ik kon het niet meer aanzien en besloot onze viervoeter bij ons te roepen. ‘Niet doen, schat,’ zei de wederhelft nog. Ik luisterde niet en riep de magische woorden: ‘James koek!’ De zeven honden waarmee hij dolde, draaiden zich om en kwamen op ons afgerend. Drie sprongen er op de bank, één zette zijn voerpoten op mijn schoot en de kleinsten verdrongen zich aan onze voeten. De haarbal was er niet bij. Hij bleef op een afstand naar het gedoe kijken. ‘Kom hier,’ schreeuwde ik. Hij hield even zijn kop schuin, deed enkele stappen achteruit, draaide een kwartslag en ging ervandoor.

    Ik kon er onmogelijk achteraan gaan en hij wist dat verdomme goed genoeg.

    ‘Jij ellendig mormel,’ schreeuwde ik.

    ‘Heeft geen zin, schat, alle honden zijn doof op een hondenweide.’

    ‘Oh ja? En deze zeven dan?’

    ‘Kom, we gaan naar hem op zoek. Blijf vooral kalm.’

    Aan de einder zagen we de haarbal van links naar rechts spurten en daarna weer naar links. Fluks rond bomen heen, over bergjes, obstakels en door de plassen. Telkens veranderden we mee van richting met in ons kielzog zeven honden die de lievelingskoekjes wel héél lekker ruiken vonden. Ik baalde, monsterde de honden achter ons. Wees een middelgroot exemplaar aan en vroeg de wederhelft: ‘Wat denk je van die hond? Ziet die er niet liefelijk uit?’ ‘Haal het niet in je hoofd,’ repliceerde die. Toch, we hadden zo met een goed luisterend exemplaar naar huis kunnen gaan.

  • 12 maart 2023

    Oase van rust

    De foto’s op de website zagen er prachtig uit. De B&B werd omschreven als een oase van rust. Een plaats voor bezinning met tal van stimuli voor creativiteit. Dé plaats om te schrijven en te werken aan mijn manuscript. Ik ging dus graag in op de uitnodiging van een vriendin om ons daar een week terug te trekken en te schrijven. Uiteindelijk moesten we de (daarvoor te kleine) B&B delen met drie koppels. Ze arriveerden een dag later en bleken de kaartvrienden van de uitbater te zijn. Ze hadden ook een chapeau bij. De gegarandeerde rust was zo van korte duur.

    Onze eerste ochtend samen werden we aan elkaar voorgesteld. Wij als “de Schrijfsters”. Zij als “Vrienden van de uitbater”. Ontbijten deden we aan één lange tafel. De meest kunstzinnige van de hoop (afgaande op het zijden sjaaltje om de hals) had in mij een nieuwe prooi geroken en ging gericht op zijn doel af. Hij had namelijk een boek gelezen. Een boek over inspiratie en hoe je die kan vinden in yoga. ‘Doet u aan yoga, juffrouw?’ Ik schudde het hoofd. Voor inspiratie had ik geen yoga nodig. Een op zichzelf georiënteerde hansworst deed het ook. Ik nam mijn notitieboekje bij de hand terwijl hij op dreef kwam. Theatrale handgebaren incluis. Zijn gezelschap rolde met de ogen, ging over tot de orde van de dag en liet me aan mijn lot over.

    Gaandeweg deelde de man niet langer wat luchtige weetjes. Nee, in de dagen die volgden debiteerde hij in een zelfverklaarde grootheidswaan zijn in boeken vergaarde kennis over schrijvers, kunstenaars en muzikanten. Rossini, groots componist, schreef alles in zijn bed, zei hij. Dat had hij gelezen in een boek. Hij heeft nooit een slechte noot op papier gezet. Met het vingertje in de lucht. ‘Die slechte noten zijn ongetwijfeld in de open haard gesukkeld,’ zei zijn vrouw. Oh wee, neen! Wie durft Rossini daarvan te beschuldigen? Ik zag mijn kans schoon om er van tussenuit te muizen en zocht me met mijn paperassen buiten een plekje in de schaduw, niet ver van het zwembad. Op de achtergrond rinkelden de belletjes van de kudde geiten die elke dag een aantal keer rakelings langs de woning passeerden. De uitbater stond wat verderop, met de armen gekruist en de ogen tot spleetjes geknepen, naar de beesten te gapen. Wie hield er nu niet van die charmante dieren? Ik werd er telkens instant vrolijk van.

    Dag vier, in de namiddag, na goed te hebben doorgewerkt, keek ik ernaar uit om een verfrissende duik te nemen in het zwembad. Het kaartgezelschap was op uitstap. Ik had het hele zwembad ter beschikking, zonder pottenkijkers. Heerlijk! Ik zwom een rondje, en nog eentje, dobberde een tijdje op mijn rug en hing – met de schouders boven water – een hele poos aan de rand. Soit, om tot de clou te komen; ik vertoefde nog steeds in het water toen het zeskoppige gezelschap vroeger dan verwacht terugkeerde en langs het zwembad voorbijkwam.

    ‘Wist je dat geiten niet kunnen zwemmen,’ zei de kunstkenner tegen me. ‘Heb je dat ook gelezen in een boek?’ vroeg ik. ‘Nee, dat zei de uitbater me. Er is hier vorige week een geit verdronken.’ Op de achtergrond zag ik de uitbater de kudde geiten wegjagen. De drie vrouwen keken naar het water, naar mij en dan terug naar het water. Een van hen kon haar walging niet onderdrukken en sloeg een hand voor de mond. ‘Dit zwembad? Hoelang heeft dat beest erin gelegen?’ gilde ik naar de uitbater. Die haalde zijn schouders op: ‘Weten we niet, maar je hoeft je geen zorgen te maken, het beest was nog niet opgeblazen toen het we het eruit haalden.’ Ik griste naar mijn handdoek en beende naar mijn kamer waar ik een halfuur onder de douche heb gestaan en me drie keer van top tot teen heb afgeschrobd.

    Zonder enige twijfel: volgend jaar huur ik een huisje in de Ardennen.

  • 26 februari 2023

    De vlucht

    Iedereen zit. Eindelijk. Op de juiste plek. Ik zit aan het gangpad. Daar heb ik zelf voor gekozen. Het raampje maakt me bang. Het nadeel van deze plaats zullen de botsers zijn. Die komen straks. Want hoe smal ik me ook zal maken, het zal nooit smal genoeg zijn. In Brussel liepen er veel kinderen rond aan de gate. Ze stapten allemaal in. Ik heb geluk, kwam te zitten naast een zwijgzame dame met haar dochter van een jaar of negen. Ze duwde het kind meteen een tablet in de hand.  Zij zal stil blijven. Dat in tegenstelling tot de kleuter drie rijen voor me. Hij zal zijn keel een eerste keer openzetten als we over de tarmac bollen. Vervolgens bij het opstijgen. Daarna zal de luchtdruk onze trommelvliezen nog minstens twintig keer laten ploppen.

    Het eerste uur van zo’n intercontinentale vlucht valt er nog wat te beleven. Je krijgt de veiligheidsinstructies uitgebeeld (waarbij niemand nog oplet). De piloot maakt een weerpraatje over de plaats van bestemming én je kan spijs en drank kopen uit een magisch karretje. Het blijft fascinerend hoeveel die stewardessen uit dat kleine blikken ding op wieltjes tevoorschijn kunnen toveren. De kaart in de rugleuning van de stoel voor me, belooft dat er ook warme maaltijden te verkrijgen zijn. “Excuses voor het ongemak, maar er is enkel lasagne en kip zoet-zuur,” klinkt er door de intercom. Ik berg de kaart op. Het zou toch maar ongemakkelijk eten worden, want zowel voor, als achter me, zit er een reus van een vent. Ze steken allebei met hun kop ver boven de zetels uit. Voor mij is de ruimte tussen de stoelen al benepen. Het is me dan ook een raadsel hoe zij het voor mekaar kregen zich er tussen te wringen. Om de haverklap porren er twee knieën in mijn rug en worden mijn voeten vanonder de stoel weggeschopt. De man voor me creëert voor zichzelf wat extra ruimte en klapt zijn stoel achteruit. Het gaat ten koste van de mijne. Het lukt me niet comfortabel een boek te lezen. Ik neem er mijn notitieboekje bij. Nog drie uur te gaan.

    Het tweede uur komt er beweging in de zaak. Dat betekent: rennende kinderen door het gangpad. Het merendeel van hen richting toilet. De ouders gaan er, zo snel ze kunnen, achteraan. Zij fluisteren aanmanend, hun kinderen gillen, zijn buiten zinnen. Ik zet muziek op. Jammer genoeg wordt die overstemd door een erg luide man die ik niet kan lokaliseren. Vermoedelijk is hij hardhorig. Ik kan de muziek onmogelijk nog luider zetten uit vrees voor gehoorschade. Stel je voor dat ik ook zo zou beginnen roepen in een conversatie. Misschien doe ik dat al wel. De man bestelt iets bij de stewardess en zal nog drukker én luider worden. Aan de andere kant van het gangpad zit een ouder koppel. De man slaapt. Zij leest. Ik schrijf. We zitten in de helft.

    Het derde uur maakt de dame aan de andere kant van het gangpad haar man wakker. Vervolgens krijg ik twee keer een partij billen in mijn gezicht. Eerst die van de man, daarna die van de vrouw. De vrouw zal zo een tijdje blijven staan. De benen strekken voor de bloedsomloop, gok ik. Tussen die billen en mijn gezicht passeren achtereenvolgens: drie stewardessen, twee kleuters, de bijhorende ouders en één kind van een jaar of tien. Ze creëren vooraan een opstopping. Er zijn maar twee toiletten. De stewardessen krijgen het op hun heupen. Ze moeten in die drukte een tweede keer met hun toverkar de gang door. Het koppel naast me wisselt terug van plaats. De broek van de man hangt ondertussen op halfzeven. Nog een uur te gaan.

    Het vierde uur gaan alle remmen los. Ik ruik zoute nootjes, cafeïne, babydoekjes (gelukkig alleen de doekjes), zoetzure saus en een muskusgeur afkomstig van goedkoop parfum. Ik zie bilspleten, het schaamhaar van de buurman, een peuter struikelen, een rugzak uit de bergruimte voor handbagage donderen en een kwijldraad uit de mond van de snurker schuin achter me druppen. Dan, eindelijk, ploppen mijn trommelvliezen. De kleuter van drie rijen voor me zet zijn keel terug open. Maar het einde is in zicht, de daling ingezet. We zullen straks hard de tarmac raken en de passagiers zullen luid applaudisseren.

  • 12 februari 2023

    Receptie

    Het was de laatste receptie van het nieuwe jaar. Ik haat nieuwjaarsrecepties, maar onder deze kon ik niet uit. Mijn overlevingsinstinct nam het over. De goedkope cava deed het niet. Ik kwam er aan de praat met twee oude kennissen. Een van de twee begon over het alarmerende lage waterpeil ondanks de felle regen van de voorbije dagen. ‘Waarom boren ze geen putten in die grote plassen? Zo kan het water toch sneller in de bodem dringen en stijgt het grondwaterpeil toch?’ opperde de tweede. De energie ontbrak me om er dieper op in te gaan, dus mompelde ik instemmend: ‘Onvoorstelbaar dat tot hiertoe niemand op het idee is gekomen om met een grondboor aan de slag te gaan.’

    Een schotel met lauwe ovenhapjes kwam onze kant uit. Er stonden er nog vijf op. De ober drong aan. Hij moest dringend naar de keuken maar wilde van de overblijvertjes af. Dat ze wak waren, wist je pas als je er een vastnam. De smaak was ondefinieerbaar.  In het zog van de schotel volgde een dame die nog snel de twee laatste hapjes naar binnen werkte en er dan voor koos om bij ons te blijven staan. Ze deed alsof ze iemand van ons gezelschap kende. We wisten niet wie van ons drie dat was. We verwelkomden haar. Het was tenslotte een nieuwjaarsreceptie. Een link zou er wel zijn. Bij de eerste kans die ze had begon de nieuweling over haar jongste telg te praten. Ze vertelde dat de leraar van haar zoontje jarig was geweest. Hij had aan de klas gevraagd hoe oud ze dachten dat hij geworden was. Na wat ondoordacht giswerk van de andere leerlingen, zei haar zoontje ‘vierenveertig’. De leraar feliciteerde de jongen en vroeg hoe hij dat wist. ‘Mijn oom is tweeëntwintig en hij is een halve idioot,’ zei hij. We grinnikten. Het was niet echt gebeurd. Het was een mop, maar wel de beste die we die avond al gehoord hadden.

    Een man die wat verderop stond hoorde ons lachen, zag in ons waarschijnlijk een gewillig publiek en voegde zich ongevraagd bij ons groepje. Hij kon niet stilstaan, was altijd in beweging. Wiegde wijdbeens van het ene op het andere been. Hij zette zijn voeten dan weer eens naast elkaar, dan weer voor elkaar. En hoe luider hij praatte hoe sneller hij heen een weer wipte. Hij slorpte alle aandacht naar zich toe en wanneer hij vreesde dat iemand anders er mee aan de haal zou gaan, positioneerde hij zich in het midden van de cirkel. De mensen die achter zijn rug terecht kwamen, moesten maar wat beter hun best doen.  

    De man werkte op mijn zenuwen. Je kreeg er geen speld tussen. Ik wilde zo snel mogelijk achter zijn rug terecht komen en dan het hazenpad nemen. In een snel oogcontact liet ik de anderen weten dat het ieder voor zich was. De zichzelf centrerende blaaskaak reageerde ongeïnteresseerd wanneer ik zei dat ik op zoek ging naar een glaasje water. ‘Tot zo,’ zei ik nog. Uit beleefdheid, want geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht terug te keren. Ik keek op mijn horloge, het was te vroeg. Naar huis gaan was geen optie. Ik zou vast de eerste zijn en de speech moest nog komen.

    Aan de bar bestelde ik een glaasje bruiswater dat ik traag opdronk. Ondertussen bedacht ik een plan. Dat had ik nodig, want zonder plan werd ik verwacht terug te keren naar de blaaskaak. Ik keek de zaal rond, maar herkende niemand die me uit mijn lijden zou kunnen verlossen. Bij de bar kon ik ook niet blijven staan, dus hupte ik van gezelschap naar gezelschap, van cirkel naar cirkel. Overal deed ik alsof ik iemand herkende en dan tot de vaststelling kwam dat ik me vergist had. ‘Dag Erik, wat lang geleden. Oh, excuses, ik dacht dat je iemand anders was.’ Zo bereikte ik de toiletten. Ik besloot me er een tijd te verstoppen. Een minuut of tien zou niet zo heel verdacht zijn.

    Nadat men vier keer op de deur hadden geklopt en ik evenveel keer ‘bezet!’ had geroepen, ging ik terug de grote zaal in. Er werd net bij mijn ex-groepje bijgeschonken. De blaaskaak protesteerde bij de ober omdat zijn glas maar half werd bijgevuld. De drie dames die zo plots achter zijn rug stonden, draaiden zich om en renden naar de toiletten. Ze passeerden me en riepen: ‘Ieder voor zich, toch?’ De blaaskaak, die enkele seconden later opmerkte dat hij zijn publiek kwijt was, speurde als een oehoe eerst over zijn linker- en dan zijn rechterschouder op zoek naar hen. Ze waren hem te snel af. Ik daarentegen stond pal in zijn gezichtsveld. Hij herkende me, grijnsde, nam gezwind een glas cava van een passerende plateau en stapte op me af. Nooit eerder heb ik zo uitgekeken naar een lange speech.

  • 3 februari 2023

    Taart

    De wandeling eindigde in een koffiebar met een menukaart die voor ieder van het gezelschap wat wils beloofde. Er werd druk overlegd: “Wat neem jij?” “De soep?” “De eieren?” “Toch een croque?” “Juffrouw! Wat is de dagsoep?” “Savooi en koolrabi?” “Jakkes!” “Oh, kijk die taartjes de tafel hiernaast.” “Wat zien die er lekker uit.” “Frambozen, slagroom…” “Kijk, de laatste bladzijde van de menukaart: er is ook kaastaart…” “… en rijsttaart!” “Ik neem gebak!” “Ik de soep.” “Ik ook.” “Ik twijfel… neem wel koffie.” “Thee…” “De specialiteit van het huis: ice tea van kalissehout met bloedappelsien en kruidnagel.” “Wat is het toch moeilijk kiezen…” Uiteindelijk bleek de grote meerderheid de dagsoep te nemen. Ik gruwelde bij het idee, had mijn zinnen gezet op zo’n frambozentaartje, in combinatie met een keteltje jasmijnthee. Het zou het hoogtepunt van mijn dag worden. Wat zeg ik? Van mijn weekend. Misschien wel van mijn week…

    Continu geroezemoes. Het was druk in de koffiebar. Gezellig druk. Ook aan onze tafel. Zo had niemand van het gezelschap gemerkt dat de ouderdomsdeken zijn bril was vergeten. Zonder de menukaart op te nemen, antwoordde hij doorheen het gesprek: “Klinkt lekker. Ik ook. Soep, mét brood? Gebak? Moeilijk kiezen blijkbaar. Wat is er toch veel lawaai. Wat zeg je? Jaja, het is me wat…”  Dus er was ook niemand die er aan dacht hem wegwijs te maken of de kaart voor te lezen. We namen allemaal hetzelfde, toch?

    De serveuse kwam bij onze tafel staan. “Dagsoep met koffie.” “Dagsoep met koffie.” “Ook, alsjeblieft.” Ik was de eerste die het pact doorbrak met een frambozentaartje en jasmijnthee. De sportman was de tweede: hij koos voor de kaastaart en de huisgemaakte ice tea. Vreemde combo dacht ik nog en dan zei de ouderdomsdeken, wijzend naar de sportman links van hem: “Ik neem wat hij neemt.” Er werd druk gegesticuleerd. Iemand riep nog: “néé, niet doen!” maar de ouderdomsdeken was niet onder de indruk. “Heus wel,” zei hij. De serveuse knikte vriendelijk en nam de benen.

    Niet veel later stond ze terug aan onze tafel. “Onze excuses,” zei ze, “maar er is geen frambozentaartje meer.” Jammer van de frambozen, dacht ik, maar een aardbei of bosbes zou me ook smaken. “Nee, mevrouw, de basis van alle fruittaartjes is dezelfde. En het laatste koekje is zonet in de keuken op de grond gevallen.” Dat was wat ze noemen dubbele pech. Met lichte tegenzin koos ik dan maar de kaastaart. De serveuse bedankte me, haastte zich naar de rest van haar bestelling en keerde nog sneller terug. “Opnieuw, onze excuses, maar er is nog maar één stukje kaastaart.” “Geen probleem,” zei de sportman, “ik neem dan wel de rijsttaart.” Dat was one down, one to go. Ik richtte me tot de ouderdomsdeken: “Staat er iets op de kaart dat je misschien…” Ik kon mijn vraag niet afmaken. “Nee,” riep hij, “ik verander niet meer van gedacht!” Ietwat misnoegd nam ik de kaart. De serveuse wipte nerveus van het ene op het ander been. Wees snel, wees snel! Ik koos de appelcrumble, maar kon mijn teleurstelling niet meer verbergen. De serveuse zag het en repliceerde: “ik zal zien wat ik nog voor je kan doen.” Ik bedankte haar vriendelijk. In plaats van naar de toog snelde ze naar de keuken. Nog geen minuut later stond ze terug aan onze tafel: “Mevrouw, ik heb goed nieuws: er is blijkbaar toch nog één taartje. Frambozen wilde u, toch?” Hé, nee, dacht ik. Dat is dat laatste taartje dat tegen de vlakte is gegaan! Maar ik was te laat. Ze was er weer vandoor en kwam ditmaal niet meer terug.

    De drank werd gebracht. “Wat is dit?” vroeg de ouderdomsdeken met de neus opgetrokken. “Wat ik besteld heb,” zei de sportman, “ice tea van kalissehout met bloedappelsien en kruidnagel. Had je liever koffie gehad?” “nee nee, dit is prima,” antwoordde de ouderdomsdeken en hij nipte argwanend van zijn papieren rietje. Daarna volgden de grote kommen dampende soep en tenslotte werden de drie gebakjes gebracht. “Wat is dit?” vroeg de ouderdomsdeken opnieuw. “Kaastaart,” zei het gezelschap in koor. “Wat had jij besteld?” vroeg de ouderdomsdeken aan de sportman. “Kaastaart,” antwoordde die. “Dat wist ik niet,” repliceerde de ouderdomsdeken. Hij keek daarbij beteuterd naar het kleine bordje voor hem en daarna verwachtingsvol naar de bollen soep. Het gezelschap schoot in de lach en wanneer de laatste lachgolf was weggeëbd, werd er met liefde brood, soep, drank en taart gewisseld, gedeeld en bijbesteld.

    De hectiek ging aan mij voorbij. Mijn taartje gijzelde mijn sociale vaardigheden. Daar zat ik dan, aan de hoek van de tafel. Ik zocht minutieus naar sporen van een val, zag er geen. Verplaatste de intacte frambozen naar de ene en daarna naar de andere kant, de pudding bleek onbeschadigd. Nam een voorzichtige kleine hap, proefde niets verkeerd. De serveuse passeerde onze tafel en knikte naar me. Haar blik viel ook even op het taartje. Ik zou gezworen hebben dat ze  spijt had dat ze dat taartje aan mij had gegeven. Niet uit gewetenswroeging, maar eerder uit een onvervuld verlangen. Had ze dit taartje stiekem voor zichzelf bewaard? Hoe lief, dacht ik. Met de grootste dankbaarheid heb ik dat taartje, traag en tot de laatste kruimel, in mijn coconnetje laten smaken. Het werd het hoogtepunt van mijn week.

    

  • 15 januari 2023

    Intermezzo: Proza!

    Met kromgebogen rug wandelt de man in noordelijke richting. Alles is grijs en zal grijs blijven: het water van de Schelde; de langgerekte strook kasseien die de buitenbocht van de rivier omsluit; zelfs de Blauwe steen is niet blauw vandaag. Aan zijn voeten wordt het brakke water stroomopwaarts gestuwd. Golven botsen en klotsen tegen de kademuur. Het is een, tegelijkertijd, bedreigend en aantrekkelijk schouwspel. Subtiel voelbare vlaagjes worden door de westenwind het binnenland ingeblazen. Ze dragen de geur van slib, opgepikt boven de slikken en schorren van het land van Saefthinge. Straks, bij eb, zal de geur terug verdwijnen. De man ontwaart ook iets anders. Het parfum dat hij draagt, met tinten van okkernoot en sandelhout, wordt verdrongen door een walm transpiratie. Hij heeft gisteren beslist teveel ajuin gegeten.

    De ferry die de linker- met de rechteroever verbindt, laveert tussen twee binnenschepen. De man schudt het hoofd bij het zien van de wirwar op het water en kijkt neer op het verwelkte bosje bloemen in zijn witte handschoenen. Hij verbijt zichtbaar zijn tranen. Huilen kan hij niet, want dan zou hij de tot in de fijnste details afgewerkte maquillage verknoeien. De zwarte lijnen rond zijn ogen, de verticale streepjes op zijn wit geschminkte bolle wangen, zijn felrode lippen, zelfs bij voorzichtig deppen zouden ze zich ongetwijfeld vermengen tot een wansmakelijk kleurpalet. Zijn baret is van zijn rosse haardos tot op de rand van zijn rechteroor gegleden en blijft daar naar goede gewoonte hangen. Het ding is gekrompen. Net zoals de rode zakdoek rond zijn nek. Die krijgt hij enkel nog met grote moeite dichtgeknoopt. Door de jaren heen zijn de eindjes van de lap stof korter en korter geworden. Tegelijkertijd zijn de man zijn vingers omgekeerd evenredig tot moeilijk beweegbare worstjes geëvolueerd.

    Aan de horizon van de weg die hij nog te gaan heeft, ziet de man de contouren van het Mas, het Redstarline-museum en daarachter de haven met zijn havenhuis; een architecturaal meesterwerk. De parel aan de noordelijke skyline stelt een blinkende diamant voor, maar het is niet meer dan een glazen serre op een beschermd monument. Daar houden ze in Antwerpen van. De man ziet af van een poging zijn schouders op te halen. Het is te vermoeiend. Onder het gewicht zijn ze wat gaan afhangen. Een zielige weergave van zijn gemoed. Dat is ook hangerig geworden.

    Met onmiskenbare overgave plaatst hij in grote passen de ene voor de andere voet. Dertig zet hij er zo. De kokmeeuwen en zilvermeeuwen scheren langs zijn hoofd en over het wateroppervlak naast hem. Met een doordringende hihi en rauwe jaarjaar lijkt het wel of ze hem luid uitlachen. Ter hoogte van de Goedehoopstraat houdt de man halt. Hij leunt op een vuilnisbak en hijgt hoorbaar. Elke ademteug heeft de nijging om in een piep over te slaan. Hij probeert tot rust te komen en draait zich met zijn rug naar de drukte op en boven de rivier. Nu glimlacht hij, want is alsof hij in een spiegel kijkt. Het gebouw op de hoek met de Sint-Michielskaai is net zoals zijn T-shirt: zwart-wit gestreept en met golvende rondingen. Enkel zijn twee bruine bretellen ontbreken aan het gebouw. Die zijn voor hem onontbeerlijk om zijn altijd afzakkende zwarte broek rond zijn bolle buik omhoog te houden. Met het bosje bloemen in zijn linkerhand en zijn rechterduim achter een bretel gehaakt, vervolgt hij zijn weg. Iets minder kromgebogen dan daarnet, maar nog steeds diep genoeg om makkelijk de blikken van andere wandelaars te ontwijken.

  • 1 januari 2023

    Nieuwjaarke Zoete

    “Nieuwjaarke Zoete, ons varken heeft vier voeten, vier voeten en ne staart, is dat dan geen snoepje waard?”

    Gisteren werd 2022 afgerond. Kinderen zongen uit volle borst. Peutertjes waggelden aan mama’s hand. Vaders liepen achterop met jenever in de hand. Het was een dorpsfeest naar aloude traditie. Iedereen was vrolijk en dankbaar bij elke traktatie.

    “Nieuwjaarke hottentot, ons vader heeft ne blotte kop, ons moeder is een wit konijn, ik zou er ni gère een kind van zijn.”

    Groepen groot en klein gaan op 31 december van huis naar huis. Ze bellen overal aan. In het hele dorp klinken liedjes en verzen. Onze deur blijft openstaan. Een continue stroom van blije gezichten, komt, zingt en gaat verder…

    “Nieuwjaarke knal! Ons paard staat al op stal…”

    Tussen de deuntjes door maakte ik de balans op. Wat was 2022 een bijzonder jaar. De haarbal groeide uit zijn pubertijd. Ik  groeide in mijn schrijverschap. En al die tijd stond de wederhelft aan mijn zijde.

    “Nieuwjaarke zoete, ‘k hem kou voeten, ‘k hem ne koue rug, ‘k kom volgend jaar terug.”

    Zwierig zei de meester. Fijn zei de tante. Kunstig zei de wederhelft. Ontroerend zei de collega. Dank jullie voor de steun. Ook ik kom in 2023 terug.

    “Oudjaar, Nieuwjaar! Ik wens u een gelukkig Nieuwjaar!”

    Nergens anders ontvangen we wensen in zo’n groot formaat als op 31 december aan onze voordeur. Ik deel die beste wensen en dat prettige nieuwe jaar graag in overvloed. Bij deze wens ik jullie allemaal: bevers en eksters; een vaste plek in een stamkroeg; droog fietsweer; een petekind en een held; kerstbomen in november; insectenvrije wandelingen met een haarbal; proper zwemwater; reizen en dromen; gesprekken het afluisteren waard; iemand die de ogen even opent; een knuffel van een vriend; dansjes op tractoren en leesplezier als een eindeloze warme douche van lettergrepen en woorden.

  • 18 december 2022

    Fraai!

    Het zag er niet fraai uit. Die hoop stenen, die wel. Maar de achterpoot van de haarbal niet. Hij had zijn lichaamslengte en zijn lage ophanging verkeerd ingeschat. In plaats van óver de hoop te springen, ging hij er los door. Hij had nochtans een aanloop genomen… Ik kreeg het bloeden niet gestelpt en het verband had de haarbal sneller losgepeuterd dan dat ik het rond zijn poot had kunnen wikkelen. Het was een gedoe én een smeerboel.

    “Dat ziet er niet fraai uit.” De vervangende dierenarts zuchtte. Dit was op een maandagochtend niet de patiënt waar zij op zat te wachten. Ze keek boos. Hield duidelijk meer van katten. “Eén nietje, meer kan ik niet doen.” De haarbal voelde de bui al hangen, wriemelde in mijn armen zoals een regenworm in de bek van een merel. Het getalm bleef duren. De assistente liet op zich wachten. “Kan je hem wat beter in bedwang houden,” commandeerde de vervangster en nog voor ik er erg in had, knalde ze het nietje in het gescheurde kussentje van zijn achterpoot. Hier zou de haarbal nog lang boos om blijven.

    Antibiotica, pijnstillers en geen wandelingen meer, dat zou het genezingsproces ten goede komen. De pillen lustte de haarbal niet. Niet onder hondenbrokken gedraaid. Niet in een rolletje charcuterie. Waar hij wel voor open stond waren tot gruis geplette medicijnen die door (vers gemaakte) appelmoes werden geroerd. Mits het voldoende appelmoes was. Ik deed wat nodig was, want de haarbal had duidelijk pijn. Hij rilde, jankte, was aanhankelijk en wilde: of slapen; of geknuffeld worden. Zelfs nadat de verwarming wat hoger was gedraaid, had hij met zijn puppyogen nog een dekentje van de wederhelft weten af te troggelen. Toch, alle goede zorgen ten spijt, zag de wonde er een week later nog steeds niet fraai uit.

    We maakten een afspraak bij onze vertrouwde dierenarts. Die bestudeerde eerst de wonde, dan de haarbal, daarna de wederhelft en ten slotte mezelf. De haarbal zat op de onderzoekstafel en onderging alles zorgeloos. Geen gepiep meer, geen gewriemel, hij was zelfs gestopt met rillen.

    “Kan hij erop staan?” vroeg de dierenarts. “Ja, hij kan erop staan,” repliceerden de wederhelft en ik.

    “Eet hij?” “Ja, hij eet.”

    “Drinkt hij goed?” “Ja, hij drinkt goed.”

    “Wandelt hij met jullie mee?” “Ja, hij wandelt met ons …”

    Ditmaal voelde ik de bui hangen.

    “Krijgt hij extra aandacht?” “Ja, hij krijgt …”

    “Krijgt hij extra snoepgoed?” “Ja …” De wederhelft en ik begonnen steeds stiller te praten.

    “Hoeveel kilo is hij bijgekomen?” “… twee kilogram.”

    “Op?” “ … een … week.” Ons antwoord was nog nauwelijks hoorbaar.

    De reprimande die de dierenarts daarop afstak, was zonder enige twijfel hoorbaar tot in de wachtzaal.

    Het klonk niet fraai. De haarbal had ons voor de gek gehouden en wij waren er met onze vier voeten, blindelings ingelopen. Het verdict van de dierenarts, die ondertussen achter zijn bureau had plaatsgenomen, was onverbiddelijk: Geen pijnstillers meer, dagelijks één nieuw verband, op dieet zetten, strenger zijn en wandelen. Tweemaal daags. Minstens! Hij tikte daarbij zo hard op zijn toetsenbord dat ik vreesde voor een ontwrichte vinger. De haarbal sprong met de staart tussen zijn achterpoten van de onderzoekstafel. Ik zou gezworen hebben dat hij alles begrepen had.

    Mijn wederhelft en ik ondergingen het standje van de dierenarts lijdzaam en telden geduldig de tegels op de vloer. De haarbal – die een kans had gezien om ertussenuit te knijpen – had wel een antwoord klaar. Met zijn zere achterpootje in de lucht huppelde hij tot onder het bureau van de dierenarts. Ik schreeuwde zijn naam nog, maar het was te laat. Hij was al begonnen zijn blaas te ledigen tegen de tafelpoot. Ongegeneerd liep hij eerst helemaal leeg en vervolgens naar de deur. Daar zouden we een tijdje niet meer welkom zijn.

←Vorige pagina
1 … 5 6 7 8 9 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

 

Reacties laden....
 

    • Abonneren Geabonneerd
      • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
      • Voeg je bij 66 andere abonnees
      • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
      • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
      • Abonneren Geabonneerd
      • Aanmelden
      • Inloggen
      • Deze inhoud rapporteren
      • Site in de Reader weergeven
      • Beheer abonnementen
      • Deze balk inklappen