Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 15 januari 2023

    Intermezzo: Proza!

    Met kromgebogen rug wandelt de man in noordelijke richting. Alles is grijs en zal grijs blijven: het water van de Schelde; de langgerekte strook kasseien die de buitenbocht van de rivier omsluit; zelfs de Blauwe steen is niet blauw vandaag. Aan zijn voeten wordt het brakke water stroomopwaarts gestuwd. Golven botsen en klotsen tegen de kademuur. Het is een, tegelijkertijd, bedreigend en aantrekkelijk schouwspel. Subtiel voelbare vlaagjes worden door de westenwind het binnenland ingeblazen. Ze dragen de geur van slib, opgepikt boven de slikken en schorren van het land van Saefthinge. Straks, bij eb, zal de geur terug verdwijnen. De man ontwaart ook iets anders. Het parfum dat hij draagt, met tinten van okkernoot en sandelhout, wordt verdrongen door een walm transpiratie. Hij heeft gisteren beslist teveel ajuin gegeten.

    De ferry die de linker- met de rechteroever verbindt, laveert tussen twee binnenschepen. De man schudt het hoofd bij het zien van de wirwar op het water en kijkt neer op het verwelkte bosje bloemen in zijn witte handschoenen. Hij verbijt zichtbaar zijn tranen. Huilen kan hij niet, want dan zou hij de tot in de fijnste details afgewerkte maquillage verknoeien. De zwarte lijnen rond zijn ogen, de verticale streepjes op zijn wit geschminkte bolle wangen, zijn felrode lippen, zelfs bij voorzichtig deppen zouden ze zich ongetwijfeld vermengen tot een wansmakelijk kleurpalet. Zijn baret is van zijn rosse haardos tot op de rand van zijn rechteroor gegleden en blijft daar naar goede gewoonte hangen. Het ding is gekrompen. Net zoals de rode zakdoek rond zijn nek. Die krijgt hij enkel nog met grote moeite dichtgeknoopt. Door de jaren heen zijn de eindjes van de lap stof korter en korter geworden. Tegelijkertijd zijn de man zijn vingers omgekeerd evenredig tot moeilijk beweegbare worstjes geëvolueerd.

    Aan de horizon van de weg die hij nog te gaan heeft, ziet de man de contouren van het Mas, het Redstarline-museum en daarachter de haven met zijn havenhuis; een architecturaal meesterwerk. De parel aan de noordelijke skyline stelt een blinkende diamant voor, maar het is niet meer dan een glazen serre op een beschermd monument. Daar houden ze in Antwerpen van. De man ziet af van een poging zijn schouders op te halen. Het is te vermoeiend. Onder het gewicht zijn ze wat gaan afhangen. Een zielige weergave van zijn gemoed. Dat is ook hangerig geworden.

    Met onmiskenbare overgave plaatst hij in grote passen de ene voor de andere voet. Dertig zet hij er zo. De kokmeeuwen en zilvermeeuwen scheren langs zijn hoofd en over het wateroppervlak naast hem. Met een doordringende hihi en rauwe jaarjaar lijkt het wel of ze hem luid uitlachen. Ter hoogte van de Goedehoopstraat houdt de man halt. Hij leunt op een vuilnisbak en hijgt hoorbaar. Elke ademteug heeft de nijging om in een piep over te slaan. Hij probeert tot rust te komen en draait zich met zijn rug naar de drukte op en boven de rivier. Nu glimlacht hij, want is alsof hij in een spiegel kijkt. Het gebouw op de hoek met de Sint-Michielskaai is net zoals zijn T-shirt: zwart-wit gestreept en met golvende rondingen. Enkel zijn twee bruine bretellen ontbreken aan het gebouw. Die zijn voor hem onontbeerlijk om zijn altijd afzakkende zwarte broek rond zijn bolle buik omhoog te houden. Met het bosje bloemen in zijn linkerhand en zijn rechterduim achter een bretel gehaakt, vervolgt hij zijn weg. Iets minder kromgebogen dan daarnet, maar nog steeds diep genoeg om makkelijk de blikken van andere wandelaars te ontwijken.

  • 1 januari 2023

    Nieuwjaarke Zoete

    “Nieuwjaarke Zoete, ons varken heeft vier voeten, vier voeten en ne staart, is dat dan geen snoepje waard?”

    Gisteren werd 2022 afgerond. Kinderen zongen uit volle borst. Peutertjes waggelden aan mama’s hand. Vaders liepen achterop met jenever in de hand. Het was een dorpsfeest naar aloude traditie. Iedereen was vrolijk en dankbaar bij elke traktatie.

    “Nieuwjaarke hottentot, ons vader heeft ne blotte kop, ons moeder is een wit konijn, ik zou er ni gère een kind van zijn.”

    Groepen groot en klein gaan op 31 december van huis naar huis. Ze bellen overal aan. In het hele dorp klinken liedjes en verzen. Onze deur blijft openstaan. Een continue stroom van blije gezichten, komt, zingt en gaat verder…

    “Nieuwjaarke knal! Ons paard staat al op stal…”

    Tussen de deuntjes door maakte ik de balans op. Wat was 2022 een bijzonder jaar. De haarbal groeide uit zijn pubertijd. Ik  groeide in mijn schrijverschap. En al die tijd stond de wederhelft aan mijn zijde.

    “Nieuwjaarke zoete, ‘k hem kou voeten, ‘k hem ne koue rug, ‘k kom volgend jaar terug.”

    Zwierig zei de meester. Fijn zei de tante. Kunstig zei de wederhelft. Ontroerend zei de collega. Dank jullie voor de steun. Ook ik kom in 2023 terug.

    “Oudjaar, Nieuwjaar! Ik wens u een gelukkig Nieuwjaar!”

    Nergens anders ontvangen we wensen in zo’n groot formaat als op 31 december aan onze voordeur. Ik deel die beste wensen en dat prettige nieuwe jaar graag in overvloed. Bij deze wens ik jullie allemaal: bevers en eksters; een vaste plek in een stamkroeg; droog fietsweer; een petekind en een held; kerstbomen in november; insectenvrije wandelingen met een haarbal; proper zwemwater; reizen en dromen; gesprekken het afluisteren waard; iemand die de ogen even opent; een knuffel van een vriend; dansjes op tractoren en leesplezier als een eindeloze warme douche van lettergrepen en woorden.

  • 18 december 2022

    Fraai!

    Het zag er niet fraai uit. Die hoop stenen, die wel. Maar de achterpoot van de haarbal niet. Hij had zijn lichaamslengte en zijn lage ophanging verkeerd ingeschat. In plaats van óver de hoop te springen, ging hij er los door. Hij had nochtans een aanloop genomen… Ik kreeg het bloeden niet gestelpt en het verband had de haarbal sneller losgepeuterd dan dat ik het rond zijn poot had kunnen wikkelen. Het was een gedoe én een smeerboel.

    “Dat ziet er niet fraai uit.” De vervangende dierenarts zuchtte. Dit was op een maandagochtend niet de patiënt waar zij op zat te wachten. Ze keek boos. Hield duidelijk meer van katten. “Eén nietje, meer kan ik niet doen.” De haarbal voelde de bui al hangen, wriemelde in mijn armen zoals een regenworm in de bek van een merel. Het getalm bleef duren. De assistente liet op zich wachten. “Kan je hem wat beter in bedwang houden,” commandeerde de vervangster en nog voor ik er erg in had, knalde ze het nietje in het gescheurde kussentje van zijn achterpoot. Hier zou de haarbal nog lang boos om blijven.

    Antibiotica, pijnstillers en geen wandelingen meer, dat zou het genezingsproces ten goede komen. De pillen lustte de haarbal niet. Niet onder hondenbrokken gedraaid. Niet in een rolletje charcuterie. Waar hij wel voor open stond waren tot gruis geplette medicijnen die door (vers gemaakte) appelmoes werden geroerd. Mits het voldoende appelmoes was. Ik deed wat nodig was, want de haarbal had duidelijk pijn. Hij rilde, jankte, was aanhankelijk en wilde: of slapen; of geknuffeld worden. Zelfs nadat de verwarming wat hoger was gedraaid, had hij met zijn puppyogen nog een dekentje van de wederhelft weten af te troggelen. Toch, alle goede zorgen ten spijt, zag de wonde er een week later nog steeds niet fraai uit.

    We maakten een afspraak bij onze vertrouwde dierenarts. Die bestudeerde eerst de wonde, dan de haarbal, daarna de wederhelft en ten slotte mezelf. De haarbal zat op de onderzoekstafel en onderging alles zorgeloos. Geen gepiep meer, geen gewriemel, hij was zelfs gestopt met rillen.

    “Kan hij erop staan?” vroeg de dierenarts. “Ja, hij kan erop staan,” repliceerden de wederhelft en ik.

    “Eet hij?” “Ja, hij eet.”

    “Drinkt hij goed?” “Ja, hij drinkt goed.”

    “Wandelt hij met jullie mee?” “Ja, hij wandelt met ons …”

    Ditmaal voelde ik de bui hangen.

    “Krijgt hij extra aandacht?” “Ja, hij krijgt …”

    “Krijgt hij extra snoepgoed?” “Ja …” De wederhelft en ik begonnen steeds stiller te praten.

    “Hoeveel kilo is hij bijgekomen?” “… twee kilogram.”

    “Op?” “ … een … week.” Ons antwoord was nog nauwelijks hoorbaar.

    De reprimande die de dierenarts daarop afstak, was zonder enige twijfel hoorbaar tot in de wachtzaal.

    Het klonk niet fraai. De haarbal had ons voor de gek gehouden en wij waren er met onze vier voeten, blindelings ingelopen. Het verdict van de dierenarts, die ondertussen achter zijn bureau had plaatsgenomen, was onverbiddelijk: Geen pijnstillers meer, dagelijks één nieuw verband, op dieet zetten, strenger zijn en wandelen. Tweemaal daags. Minstens! Hij tikte daarbij zo hard op zijn toetsenbord dat ik vreesde voor een ontwrichte vinger. De haarbal sprong met de staart tussen zijn achterpoten van de onderzoekstafel. Ik zou gezworen hebben dat hij alles begrepen had.

    Mijn wederhelft en ik ondergingen het standje van de dierenarts lijdzaam en telden geduldig de tegels op de vloer. De haarbal – die een kans had gezien om ertussenuit te knijpen – had wel een antwoord klaar. Met zijn zere achterpootje in de lucht huppelde hij tot onder het bureau van de dierenarts. Ik schreeuwde zijn naam nog, maar het was te laat. Hij was al begonnen zijn blaas te ledigen tegen de tafelpoot. Ongegeneerd liep hij eerst helemaal leeg en vervolgens naar de deur. Daar zouden we een tijdje niet meer welkom zijn.

  • 4 december 2022

    Kerstsfeer

    November. Vanaf het moment dat de klok een uur wordt teruggedraaid, begint het bij mij te kriebelen. Het is dan plots meer dan de helft van de dag donker en elk gezond mens brengt dan graag wat licht in de duisternis. Je kan er nooit te vroeg aan beginnen. Of te laat mee ophouden. Elk jaar, met de start van het winteruur, steek ik ’s avonds, verspreid over eet- en woonkamer, kaarsjes aan. Zonder grote trom, maar ook niet geniepig. Gewoon. Zomaar. Dan halfweg november pols ik bij de wederhelft naar zijn mening over kerstverlichting. Je kan er beter tijdig mee beginnen, kwestie van je onderhandelingspositie te verstevigen. Als er moet worden afgeboden, dan kan een week een groot verschil betekenen.

    ‘Wat! Nu al? Ben je helemaal gek geworden?’ De wederhelft hapte meermaals met zijn rechterhand naar een denkbeeldige vlieg ter hoogte van zijn voorhoofd.

    ‘Maar ik heb al een kerstboom gezien!’

    ‘Waar?’

    ‘In die lunchbar, wat verderop.’

    ‘Da’s horeca. Horeca en handelspanden tellen niet mee. Dat was vorig jaar zo. En die regel blijft gelden.’

    Ik fronste een wenkbrauw en dacht diep na. Inderdaad. Die regel was ik vergeten. Ik moest het over een andere boeg gooien.

    ‘Vijf,’ zei ik.

    ‘Vijf wat?’

    ‘Vijf kerstbomen. In een privéwoning. En ik mag de mijne hier thuis zetten.’

    ‘Vijf. Oké.’ Hij stak zijn hand uit om de deal te beklinken maar trok die nog sneller terug. Net voordat ik hem kon vastgrijpen. Hij zei: ‘Hohoho, schat. Niet zo snel,’ en kneep zijn ogen tot spleetjes. Zijn wijsvinger ging kijvend op en neer. ‘Daar was je me bijna te snel af. Je weet er al vijf staan, hé?’ Mijn gezicht vertrok zich in gemene plooien. Wat was hij goed, dit jaar. Ik wist even niet wat zeggen en had wat bedenktijd nodig om naar plan c om te schakelen. Daar maakte hij graag gebruik van.

    ‘De vijf bomen moeten in het dorp staan. Dus geen foto’s van facebook- of instagrampagina’s. Die tellen niet. En er komt geen boom in huis voor de start van de advent.’ Hij kruiste zijn armen en trok de schouders wat naar achteren. Zijn onderhandelingspositie was met deze voorwaarden stevig verankerd. In een laatste poging probeerde ik toch nog wat af te pingelen. ‘De advent?’ zei ik, ‘Da’s overdreven. Het weekend vóór de start van de advent. En we spreken er niet meer over. De vijf bomen vallen dan af.’ Vermoedelijk opgelucht dat hij niet mee moest gaan gluren naar kerstbomen in huizen in de buurt, sloeg hij nu wel zijn hand in de mijne. Zijn genoegzame glimlach zou snel genoeg van zijn gezicht verdwijnen, want meteen daarop haalde ik de doos met kerstversiering van de zolder.

    ‘Wat ga je met die rommel doen?’

    ‘Het is het weekend voor de advent.’

    ‘We zijn pas achttien november! De advent duurt toch maar vier weken?’

    ‘Ja, vier weken. Kerstmis valt op een zondag. De advent begint dan zondag zevenentwintig november. En dit is het weekend ervoor.’

    ‘Jij… Jij…’ De wederhelft maakte zijn zin niet af, gromde een verwensing binnensmonds, zette zijn leesbril op en ging in zijn schommelstoel zitten. Ik paradeerde triomfantelijk met mijn boom, guirlande, lichtjes, beeldjes, kransen en een halve hulstbos een hele avond rond hem heen. Wat had ik er een plezier in!

    Toch, volgend jaar zal ik beter voorbereid uit de hoek moeten komen.

  • 20 november 2022

    Droom aan diggelen

    Verre lange reizen naar de uithoeken van Europa. De wederhelft en ik, samen met onze haarbal, zouden alle landen en streken één voor één verkennen in een campervan. Niet zo’n paleis op vier wielen. Wel een praktisch omgebouwde camionette. Alle voorzieningen in microformaat aanwezig, én bovendien wendbaar in steden en op smalle landwegen. Wat een vrijheid stond er ons te wachten! Met zo’n campervan hoefde je zelfs niet op een camping te overnachten. Nee, je zou kunnen “parkeren” waar je maar wilde. De wederhelft en ik zagen het helemaal voor ons. Overwogen een aankoop en stelden ons tegelijkertijd de vraag of onze haarbal wel zou aarden in zo’n verrijdbaar eigen stekje. Een testritje kon misschien geen kwaad. Dus we huurden eind september tien dagen het model dat we ons wilden aanschaffen.

    Dag één stopten we een uurtje voor valavond in de buurt van Dijon, ergens langs de kant van de weg. Het regende er pijpenstelen, maar net niet hard genoeg om de sporen van de wilde dieren volledig uit te wissen. De wederhelft kon de haarbal alleen uitlaten – wie zijn idee was het ook om in een bos te parkeren? Maar geen erg, ik maakte het me in tussentijd zo comfortabel mogelijk in ons rijdende kasteel.

    Van de bank waarop ik zat, kon ik – letterlijk – aan alles aan. Het bestek, de glazen, de ijskast, het handschoenkastje, met een beetje moeite had ik zelfs het toilet kunnen doorspoelen. Hoe gerieflijk allemaal, dacht ik nog en toen roetsjte de schuifdeur van onze rijdende villa open en sprongen de wederhelft en de haarbal op mijn schoot. Allebei doorweekt en de modder tot aan hun knieën. Het eerste barstje in onze wensdroom verscheen daar. Maar geen gejammer, volgens Meteo France zou de volgende ochtend de zon schijnen. Ik zag me al ontbijten, buiten, op een kampeerstoeltje, met de eerste zonnestralen op mijn snoetje, een heerlijk geurende kop koffie in de ene en een krakend verse croissant in de andere hand.

    Dag twee ontwaakten we in een kille, vochtige en aangedampte camionette. Wilden we een bakker en een verse croissant dan hadden we eerst het bed moeten afbreken, de stoelen moeten draaien en alles terug moeten opbergen in de te kleine kasten. Dat was ons teveel gedoe, dus we ontbeten met restjes oud brood en behielpen ons met oploskoffie. Het barstje in onze droom werd daar iets groter. Maar geen gezeur, we zaten droog in ons rijdende huis.

    Na de afwas, de opruim en de wandeling met de haarbal, wilden we vertrekken. Heel voorzichtig openden we de fragiele vouwgordijntjes om vervolgens nog ruim een halfuur te wachten tot de beslagen ruiten ontwasemd waren. Daarna keken we verwachtingsvol naar de hemel. Helaas, er was in de verste verte geen opklaring in het wolkendek te bespeuren. De haarbal zeurde, de wederhelft hield er de moed in en ik wilde beginnen janken. Een tweede grote, brede barst spleet onze toekomstdroom verder stuk. Maar geen paniek, de dag was toch nog maar half. Wie wist wat er ons nog te wachten stond in onze rijdende chalet. We reden verder op zoek naar een streepje zonneschijn.

    Tegen de avond van dag drie hadden we onze route al vijf keer veranderd op basis van de steeds wijzigende weersvoorspellingen. Nog steeds ter hoogte van Dijon, kwamen we op een camping terecht. De hoogtepunten van die dag bestonden uit het leegmaken van het chemisch toilet; douchen in een niet-verwarmde sanitaire blok; tweemaal – tussen de buien door – de haarbal uitlaten, koken op ellendig kleine gaspitten aan een ellendig klein aanrecht en de haarbal herhaaldelijk gebieden niet in het midden van ons rijdende hutje te gaan liggen. Alsof de haarbal ergens anders naar toe kon… De living was de keuken, was de slaapkamer, was de berging, was de badkamer. De barsten in onze droom breidden zich steeds verder uit. Maar geen gemekker, we waren op reis. In Frankrijk. Daar hielden we toch van?

    Dag vier waren de buien overgegaan in een onophoudelijk gemiezer. We zaten vertrekkensklaar. De ruitenwissers veegden in een geestdodend ritme de kleverige regen van de voorruit. Ook binnen was alles klammig. Van het beddengoed tot de haarbal die de hele dag door stonk naar natte hond. De kaars die ik brandde om de geur te verdoezelen stonk naar appelazijn en we hadden nog steeds geen verse croissant gegeten. Maar…

    Geen maar meer, die dag. Ik had het gehad in onze rijdende gevangenis. Mijn tolerantiedrempel, elke dag wat verder opgetrokken, had zijn limiet bereikt. De droom lag, wat mij betrof, volledig en definitief aan diggelen. ‘Naar huis. Ik wil naar huis. Het maakt me niet uit wanneer we er aankomen, maar ik wil linea recta naar huis.’ Ik onderstreepte mijn standpunt door op de kaart een kaarsrechte pijl te trekken. Dwars door het Franse en Belgische hinterland. ‘We hebben dit ding tien dagen gehuurd, schat…’ preutelde de wederhelft nog. ‘Dan maak je jouw vakantie maar af op onze oprit. Ik slaap vannacht in ons eigen bed.’ Ik meende een instemmend gegrom achter me te horen. We keken over onze schouders en zagen de haarbal met zijn puppyogen verwachtingsvol naar ons opkijken. ‘Jaja, ik heb de boodschap begrepen,’ zei de wederhelft en hij startte de motor.

  • 6 november 2022

    2020

    Het is woensdagmiddag. Ik wandel kriskras door mijn wijk met een lijstje van personen die energieschulden hebben. Outreachen naar mensen die mijn hulp kunnen gebruiken. Her en der bel ik aan. Zeg als de deur opengaat dat ze er niet alleen voor staan. Dat we samen kunnen zoeken naar een oplossing. ‘Samen. Alleen kan ik het niet.’ In mijn farde zitten brochures. ‘Nee, ik ben geen deurwaarder.’ Ook maatschappelijk werk botst op argwaan.

    Huizenrijen maken plaats voor verloederde woonblokken. Twintig hoog. Op het pleintje tussen de torens tolt een kunstmatige windhoos de bladeren en het vuil op een hoopje. Naast een muur die in de schaduw naar de hemel reikt, ligt een berg afval die ooit iemands huisraad was. ‘Werk je voor de sociale woningmaatschappij?’ Een vrouw van in de zestig spreekt me aan. ‘Nee, ik help mensen die problemen hebben met energie.’ ‘Jammer. Zie dat sluikstort! Dat kan toch niet.’ ‘Nee, mevrouw. Het is ongehoord. Heb je het al bij de stad gemeld?’ ‘Dan moet ik elke dag bellen. Ga jij mijn telefoonrekening betalen?’ ‘Dat kan ik niet, mevrouw. Zal ik het voor je melden?’ ‘Wil je?’ Ik noteer de coördinaten van de plek waar we ons bevinden en probeer niet stil te staan bij de persoon die zijn of haar leven hier op een hoopje heeft achtergelaten.

    Een meisje loopt met een peuter aan de hand. Ze glimlacht. Ik schud de gedachte uit mijn hoofd: Ze kan zijn mama niet zijn. Dat moet haar broertje zijn. Toch?

    Ik stop bij het huis van de volgende persoon op mijn lijst. De deur van de rijwoning staat wagenwijd open. Het pand is onderverdeeld in te veel appartementen. Dat verraden de acht bellen en brievenbussen. Ze zijn allemaal stuk. Ik zoek naar een naam op een van de bellen. Twee mannen komen van de trap naar beneden gehold. In een fractie van een seconde moet ik beslissen. Spreek ik hen aan? Ze moffelen wat ze vasthouden in hun jaszakken. De beslissing is snel genomen: ik negeer hen en zij mij. In een finale poging om de persoon die ik zoek te bereiken, steek ik een kaartje in de enige brievenbus die nog een beetje heel is. Zonder hoop dat het ooit gelezen zal worden.

    Drie jongens van een jaar of acht, negen, bellen aan bij een rijhuis dat ik nader. ‘Hij is er niet,’ zegt een vrouw in een deuropening. De jongens reageren verwonderd. ‘Is hij opgenomen?’ De vrouw maakt oogcontact met me. Ik zie het verdriet, verscholen in haar kranige houding. Niet in een instelling. Haar zoon is opgenomen in het ziekenhuis. Toch?

    Enkele huizenblokken verderop bel ik aan en opent een vrouw van mijn leeftijd de deur. Zelfs bij dit miezerige weer draagt ze een zonnebril. ‘Op zoek naar meneer? Die kan je wat verderop in het café vinden,’ zegt ze. ‘Weet u van een achterstal in het betalen van gas en elektriciteit, mevrouw?’ vraag ik. ‘Ik betaal de huur. Hij de rest.’ ‘Ik vrees dat hij niet alle facturen betaalde. Er dreigt een afsluiting.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Het is wat het is. Wat kan ik doen? Hem erover aanspreken? Ik kan niet riskeren op straat te belanden. Ik heb geen familie waar ik terecht kan. Dit is het.’ ‘Weet dat u altijd een keuze heeft, mevrouw.’ Ik schrijf het nummer van de dienst intra-familiaal geweld op een post-it.’ ‘Je kan vrijblijvend met hen praten en daarna beslissen wat je wilt doen.’ Ze zet een stap achteruit, maar bedenkt zich dan en neemt het telefoonnummer aan. ‘Vraag je jouw man dat hij contact met me opneemt. Het is belangrijk.’ Ik overhandig haar het kaartje met mijn contactgegevens. Ze knikt en sluit de deur.

    Op mijn terugweg staat een meisje van een jaar of tien met haar veel jongere broertje naar een gesloten raam te roepen. Ik steek de straat over. ‘Kan ik jullie helpen?’ vraag ik. ‘Papa slaapt. Hij hoort de deurbel niet.’ ‘Heb je zijn telefoonnummer? Misschien hoort hij zijn gsm wel.’ Uit haar hoofd dicteert ze tien cijfers. Ik bel de papa. Eenmaal, tweemaal, driemaal. Hij neemt niet op. Wat nu? Verwittig ik de politie? Het meisje leest mijn gedachten. ‘Dat hoeft niet. Dit gebeurt wel vaker. Hij wordt straks wel wakker. En dan opent hij de deur.’ De oplossing is voor haar heel eenvoudig. Een bemoeizuchtige dame zoals ik kan ze missen als kiespijn. Ik buig beleefd het hoofd en keer terug naar kantoor.

    Het leven in de wijk 2020 staat mijlenver van het mijne af. Vanavond rij ik op mijn fiets die mijlen ver van de stad vandaan. Fysiek en mentaal. Ik zal langs mijn staminee fietsen waar de stamgasten die buiten staan, me zullen toewuiven. Misschien stop ik wel even om Walter een knuffel geven. Zo een waar we beiden van opfleuren. Ik zal halthouden bij Jos, die winter en zomer, leunend op zijn schop, de buren aanspreekt en hen opvrolijkt met een mop uit de Druivelaar. De mussen zullen kwetterend uit de haag opvliegen en de haarbal zal me kwispelend tegemoet lopen. Ik zal gelukkig zijn en me gelukkig prijzen…

  • 23 oktober 2022

    Verplichte lectuur

    Natuurlijk past bij een opleiding schrijven aan een academie voor kunsten een verplichte leeslijst. Acht titels, definitief vastgepind in de agenda van het academiejaar.  Geen assortiment boeken waar je – onder het motto: voor ieder wat wils – naar eigen goeddunken uit kan kiezen. Neen, stel je voor, dat zou de pret van de meester kunnen drukken.  Met goede moed begon ik bovenaan het lijstje: ‘Al die tijd de duivel’ van Donald Ray Pollock. Na het lezen van de eerste twintig bladzijden moest ik even slikken. Het was een aaneenschakeling van misselijkmakende scenes die elkaar in een (letterlijk) moordend tempo opvolgden. Die Pollock was een zieke geest en de samensteller van de leeslijst… Die gooide ik met de schrijver op een hoopje. Ik las het boek in een ruk uit. En achteraf wist ik niet of ik dat deed omdat ik er vanaf wilde zijn, of omdat het verhaal toch verdraaid goed in elkaar stak. Wat bezielde de meester om dit boek bovenaan zijn leeslijst te zetten?

    Diezelfde week begon ik aan het tweede boek: Tantes van Cyriel Buysse. ‘Ala toe, kom moar binnen en zet ulder bij de stove!’ De toon was gezet en ik werd in de tijd terug gekatapulteerd. Helemaal naar 1924. Tantes was een hopeloos gedateerd boek waarin het hoofdpersonage naar het einde toe helemaal dol draait. Ik begreep het niet. Had de meester een plan? Ik vroeg het hem tijdens de pauze in de les. De andere studenten luisterden mee. Zonder deftig antwoord vroeg hij mij om me om te draaien: ‘Uw non-verbale communicatie, dame, wilt u die alsjeblieft niet met de andere studenten delen?’ Ik positioneerde me met mijn rug naar de groep en wist: de meester had een plan.

    Met tegenzin opende ik twee weken later het derde boek: De Avonden van Gerard Reve. Ik worstelde van pagina naar pagina. Daarna van zin naar zin. Er gebeurde helemaal niets in dat boek. Er was geen rode draad, geen opbouw, geen spanningsboog, niets. Het hoofdpersonage verveelde zich door de dagen heen, net zoals ik verveeld zat met dat boek. Na bladzijde tachtig vroeg ik aan mijn schoonouders (van wie ik het boek had geleend) of er nog iets gebeuren zou. ‘Niets,’ antwoordde mijn schoonvader. ‘Drijvende drollen in zijn bad,’ antwoordde mijn schoonmoeder. Zelfs met het vooruitzicht van de drijvende drollen bleef het lezen een grote opgave. Maar alle kleine beetjes hielpen, dus zeulde ik het boek overal mee naar toe. Telkens ik ergens moest wachten of wat tijd te doden had, nam ik De Avonden in de hand.

    Zo ook in de wachtzaal bij de huisarts. Wanneer mijn  naam werd afgeroepen had ik geen tijd om het boek deftig op te bergen, dus legde ik het neer op de tafel in het kabinet. De dokter keek ernstig naar de omslag. Ik kon niet inschatten wat hij van mijn vrijpostigheid – en het boek – vond, dus probeerde ik me er doorheen te praten. ‘Verplichte lectuur. Avondschool Proza. Niet iets dat ik zelf zou kiezen.’ De dokter knikte en zei: ‘Ken je Dirk De Wachter? Die heeft na het lezen van dit boek besloten dat hij psychiater wilde worden.’ ‘Daar kan ik me iets bij inbeelden,’ antwoordde ik. De dokter begreep het niet. Toen wist ik met grote zekerheid: de meester had een plan.

    Ik had bij het lezen van de eerste drie werken vermoedelijk iets gemist. Misschien wilde de meester duidelijk maken dat een meesterwerk ook maar relatief is. Of zou hij de drempelvrees bij zijn studenten willen wegnemen? ‘Zie deze werken zijn toch ook ooit gepubliceerd, waarom die van jullie niet?’ zou hij zeggen. Of dat taal evolueert en dat een goed boek uit ’24 of ’47 waarschijnlijk nu niet meer uitgegeven zou worden? Het is weinig waarschijnlijk, dus ik ging daarnet op het wereldwijde web op zoek naar antwoorden.

    Donald Ray Pollock: ‘de beste schrijver ter wereld’ reeg de prijzen aan elkaar; ‘schrijft loepzuiver’; ‘een cultschrijver’ was hij. De Zussen van Cyriel Buysse, onderdeel van onze Vlaamse Canon: dito: ‘Meester in de registratie van maatschappelijke fricties die escaleren tot dramatische confrontaties’; ‘Zijn beste werk!’ De Avonden, net van hetzelfde. Reve reeg de sterren aan elkaar: De Avonden bleek de ‘Bijbel van een nieuwe generatie’; ‘Een van de belangrijkste romans na 1945’. Ik werd er duizelig van. Sloeg ik de bal dan zo mis? Ben ik een cultuurbarbaar? Morgen in de les zal de meester het ons vertellen. En ik hoop voor hem dat hij daar zijn plan zal ontsluieren.

  • 9 oktober 2022

    Een pijntje

    ‘Het lukt me niet,’ zeg ik. ‘Wat lukt er niet?’ vraagt ze. ‘Altijd grappig en vrolijk zijn,’ antwoord ik. ‘Moet dat dan?’ Ze blijft me aankijken. Mijn mimiek spreekt ongetwijfeld boekdelen en die probeert ze zonder enige schroom te doorgronden. ‘Pffffffffff…’ Er ontsnapt me een zucht. Mijn mond is kleverig van de cafeïne. Ik stop vandaag beter met koffie drinken. Ze leest mijn gedachten: ‘Wil je een glas water?’ Ik knik.

    Ze zet het glas water op de tafel en gaat tegenover me zitten. De stilte schuift mee aan: een zwijgzame derde gesprekspartner die mijn gepieker omarmt. Hij wel. Zij niet: ‘Waarom moet je altijd vrolijk zijn? Zo zit het leven toch niet in elkaar?’ stelt ze. Ik haal mijn schouders op. Dat inspireert haar, om tot in de kleinste details, haar weekoverzicht uit de doeken te doen. De andere gesprekspartner spreekt me meer aan. Wat zou ik graag met hem een wandeling maken. Ik drink mijn glas leeg, verzin een excuus en maak me uit de voeten. Letterlijk. Zonder dralen of omwegen trek ik de natuur in. De stilte wandelt zonder morren met me mee. Houdt halt daar waar ik stop, telt de ganzen met me mee (het zijn er altijd acht) en zoekt samen met me naar het ijsvogeltje dat met een schel Tie-Tie van ons wegvliegt. ‘Waar wil je het liefst van al zijn?’ vraagt hij me onhoorbaar. ‘Thuis,’ antwoord ik. ‘Dan gaan we daar toch naartoe?’

    Thuis kijkt de wederhelft van zijn krant naar me op: ‘Moet jij niet aan het schrijven zijn?’

    ‘Het lukt me niet,’ zeg ik.

    ‘Kom op, onze camperreis, daar kan je zonder overdrijven drie stukjes over schrijven.’

    ‘Ik zou liever iedereen een geweten schoppen.’

    ‘Waarom zou je dat doen?’ vraagt hij.

    ‘Omdat het leven niet altijd grappig en leuk is.’

    ‘Schat, er is al kommer en kwel genoeg. De mensen zitten niet te wachten op een extra portie miserie.’

    ‘ “De mensen” weten niet wat dat is, in hun…’

    De wederhelft onderbreekt me: ‘Ho ho! Dat weten “De mensen” heus wel. Kranten en nieuwsuitzendingen staan er bol van. Maar op een zondagmiddag wil niemand met een belerend wijsvingertje terecht gewezen worden. Tover een glimlach op hun gezicht. Dat zijn trouwens jouw beste stukjes.’

    Hij buigt zich terug over de krant. Niet voor lang, dat weet ik nu al. Het is zaterdag. Seffens zal een pijntje het middelpunt van de aandacht worden. Ik verkneukel me nu al.

    Al weken zeurt de wederhelft over pijn aan zijn pols. “Weekendpijn” die zich altijd manifesteert op zaterdagen. Jammerlijk, steeds de dag vóór hij gaat zeilen. Ontstekingsremmers, Voltarengel®, ijs, massages, “Zou ik naar de dokter gaan?”, rust… De hele santenboetiek is al de revue gepasseerd. Het tot in de kleinste details uitgewerkte scenario begint ook vandaag met een linkerhand die de rechterpols voorzichtig vastneemt, waarna er trage ronddraaiende bewegingen worden gemaakt met de rechterhand. Eerst in wijzerzin, een halve minuut later tegen de klok in. De pijnlijke grimas verschijnt pas wanneer er naar de reden van het polsdraaien wordt gevraagd.

    De oorzaak van het probleem bleef tot op vandaag een mysterie. Tot op vandaag, want eindelijk, na al die tijd, weet de wederhelft waar die pijn vandaan komt. Hij had – omdat ik zo lang van huis was weggebleven – alvast gestofzuigd. ‘Het was nodig, schat. Dat onze haarbal niet kaal is, mag een wonder heten. Wist jij dat er een houten vloer onder het tapijt ligt? En ik weet nu waarom ik pijn heb in mijn pols.’ Ik herken een cynische opmerking van ver. De herkomst van het pijntje is er geen. ‘Je meent het,’ zeg ik. ‘Als ik op zondagen nog wil gaan zeilen, denk ik dat het beter is dat ik niet meer stofzuig…’ De wenkbrauwen fronsend tel ik tot tien. Snel vult de wederhelft zijn zin aan met een ‘… voorlopig.’ Ik besluit tot twintig door te tellen. ‘En ik zal een afspraak maken bij de dokter. Maandag doe ik dat. Eerste werk.’ Verder tellend tot veertig, laat ik de stilte even zijn ding doen en vraag de wederhelft dan: ‘Je weet toch hoe belachelijk dat stofzuig-excuus klonk?’ Hij glimlacht: ‘Het was het proberen waard.’

  • 25 september 2022

    De Boswandeling

    We verzamelden die ochtend tegen acht uur aan het boswachtershuisje. “We”, dat waren buren, aangelanden en dorpelingen die elkaar van ver kenden. Misschien dat er een enkeling zich een kennis van één van de andere deelnemers durfde te noemen, maar verder hadden we geen noemenswaardige connecties – uitgezonderd dan dat dit gezelschap er steeds als de kippen bij was, om zich in te schrijven voor een rondleiding in het natuurgebied. Met de handen in de zakken, de schouders opgetrokken, de jassen rond de nek stevig dichtgesnoerd, stampten we met zijn allen de koude uit onze rubberen laarzen. De boswachter liet op zich wachten. Om vijf na acht viel er een eerste schampere opmerking die hier en daar met hoongelach werd ontvangen. Het ijs was gebroken, de verbroedering begonnen. We schoven wat dichter naar elkaar toe. Er werd een schouderklopje uitgedeeld. ‘Koud hé!’ ‘En nat! Toepasselijk voor deze begeleide wandeling over kostbaar water.’ ‘Alsof de weergoden er zich mee gemoeid hebben.’ ‘Kijk wie daar komt aan gestesseld.’ ‘Och, hij heeft de weg gevonden.’ ‘Hahaha.’  

    Het gezicht van de boswachter verzuurde met elke stap dat hij dichterbij kwam. We deelden onder elkaar enkele schuine blikken en glimlachten schalks als een bende kwajongens die er naar uitkeken de boswachter een moeilijke tijd te bezorgen. Je kon letterlijk het lood in zijn schoenen zien zakken en hem denken: ‘Toch niet weer datzelfde verdomde gezelschap!’  Zijn dikke groene gevoerde jas kon zelfs niet verbergen dat zijn schouders afhingen. Zonder enige intonatie zei hij: ‘Goedemorgen allemaal. Ik zie  weinig nieuwe gezichten. Ik denk de introductie te kunnen overslaan.’

    We volgden de boswachter langsheen beken, grachten, rabatten, broekbossen en meanders. Overal voorzag hij ons van een degelijke uitleg, die de meesten onder ons al konden meelippen. De boswachter haalde, net zoals de vorige rondleidingen, enkele geplastificeerde kaarten – A3-formaat – uit  zijn draagtas, met de bedoeling die onder de geïnteresseerden te laten rondgaan. Niemand bekeek de kaarten nog. Ze gleden van hand tot hand en waren, nog voor hij zijn zin kon afmaken, terug bij hem aangekomen. ‘Maak je voort?’ vroeg de gefronste blik van de laatste deelnemer. De vragen zouden straks volgen, nabij “Het Diep”, een stuk ondoordringbaar bos waar een nulbeheer gold, omwille van de lage economische waarde, en omdat – doordat er het hele jaar door plassen staan – normale boswerken onmogelijk waren.

    ‘Jaja,’ klonk er ergens vanachter uit de groep, ‘maak dat de kat wijs.’

    ‘Dat zie je toch met je eigen ogen!’ repliceerde de boswachter.

    ‘Dat er een nulbeheer geldt. Ja, dat zien we,’ zei een ander.

    ‘Maar de prietpraat die daarop volgde, die geloven we niet,’ vulde de eerste aan.

    ‘Alle brulkikkers nog aan toe. Hoe lang gaan jullie me hiermee blijven lastigvallen?’

    ‘Totdat je het toegeeft.’ Er werd door iedereen instemmend geknikt. Hij stond er alleen voor.

    ‘Ik geef helemaal niets toe!’ De stem van de boswachter schoot de hoogte in. Vanuit zijn nek breidden de rode plekken zich uit over zijn wangen en op zijn rechterslaap lag een ader die hevig aan het kloppen was. Hij opende de bovenste twee knopen van jas en beende weg. ‘Als er geen vragen meer zijn, kunnen we verdergaan, ja?’

    Het was een goede poging om ons voor blok te zetten: zijn rug draaien, oogcontact vermijden en de pas erin zetten. Maar we waren voorbereid. Deze truc kon hij misschien drie keer met ons uithalen, maar geen vierde keer. Het was hét moment om ons geheime wapen in te zetten. Een moeder duwde haar dochter naar voor, een dappere meid van een jaar of zes.

    ‘Mijnheer de boswachter? Mag ik nog een vraag stellen?’

    De boswachter vertraagde en draaide zich om. Zijn gezicht klaarde op bij het zien van het onschuldige kind. ‘Natuurlijk, mag jij dat.’ Met de nadruk op die “jij”.

    ‘Heeft hij een naam?’

    ‘Wie?’

    ‘Wel, de bever. Heeft de bever al een naam?’

    ‘Nee, de bever heeft geen n… nnnnnn…’

    De hele groep begon te grijnzen wanneer de boswachter wit wegtrok: ‘Hoe durven jullie een kind hiervoor in te schakelen! Hebben jullie dan geen enkele schaamte?’

    ‘Vertel het nu toch gewoon.’ ‘Ja, je hebt zonet je mond voorbij gepraat.’ ‘Geef het toch op.’ ‘Hoeveel wandelingen wil je ons er nog bij?’ ‘Waarom blijf je zo halsstarrig volhouden?’ We pookten elkaar en de boswachter op. ‘Omdat niemand het mag weten, stelletje nozems,’ brulde hij.

    De boswachter had een punt. We keken schaapachtig naar elkaar, haalden de schouders op, knikten wat begripvol in het rond en staarden vervolgens naar de grond. We zouden het voorlopig daarbij houden. Dat er een bever woonde was inmiddels wel duidelijk en niemand wilde dat de boswachter uit zijn vel zou springen. In stilte wandelden we een tijdje achter hem aan, maar ook daar werd niemand vrolijk van.

    ‘Ligt dat bruggetje er nog?’ vroeg de langste man uit ons gezelschap niet zo heel veel later. ‘Welk bruggetje?’ zuchtte de boswachter. Twintig vingers wezen in oostelijke richting. De boswachter blies zijn wangen vol zoals een eekhoorn in de herfst: ‘Hoe weten jullie van dat bruggetje? Het gaat verdomme over twee planken in een ondoordringbaar stuk bos dat door niemand betreden mag worden.’ gilde hij. We konden geen deftig antwoord verzinnen, dus we zwegen. Even.

    ‘Kunnen we dat bruggetje misschien over, vandaag?’ ‘Het is tenslotte toch een begeleide wandeling.’ ‘En jij bent de boswachter, toch?’ ‘Echt vreemden zijn we niet meer voor elkaar, hé makker.’ Die laatste was erover. We wisten het allemaal toen we het hoorden. Een oerkreet galmde door het bos. Vogels vlogen luid krijsend uit de bomen op en wij… wij stoven uit elkaar. We zagen elkaar daarna nooit meer tijdens een van de begeleide wandelingen. Wél bij dageraad of zonsondergang in de buurt van het bruggetje, op zoek naar een bever.

  • 11 september 2022

    Een eerste indruk

    Die eerste schooldag ging ik met de fiets. De wederhelft had de auto gereserveerd om zijn ouders te gaan bezoeken, omdat – en ik citeer: ‘Het die avond ging regenen. Hard regenen.’ Ik nam er de buienradar bij en inderdaad: er kwam een akelig onweer onze kant uit. Ik had al uitgevlooid dat de rit naar de school in Lier een veertigtal minuten in beslag nam, maar ik reed het onweer tegemoet, dus ik rekende uit hoeveel vroeger ik best kon vertrekken om de stortregen voor te zijn. Of ik nu rustig thuis of ginds ergens in de school, in een hoekje, mijn boek verder uitlas, dat maakte me niet zo veel uit. Een deftige (en droge) eerste indruk was me veel meer waard. Dus ik vertrok die avond in een jurk, ruim op tijd, bij een aangename temperatuur, blauwe hemel en ondergaande zon.

    Ik had het misschien wat krap uitgerekend, alleszins had ik geen rekening gehouden met de aanzwellende wind die aan zo’n onweersfront voorafgaat. Stampend op mijn pedalen fietste ik de Lispersteenweg af en zag in de verte de spoorwegovergang. Een eerste dikke druppel raakte me in mijn oog, maar ik gaf de moed niet op. Ik ging het heus wel halen! Eén druppel maakte geen regenbui. Verdorie! Ook daar had ik geen rekening mee gehouden: gerinkel in de verte, rode lichten die naast elkaar begonnen te pinken en een slagboom die traag naar beneden ging. Ik hing eraan. Het zouden dé vijf cruciale minuten van de avond zijn. Vijf minuten waarin élk weldenkend mens de regenjas zou bovenhalen. Maar nee, ik stond daar wagonnetjes te tellen, terwijl ik steeds vaker geraakt werd door druppels zo groot dat je begint te twijfelen of het misschien hagel zou zijn.

    Zoals ik het vanop de kaart in mijn geheugen had geprent, was de school na het oversteken van de spoorweg niet ver meer. Nog een stukje langs de Nete, tot aan de brug en dan rechtsaf. Ik zou zó de hoofdingang kunnen binnenrijden. Er passeerden naast het kanaal nog twee fietsers die drijfnat de tegenovergestelde richting werden uitgeblazen. Een ervan riep me wat bemoedigende woorden toe. De andere verklaarde me gek. Ik keek naar mijn jurk, overwoog even om toch te stoppen, maar daar was de brug al.

    Aangekomen bij het schoolgebouw bleek de straat een mooi aangelegd plein te zijn, omgeven door gebouwen die door de grote deuren en poorten allemaal een school hadden kunnen zijn. Misschien was dat ook zo. Wist ik veel. Het was de eerste keer dat ik daar kwam. Ik reed een rondje op zoek naar een naambordje, of een huisnummer, maar vond geen van beide. De man die het plein overstak zou me wel kunnen helpen.

    ‘Bent u van hier, meneer? Is dit de Koepoortstraat 1?’

    ‘Ik kom hier de les beeldhouwen volgen, waar moet je zijn?’

    ‘Koepoortstraat 1, de les Proza. Schrijven Proza.’

    ‘Proza? Koepoortstraat 1?’ De man bestudeerde me van kop tot teen en wees dan in de andere richting. ‘De Koepoortstraat is echt niet ver van hier. Je rijdt naar daar, en dan ga je zo… en zo… en dan ben je er.’ Hij wapperde daarbij wat met zijn handen in de lucht. Zijn aanwijzingen raakten kant noch wal. Niettemin, het was duidelijk: daar waar ik stond, was niet de plaats waar ik moest zijn.

    Ik sprong terug op mijn fiets. Het druppelde niet meer. Het regende. Toch bleef ik koppig vasthouden aan mijn idee-fixe: ik zou voor de stortbui aankomen. Ik reed naar daar, en zo… en zo… en eindigde in een doodlopend straatje met mooie rijhuisjes. Knus en gezellig, al wat je wilt, ongetwijfeld aangenaam wonen. Maar daar was géén school! Ondertussen was het beginnen gieten. Ik trok met grote tegenzin mijn regenjas aan, raadpleegde een routeplanner op mijn telefoon, prentte de weg naar de Koepoortstraat 1 in mijn hoofd en haastte me daarnaartoe. Ik kwam uit op exact dezelfde plaats waar die ellendeling van daarnet me de weg had gewezen. Hij was nergens meer te bespeuren.

    Mijn kleren waren doordrongen van de regen. Hoe dan ook, ik was er op dat moment nog gerust in; op driekwartier zou ik een heel pak droger zijn. Ik nam mijn boek. Druppelsgewijs kwamen er ook andere studenten toe. Sommigen op het nippertje, anderen iets te laat: ‘Excuses, maar het regende, wist u?’ Ik knikte vriendelijk, beet de tanden op elkaar. In mijn parallel universum was ik al ontstoken in een cassante tirade. Die werd onderbroken door een medewerker die onze leerkracht kwam verontschuldigen. ‘Hij zal waarschijnlijk het einde van de stortbui hebben afgewacht.’ Daar zat ik dan, kleddernat. Met duim en wijsvinger plukte ik op verschillende plaatsen aan de jurk die nog steeds aan mijn vel kleefde en dacht daarbij aan die eerste indruk die me zo veel waard was.

←Vorige pagina
1 … 6 7 8 9 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

Reacties laden....
    • Abonneren Geabonneerd
      • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
      • Voeg je bij 66 andere abonnees
      • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
      • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
      • Abonneren Geabonneerd
      • Aanmelden
      • Inloggen
      • Deze inhoud rapporteren
      • Site in de Reader weergeven
      • Beheer abonnementen
      • Deze balk inklappen