Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 14 april 2024

    De fietshelm

    Ik kreeg chocolade en een kaartje op de dag van het sociaal werk (negentien maart was dat). De rest van het jaar deel ik schouderklopjes uit op andere bijzondere dagen. Zoals de dag van de zorg, bijvoorbeeld. Daar zouden er trouwens meer van mogen zijn, maar dan blijkt, na wat opzoekwerk,  dat ze ergens verderop in het jaar nog ‘s een hele week krijgen. Met acht dagen zitten ze wel goed, denk ik dan. Want velen verdienen zo’n themadag en een heleboel zaken die wat minder sexy zijn, hebben er ongetwijfeld baat bij om een dag in de spotlight te staan. Autisme en Parkinson bijvoorbeeld. Ja, zelfs pijn en armoe. Dingen die snel in de vergetelheid durven te geraken of, erger nog, in de taboesfeer. Laat me dus stellen dat ze terecht “hun” dag hebben.

    Maar er zijn grenzen. Zo passeerde er de voorbije week de “Dag van de fietshelm”. Check het journaal van tien april als je me niet gelooft. Ik schrijf dit met het grootste respect voor al diegenen die er een draagt; Plaats de fietshelm in de aandacht zoveel je wil, maar een themadag verdient die niet. Er zijn er (maar) driehonderdvijzenzestig uit te delen, en er zijn minstens evenveel betere opties. De gloeilamp, het draaiorgel, olieverf, krulbollen. Ik werp maar wat op.

    Wat ik bedoel is dat die dag van de fietshelm alle andere ridiculiseert. Wat is zo’n themadag nog waard, als zelfs een fietshelm er een kan krijgen. Vroeger had je Moederdag, Vaderdag en secretaressedag. Daarmee was de kous af. Nu wil elke lobbyist een dag voor zijn boodschap. En er zijn echt goede kwesties die terecht in de aandacht komen. Zo is er ergens in de loop der jaren, en met wat voortschrijdend inzicht, de wereldvrouwendag uitgevonden. Dan de dag tegen discriminatie. Daarna de wereldmannendag (die wrang genoeg zijn themadag deelt met die voor de preventie van kindermisbruik) En nog wat later kreeg ook de dag voor uitbanning van geweld tegen vrouwen, een plaatsje in het kalenderjaar. Eén voor één achtenswaardige onderwerpen. Echt waar. Toen was er negen april. De dag van de fietshelm…

    Het lukt niet om niet cynisch te worden van onzin als dit. Het is ter preventie van ernstig hoofdtrauma. Dat is de laatste jaren gestegen. Dat komt omdat er jaar na jaar, steeds meer fietsers betrokken zijn in verkeersconflicten. Omdat de fietser in die situaties iets makkelijker met zijn kop tegen de grond smakt dan een doorsnee automobilist, willen “ze” – lees: de verzekeraars en een overijverige ambtenaar – dat er fietshelmen worden opgezet. Met zachte dwang, als het kan. Verplicht, als het moet. De verantwoordelijk voor dat hoofdtrauma wordt dus bij de fietser gelegd: kop bezeerd? Ach ja: had je maar een helm moeten dragen. Eigen schuld dikke bult. Wel: ze mogen die helm steken waar de zon niet schijnt, ik vertik het. Ik draag het niet. Dat “ze” er maar eerst voor zorgen dat er met een andere en betere verkeersinfrastructuur minder ongevallen gebeuren.

    Ik merkte dat mijn wijsvinger een eigen leven was gaan leiden. ‘Kalmeer toch. Straks smoor je nog op,’ zei de wederhelft. Hij stelde voor om naar de crèmerie te fietsen. ‘Kan je wat afkoelen, eerst met de haren in de wind en daarna met een ijsje in de mond.’ Hij heeft soms goede ideeën. Niet veel later fietsten we zij aan zij. De haarbal in de kar achter ons. De zon scheen en de geuren van de lente en zijn bloesems kwamen in vlagen op ons af. Een mens heeft niet veel nodig om gelukkig te zijn. En ook niet veel om ongelukkig van te worden. Een veter bijvoorbeeld, die blijft vastzitten aan het pedaal.

    Als een strop trok die veter mijn linkerschoen strakker en strakker vast in de trapas. Ik merkte te laat dat ik in een penibele situatie terecht was gekomen en slaakte een hulpkreet. ‘Trap achteruit. Naar achteren, snel!’ adviseerde de wederhelft. Ik deed nog een halfslachtige poging, maar het haalde niets uit. Gelukkig had ik al heel wat vaart geminderd op het moment dat ik tegen de vlakte ging. Geluk bij een ongeluk: ik mistte met mijn kop op een haar na het asfalt en belandde vlak ernaast in een grote pluk gras. Op wat schrammen na: ongedeerd.

    ‘Pfff…’ zuchtte de wederhelft terwijl hij traag een Zwitsers zakmes tevoorschijn toverde. ‘Die andere weggebruikers toch. Gelukkig ben jij wél een goede fietser en zou het dragen van een helm enkel nodig zijn omdat alle andere onverlaten op de weg er een gevaarlijke bende van maken.’ ‘Snij me los en hou je sarcasme voor je,’ jammerde ik vanonder mijn fiets. ‘Wat denk je van een fietshelm als verjaardagscadeau?’ stelde de wederhelft voor. ‘Dan nog liever een driewieler.’ De haarbal huilde stilletjes met me mee.

  • 31 maart 2024

    Begeestering

    Het werd pas interessant. De hoogtewerker reed traag naar de wedstrijddrone die zich te pletter had gevlogen in het net dat de toeschouwers beschermde. Verder bewoog er niets. Niet op het parcours, niet aan de zijlijn. Zelfs de twee mannen in de hoogtewerker deden dat zo mat en lusteloos dat je medelijden met hen kreeg. ‘Hier gebeurt niets,’ zei mijn neef. ‘Hier ontbreekt begeestering,’ verbeterde ik hem. ‘Wat is dat: begeestering?’ vroeg hij. ‘Begeestering, jongen, is dat wat je hier niet vindt: enthousiasme, leven, gedrevenheid, vuur, gretigheid… Begrijp je?’

    Dat deed mijn neef. Meer zelfs, de mannen in de hoogtewerker waren zijn hoogtepunt van ons bezoek aan het slotfestival van het Flanders Technology & Innovation Festival vorige week zondag. Gelukkig waren het gratis tickets geweest. Dat verzachtte de striemende koude wind op het terrein naast het Sportpaleis. Binnen had mijn neef, op minder dan een uur, alles gezien. Van de VR-brillen die niet werkten omdat de sufferds ze niet hadden opgeladen; tot de knullig nagebouwde kamer van de Code van Coppens. Er was een gameontwikkelaar die er wel zat maar ons liever niet te woord stond. En van de verschillende hogescholen hadden ze enkel de minst begeesterde docenten bereid gevonden zich op een zondag te engageren.

    Mijn neef wilde terug naar huis. Dat vond ik het beste idee van die dag. Richting uitgang passeerden we nog een spiksplinternieuwe politiecombi, een hamburgerkraam, twee baanbrekende trucks van DAF en dan zag ik ze staan; De CO2-neutrale bus van Van Hool. Waar haalden ze het lef. De dag dat – vanwege gebakkelei om wat aandelen – een faillissement niet meer af te wenden was. De dag dat een van mijn meest dierbare naasten zijn job ging verliezen door de debiele onkunde van een stelletje ruziemakers. De dag dat elke reddingspoging onmogelijk bleek te zijn, omdat er geen garantie was dat het nieuwe kapitaal niet in de zakken van de familie Van Hool zou verdwijnen. Ze moesten zich schamen!

    ‘Je maakt dat ik me ga schamen,’ zei mijn neef. ‘Ga dan al wat verderop staan, want dit laat ik niet over mijn kant gaan,’ antwoordde ik. ‘Je gaat ze dat toch echt niet zeggen?’ ‘Wacht maar,’ zei ik en beende op de bus af.

    ‘Waar halen jullie het lef,’ zei ik tegen de twee mannen die in fluo hesje in de deuropening van de bus stonden. Het bedrijf gaat failliet en jullie staan hier met een CO2-neutrale bus! Alsof het een optie is dat je er nog een kan bestellen!’ De grootste van de twee wilde me onderbreken maar ik had nog veel meer te zeggen: ‘Hoe denk je dat de werknemers zich zullen voelen? “Oh,” hoor ik jullie dan zeggen, “er is job genoeg in de regio. Niemand zal lang werkloos zijn.” Die mannen verliezen hun tweede familie, hé. Ze gaan echt niet allemaal bij dezelfde werkgever aan de slag kunnen gaan. Wij, jullie, iedereen weet dat alle werknemers in de zak worden gezet! De nazaten van de grote mijnheer Van Hool zullen er geen boterham minder om eten. Maar een opzegvergoeding voor het werkvolk, how maar: daar is geen geld voor!’ Ik priemde met mijn vinger op de borst van de  man. ‘Madamme, mag ik…’ ‘Nee, u mag niet! En ja ik weet dat u persoonlijk niet verantwoordelijk bent voor dat schandalig debacle, maar jij staat hen hier wel te vertegenwoordigen. Pik dit dus maar!’

    De man begon het op zijn heupen te krijgen en duwde misnoegd enkele brochures in mijn handen. Ik kon ze niet weigeren, maar wilde ze ook niet lezen. Dus begon ik ermee te wapperen. Eerst ter hoogte van mijn schouder en dan demonstratief voor zijn neus. ‘Wat denk je, man? Één: ziet het er naar uit dat Van Hool ooit nog een bus gaat verkopen? En twee: zie ik er uit alsof ik kapitaalkrachtig genoeg ben om een bus te kopen?’ ‘Wij zoeken collega’s, mevrouw,’ zei de man op neutrale toon. ‘Wie?’ vroeg ik. ‘De Lijn, mevrouw. Wij zijn buschauffeurs van vervoersmaatschappij “De Lijn”. En nee, wij hebben er niet voor gekozen om, op een druilerige zondag, in een bus van Van Hool, onder het viaduct van Merksem, de les gespeld te worden door een hysterische vrouw.’ ‘De Lijn, zei u?’ ‘Buschauffeur in volle glorie.’ De man gebaarde naar zijn uniform. Daar had ik niet van terug, ik wist zelfs niet meer wat zeggen. Gelukkig was er mijn neef die me kwam redden. ‘Mijn tante is niet hysterisch meneer, hooguit wat begeesterd. Maar ik heb begrepen dat dat iets goeds is…’

  • 17 maart 2024

    De Nabeschouwing

    De vraag of mijn plan nu wel of net niet mislukt was, bleef door mijn hoofd spoken. Wanneer spreekt men trouwens van een mislukking? Is het een balans die in het midden omslaat van slagen naar falen? Of is het een graduele schaal? In dat geval, waar zou ik dan geëindigd zijn? Op een twee op tien? Misschien wel een drie. Want écht falen deed ik niet die avond. Er was nog hoop. Dus het was zeker geen nul. Of zo’n pathetische één, die evengoed op een faliekant falen wijst: een nul zonder er een te zijn.

    Evenwel, na de bedroevende reactie van de wederhelft kon ik niet anders besluiten dan dat de uitwerking van mijn plan te brutaal was geweest. Hoe had ik me zo in zijn stugheid kunnen vergissen? Ik was te overhaast tewerk gegaan, had meer geduld moeten opbrengen, zoals met taaie stukken stoofvlees die je best eerst prikt voor je ze lang in de pot laat sudderen. Heel lang laat sudderen. En bij twijfel nog wat langer. Je zou denken dat ik me daar, na veertien jaar samenzijn, niet meer aan zou laten vangen. Zo zie je maar.

    Het plan was nochtans op verschillende blaadjes en tot in de kleinste details uitgewerkt geweest. Met onderstreepte woorden, pijlen en hier en daar een omcirkeling rond de belangrijkste stappen. Met B- en C-plannen, en uitwijkmogelijkheden voor alle dingen die konden mislopen. Wat was het toch zonde dat ik me in dat laatste gesprek vergaloppeerd had. Te zegezeker was geworden. De gedachte dat er met een betere timing, een hele andere uitkomst had kunnen zijn, bezorgde me een  zure oprisping. Hoewel, de smaak van chocolade verraadde dat er een oorzakelijk verband was met het dessert van die avond.

    Er drong zich een terugblik op wat er hoe, waar en wanneer was misgelopen. Dat deed ik best nog diezelfde avond omdat alles nog fris in mijn geheugen zat. Én omdat een ongeschreven evaluatie snel onoverzichtelijk, en bovendien veel te snel vergeten wordt, besloot ik notities te nemen. Zodoende probeerde ik me in chronologische volgorde alles terug voor de geest te halen; van het kleinste non-verbale signaal tot de bedroevende reactie van de wederhelft.

    Het eerste wat ik neerpende was: Onvervulde hoop maakt ziek, vervuld verlangen is een levenswerk. Dat was ooit een spreuk van Bond Zonder Naam. Daar zou ik hoop – of beter nog: moed – moeten uit kunnen putten. Jammer genoeg was er een voorgangster geweest. En koppels waar het recent nog was bij misgelopen. Collega’s ook, die de wederhelft wat wijsmaakten. De ideeën van dat stelletje idioten waren doorgaans dwaas tot bespottelijk. Dat zou pas een schaal zijn. De Maat van de Idiotie. Die zou ik later uitwerken, maar ik noteerde in de kantlijn toch snel de woorden: halfgaar, potsierlijk en grotesk.

    Ik dwong mezelf terug naar de essentie te keren. De wederhelft was van mening geweest dat een ezel zich niet twee keer aan dezelfde steen stoot. Zelfs met de beste bedoelingen kon je daar geen compliment van maken. Ach, de angsthaas was verre van het punt om in te binden. Toch denk ik soms: ik was er bijna, maar wat is dat waard? Bijna… Een oud spreekwoord zegt: Bijna is nog niet half, en een koe is geen kalf. Dat deed me aan het verhaal van de oude boer Hendrick en zijn koeien denken. Boer Hendrick was in een ver verleden te weten gekomen dat ze in Japan hun koeien masseerden en bier te drinken gaven om zo het vlees malser te krijgen. Hij had het zelf ook een paar maanden geprobeerd, maar dat was geen succes geweest. De kalveren werden dronken en zijn vrouw jaloers. Toch school er misschien wel een waarheid in het idee. Ik moest dringend een nieuwe fles whisky in huis halen. Dat was absoluut iets om neer te schrijven.

  • 25 februari 2024

    Verandering

    Ik lees dat Cil boos is, voor de zoveelste keer. Ik ken Cil niet, althans: toch niet persoonlijk. Cil woont aan de rand van het dorp. Dat weet ik. En dat ze er alleen woont, dat weet ik ook. Haar huis ligt op een van de vaste wandelroutes van de haarbal. Ik passeer er vaak. Soms zie ik haar in de voortuin, of uit haar wagen stappen, of bij de brievenbus. Nooit zegt ze dag. Ik denk niet dat ze veel vrienden heeft. Bezoek heb ik er nog nooit gezien. Jaja: curieuze neus die ik ben, waar bemoei ik me mee.

    Wel: “Cil” is niet zomaar “Cil”. Cil is heel erg actief op het sociale netwerk “Hoplr” en de Facebookgroep “Ge zijt van…”. Hierdoor is Cil, al dan niet moedwillig, een (niet aanspreekbaar) publiek figuur geworden. Cil heeft meningen, over alles en iedereen. Die meningen moeten gespuid worden, zoals een beerkar in de lente overvloedig stront uitspuwt op de uitgeputte akkerlanden. Zo sprong ze op de kar van een jager die boos was op het feit dat de bevers met hun dam een weide blank hadden gezet waardoor de konijnen en fazanten uit hun natuurlijke biotoop verdreven werden. Dit verzin ik niet. Ook was ze tegen de opwaardering van een speeltuin omdat quote: “met dat geld het gemeentebestuur beter de straat aan de rand van het dorp had heraangelegd. Want het is niet omdat er daar weinig mensen wonen, dat ze daar niet in moeten investeren”.

    Cil is vast erg ongelukkig, waarschijnlijk eenzaam daarbovenop. Ter compensatie vond ze aansluiting bij de bende mopperpotten die in de dorpsbraakbarakken elke sprankel levensvreugde met een vingerknip weten te verdampen.  Je kan het zo gek niet bedenken: de komst van een kleine supermarkt, de aanleg van een fietspad, een proefproject voor een enkelrichtingstraat, de wijziging in de huisvuilophaling, de nieuwe plaats van de jaarmarkt, noem maar op: Cil en haar kompanen verzetten zich ertegen, in de meest bittere verwoordingen.

    Niet dat ik me erin vastbeet, toch: ik ontwaarde na enige tijd (noem het voortschrijdend inzicht) een patroon in Cils opmerkingen. Het was weerstand tegen verandering. Vastberaden om niet mee te gaan met de stroming die de tijd is, verzet Cil zich tegen elke suggestie van vernieuwing. Ze schreeuwt haar virtuele stem schor uit vrees voor de onbekende toekomst en de onzekerheid die elke wijziging met zich mee zal brengen.

    Zich vastklampend aan het verleden, vergeet Cil dat ze zelf ook ooit deel was van de verandering. Stabiliteit bestaat niet. Niet in de wereld en niet in het dorp. Ook Cils straat is ooit een eerste keer geasfalteerd, ook haar ouders zijn inwijkelingen geweest in een gehucht dat een dorp is geworden. Ook haar huis is gebouwd op wat groen was: aan de rand van het dorp, voorbij het laatste huis toen. Ook zij heeft kinderen die zich ergens gesetteld hebben en op hun beurt voetafdrukken achterlaten. Dat doen we tenslotte allemaal. Cil is er zich ongetwijfeld niet van bewust: ze wil dat alles bij het oude blijft.

    Eigenlijk wilt Cil gewoon de laatste verandering zijn…

  • 4 februari 2024

    Bloempotten

    ‘Wat bijzonder!’ waren haar eerste woorden toen ze de inkomhal binnenstapte. Ik had geen idee waar ze op doelde: Mijn jurk? De voordeur? De uitnodiging? Ik liet het niet aan mijn hart komen, verwelkomde haar, boog me naar haar toe en gaf haar een zoen op de wang. ‘Intens,’ liet ze zich ontvallen. Intens? Wat was er intens? Mijn parfum? De ontvangst? Het behangpapier? Ik vroeg er niet naar, maar het beloofde wel een raadselachtige avond te worden.

    ‘Ander kapsel?’ Het was meer een vaststelling dan een vraag. Niet dat ik naar een complimentje hengelde, toch vroeg ik haar wat ze ervan vond. ‘Het staat u,’ antwoordde ze. Zonder knipoog. Dan viel haar oog op mijn oorbellen: ‘Zelf gemaakt?’ ‘Nee,’ zuchtte ik, ‘gekocht op een ambachtelijke markt.’ ‘Dat zie je,’ zei ze. ‘Artisanaal. Had je zelf ook gekund, toch?’ In dubio of dit nu een compliment was, of net niet, begon het me te dagen waarom we elkaar al zo lang niet meer gezien hadden. Toch, ik kon haar niet meteen buitenwerken. Niet alleen omdat dat buitengewoon onbeleefd zou zijn, ik had ook een berg eten klaargemaakt.

    ‘Mooi gepresenteerd,’ zei ze daarover. Tja, wat zeg je dan? Ik bedankte haar. Het oog wil tenslotte ook wat. En alsof ik erom bekend sta troep te maken vulde ze aan: ‘Verassend ook.’ Samen met een stuk bloemkool, slikte ik mijn verontwaardiging in. Want laten we eerlijk zijn: verzachtende omstandigheden waren niet langer opgewassen tegen de gemaskeerde beledigingen die in sneltempo mijn richting uitkwamen.

    Ze was nooit erg subtiel geweest, maar die avond was er toch sprake van een aantal overtreffende trappen. De mantel der liefde mocht wat mij betreft aan de kapstok gehangen worden. ‘Ik was al vergeten hoe “speciaal” de laatste keer was dat we elkaar zagen,’ zei ik en stelde in dezelfde adem voor dat ze er voortaan gewoon ook de bloempot achterna zou gooien. ‘Echt iets voor jou om te zeggen,’ antwoordde ze, maar ze had geen flauw benul wat ik bedoelde. ‘Ken je de uitdrukking dan niet?’ vroeg ik. ‘Met bloemen gooien, en de bloempot die er nog aanhangt?’ Ze schudde haar hoofd, maar vond de beeldspraak wel bijzonder.

    ‘Nu we het toch over taalkwesties hebben,’ zei ze: ‘Ik lees je blogstukjes.’ Durfal én benieuwd naar wat ze nog uit haar mouw kon schudden vroeg ik naar haar mening. ‘Ze zijn interessant,’ oordeelde ze. Waarom ik nog nooit over haar had geschreven, vroeg ze zich af. En of ik dat ooit van plan was, en over wat ik dan zou schrijven… ‘Geen idee,’ antwoordde ik met jeukende vingers…

  • 14 januari 2024

    Flarden

    Op de bus. In het park. Tussen de winkelrekken. De tafel naast me… Waar ik ook maar kon, ving ik flarden van gesprekken op. Fluisteringen van het alledaagse waren het, stemmen als ongrijpbare noten in een symfonie die nog geschreven moest worden. Want dat was het plan.

    Dromen, emoties, schampere opmerkingen bereikten mijn geoefend oor waarna ik ze neerpende in mijn notitieboekje. Zoals Roald Dahl’s Grote Vriendelijke Reus dromen ving en in glazen bokalen bewaarde, zo ving ik woorden die ik in en tussen droedels verzamelde. En zoals de GVR zijn gevangen dromen in de kamers van kinderen blies, zo bracht ik de woorden en zinnen terug tot leven in mijn stukjes. Dat is alweer even geleden.

    Ik weet niet waar de punt van mijn potlood afbrak.

    Was het zetten van de kerstversiering het begin van de impasse?

    Hopeloos op zoek welke richting ik na twee jaar uit moet met mijn stukjes, blader ik door het notitieboekje. Pagina na pagina ontspint er zich een kakafonie van onverenigbare zinnen. Het is duidelijk: hoe langer de flarden, zonder context, tussen de lijnen zweven: hoe minder bruikbaar ze worden. Want wat ik niet neerschreef zijn de nuance van de lach, de diepte van een zucht of de onuitgesproken betekenis van een pauze.

    Dus ik slijp de punt van mijn potlood, met het voornemen me vast te klampen aan elke nieuwe conversatie die me bereiken zal. Om terug fluisteraar te worden van verhalen die niet de mijne zijn en ontmoetingen in een parallel universum te delen.

    Natuurlijk; met elk goed voornemen volgt vroeg of laat de confrontatie. Het is winter, de feestdagen zijn voorbij en aan de andere kant van het venster regent het. Iedereen trekt zich terug in de cocon van de huiskamer. Er zijn geen stemmen of noten die opgevangen kunnen worden. Inspiratie blijft zoek. Kakafonie wordt voorlopig geen symfonie.

    Het wordt tijd om de kerstversiering op te bergen en dan is het wachten op die eerste krokus…

  • 24 december 2023

    Met vertraging

    Vorige zondag is het wat misgelopen, waardoor er vertraging is opgetreden, een gat is ontstaan, een overbrugging, een week zonder, ik weet niet hoe ik het benoemen moet, maar het knaagt, dat is wél zeker. Ik ben een verklaring schuldig.

    Vorige week zondag begon als een prachtige dag. De mist, opgewarmd door de eerste zonnestralen, kronkelde in slierten op uit de vallei van de Semois, hoger en hoger, tot ze uiteindelijk verdampten aan een steeds helder wordende hemel. De wandeling was uitgestippeld, de rugzak gepakt, stevige wandelschoenen aangetrokken en regenjas, muts en sjaal uit voorzichtigheidsprincipe mee. Zelfs een lijst met bossen waar er gejaagd werd. De boswachter zou ons geen tweede keer klissen.

    Dit is misschien nog het vermelden waard: de dag ervoor stonden we bij een rood bordje naast de kant van een wandelpad te twijfelen. Er stond een mannetje met een geweer op afgebeeld en twee datums: de daaropvolgende dag en de dag daarna. Het was duidelijk, er zou gejaagd worden in dat gebied. ‘Maar niet vandaag,’ zei de wederhelft en hij wandelde het bos in. Op dat moment stopte er een groene jeep, nogal bruusk. Het was de boswachter. Of we kleurenblind waren, vroeg hij. Rood betekende rood: geen doorgang dus. En al zeker niet met een jachthond.

    Terug naar die prachtige zondag; de wederhelft, de haarbal en ik wandelden Gros-Fays uit en een bos in, waar – dat hadden we nagekeken – niet gejaagd werd die dag. Of de dag erop. We volgden de aangeduide wandeling van de rode ruiten. De wandelkaart werd na een halfuur opgeborgen. Ik had de haarbal, in snuffelmodus, aangelijnd. De wederhelft wees de weg. Hier naar links. Rechtdoor. Splitsing naar rechts. Bruggetje over.

    We waren ondertussen makkelijk een uur verder. ‘Linksaf,’ zei hij. Ik zocht naar een pijl met de rode ruit. ‘Hoe weet je dat,’ vroeg ik. ‘Daar staat de pijl,’ antwoordde hij nonchalant. ‘Dat is een blauwe rechthoek,’ stelde ik vast. ‘Ja, en die blauwe rechthoek wijst naar links,’ zei hij. ‘We volgen de rode ruiten,’ zei ik. ‘Nee, we volgen de blauwe… Verdorie…’ De wederhelft zweeg. ‘Hoelang volgen we die blauwe ruiten al?’ vroeg ik. Hij had geen idee.

    We namen de kaart erbij. Verder de wandeling met de blauwe rechthoeken volgen was geen optie (te lang voor de korte pootjes van de haarbal) maar we vonden wel een alternatieve route: die bevond zich bij benadering een kleine kilometer westwaarts. Daar liep een weg, bewegwijzerd met groene kruisen die terug naar Gros-Fays leidde. We moesten gewoon even dwars het bos door. Op kompas.

    We klauterden langs bomen en door het struikgewas de heuvelkam op en daalden, zigzaggend, de braamstruiken ontwijkend, in een volgend dal af. Beneden aangekomen bleek dat we nog geeneens halfweg waren. Dus we ploeterden verder: enkeldiep door modder; naast en over een snelstromend riviertje. We bereikten een weg, een karrenspoor dat ons nergens dichterbij zou brengen, staken over, herpositioneerden ons op de kaart en bereidden ons voor op een nieuwe steile klim. Boven aangekomen hadden we een adembenemend uitzicht met in de verte de gravelweg waar we naar op zoek waren.

    ‘Verdomme!’ De wederhelft wees naar ons richtpunt. Over de hele lengte van de gravelweg zagen we  jagers die zich bij jachttorens of posten achter een schutting bij de grond positioneerden. ‘Maken dat we wegkomen! Naar het karrenspoor dat we daarnet overstaken!’ commandeerde de wederhelft. We namen dezelfde weg terug, gleden langs de flank van de bergkam naar beneden. De adrenaline joeg door mijn lijf. De haarbal vond het fantastisch, zo met z’n drieën naar beneden rennen. We spetterden door het riviertje. Wat kon het ons nog schelen dat we nat werden en klommen terug naar boven.

    Het laatste stuk was te steil voor de haarbal. ‘Klim jij voor tot op de weg, ik steek de haarbal naar boven en dan pak jij hem aan,’ zei de wederhelft. Ik klauterde de laatste meters omhoog, greep naar een stevige wortelstronk en trok me op. ‘Putain! Qu’est-ce que vous faites ici?’ Het was de boswachter. ‘Pak je… de haarbal aan? Tweeënder… tig… kilo.’ smeekte de wederhelft zwoegend onder me. ‘Ik denk dat we eerst even moeten overleggen, schat.’

    De boswachter was woedend. Natuurlijk geloofde hij niet dat we zonder het te weten zijn jacht waren binnengeslopen. We kregen alle twee een boete én een rekening voor het vervoer naar Alle, (het dichtstbijzijnde dorp) aangesmeerd. We waren dan wel veilig, maar héél ver van ons vakantiehuis. Terugkeren durfden we pas lang nadat we het laatste geweerschot hadden gehoord. Gelukkig was in het etablissement “Au Roi de la Bière” het bier fris en het eten warm. Ik kwam niets te kort, behalve tijd om een stukje te schrijven…

    Fijne feestdagen!

  • 3 december 2023

    Dromen en regenbogen

    Op een stormachtige zondag gingen de vrouw met de snor en ik naar een literair festival in Sint-Niklaas. Dirk gaf er samen met andere auteurs een lezing. We waren (en blijven) fan en kochten zijn boek. Dirk en zijn kompanen stonden rond het middaguur op de bühne. Dat deden ze goed. We applaudisseerden. Intermezzo. Pauze.

    Achteraan in de zaal was er frisdrank, koffie of thee te verkrijgen. Omdat het in de zaal erg koud was nam ik thee. Ik kreeg het er niet warmer van, dus sloeg ik mijn sjaal rond de nek. We wilden Vekeman die pas laat in de namiddag stond geprogrammeerd zien en gingen terug op onze plaatsen zitten. Het waren slechte stoelen. De meester zou trots op ons zijn.

    Er was nog vier uur te gaan maar de tijd ging erg traag. Ik zag nog steeds geen cowboyhoed, dus Vekeman was nog niet gearriveerd. Het was de beurt aan twee auteurs in een niche. Niet zo mijn ding, maar over smaak valt niet te twisten. We applaudisseerden, omdat de auteurs dat verdienden, én in de hoop het zo wat warmer te krijgen. Dat hielp niet. Daarom zette ik mijn muts op. Intermezzo. Pauze.

    Terug op onze plaatsen bleek dat het aantal lege stoelen op de vier rijen voor ons was verveelvoudigd. Dat was verdacht. Ik nam er het programmablaadje bij. Wat bleek: na de niche, zou er een overtreffende niche volgen. We hadden de keuze: na de voordracht heel hard applaudisseren om de leegte van de vertrekkers te compenseren, of zelf ook het hazenpad kiezen. De vrouw met de snor en ik wogen de pro’s en contra’s af; Er was nog drie uur te gaan; Dirk werd niet meer op de bühne verwacht; Vekeman was nergens te bespeuren.

    De goesting om te blijven daalde zo naar het minpunt. Net zoals de temperatuur in de zaal, want de warmteblazer had al een tijd terug zijn laatste zucht uitgeblazen. Ik stak mijn handen in mijn wollen wanten. De vrouw met de snor keek me wat meewarig aan: Kom we gaan, zei ze.

    Buiten wisselden de winderige buien elkaar af zoals aprilse grillen dat doen. Aan de overkant van de straat plooide de paraplu van iemand dubbel. Hulp kon niet meer baten. We ondergingen aan onze kant dezelfde spelingen van het ongure weer. Met de kap ver over onze hoofden getrokken, bekenden we beurtelings onze literaire zonden: Gabaldon, Roth, Lucinda, Follet, Gregory… Als je het doorvertelt, zal ik ontkennen…

    In de auto was het wel warm. De ruitenwissers gingen een poos héél snel en hielden dan abrupt op, stand-by om de volgende bui te trotseren. Voor ons verscheen er een regenboog. Hij was fel, groot en dus héél dichtbij. Onze weg leidde naar daar waar de linkerkant van de boog de aarde raakte. De pot goud, riep ik. We kunnen rijk zijn! De vrouw met de snor moest erom lachen. Ik zwans niet, zei ik, rij naar Rood! We zullen nooit meer moeten werken. We kunnen een schrijvershol kopen. Misschien wel twee… Deze kans kunnen we niet laten liggen! Wie weet hoeveel kapers er al onderweg zijn.

    We reden door Violet, Indigo, Blauw, Groen, Geel en Oranje. En daar stond hij. De grote pot goud (beeld je dat maar in). We waren rijk! De job hadden we al opgezegd. De therapeut ook. De camper was gekocht. De bucketlist geschreven. Bloggen konden we voortaan op dagelijkse basis. De manuscripten konden uitgewerkt worden. We waren al recepten aan het uitwisselen en theaterteksten aan het instuderen. De meester zou geen werk meer hebben!

    En toen sprongen de ruitenwissers terug aan.

  • 19 november 2023

    Vogel voor de kat

    In het middelpunt van een geromantiseerd leven vertelt hij verhalen en anekdotes die niet van hem zijn. Met stijl doet hij dat. We stellen ons luidop stropdas en aktetas voor. Zijn doffe ogen lichten op. De armgebaren worden weidser. Hij heeft in mij een toeschouwer gevonden. Vanop de eerste rij mag ik getuige zijn van zijn strapatsen en zeges. Wat hij allemaal niet heeft meegemaakt…

    Goh, wat hij allemaal niet heeft meegemaakt…

    Het was malchange madame. Hij wil er niet dieper op ingaan. Beeld je maar niets in, madame. Jouw verbeelding tart de werkelijk, het is niet andersom, zegt hij. Ik weet waar hij op doelt. Hij wil groot zijn. Voornaam. Hij heeft er de hersens voor. Waarom zou ik het laatste grammetje waardigheid dat hij nog heeft van hem willen afnemen?

    Hij weet niet wat ik weet. Dat ik alles weet.

    Hij slaapt op de zetel bij een kameraad, liegt hij. Ik weet dat hij elke avond zijn tentje opslaat in het struikgewas in de berm van de autostrade. Het is maar voor even, de moeder zal snel terug zijn, stelt hij gerust. Ik weet dat ze aan de drugs zit en zich in een kraakpand schuilhoudt. Het is niet voor even. Ik weet ook dat hij vorige nacht, onder het geraas van de vrachtwagens, werd bestolen. Gevallen met de step, madame. Hij kreeg rake klappen.

    Nee madame, zo erg is het niet.

    Instellingsverleden: het is een stempel die we gebruiken. Een dik, vet, allesomvattend onderscheidingsteken dat symbool staat voor een miserabele jeugd zonder kansen. Zonder liefde. Dat staat voor een ellenlange lijst van pleeggezinnen en instellingen, kriskras verspreid over het land. Het staat voor schooljaren die nooit zijn afgemaakt. Het staat voor verliezen en afgeven. Steeds opnieuw. Totdat je achttien bent. Vanaf dan sta je er alleen voor. Zonder kansen. Zonder liefde. Met een ellenlange lijst van adressen waar je even op de zetel kon crashen. Kriskras verspreid over het land. Het staat voor werk dat je nooit hebt kunnen volhouden. Het staat voor verliezen en opgeven. Want dat doe je…

    Uiteindelijk geef je op.

    Kinderen kiezen niet uit welke broek ze geschud worden. Hier zit ik tegenover een jongen, machteloos, want er zijn geen middelen. Uit wanhoop glimlach ik naar hem. Hij ziet iets. Zijn houding verandert. Hij weet wat ik weet. Er verschijnt paniek in zijn ogen. Waarom zou ik dat laatste grammetje waardigheid van hem willen afnemen? Hij wil weglopen.

    Vluchten, de strategie die het minst pijn doet.

    Ik herpak me. Blijf je, vraag ik, en vertel nog eens van die keer dat je je prof voor de gek hield bij de presentatie van jouw eindwerk. Dat verhaal ken je, antwoordt hij. Ik ken er een beter. Heb ik je ooit verteld van onze reis naar de Côte d’Azur? Mijn vader reed er in één trek naar toe. In de cabrio. Ik zat met mijn zusje op de achterbank. Mijn moeder haar lange haren wapperden in onze gezichten. Mijn zusje zong de hele tijd liedjes van K3. Vréselijk was het. Maar toen we daar aankwamen…

    Goh, toen we daar aankwamen…

  • 5 november 2023

    De afwasser

    De wederhelft had een exquis restaurant uitgekozen. We hadden iets te vieren. Met witte tafelkleden, porselein in aardetinten, zilveren bestek, kaarsen en verse bloemen waren er kosten, noch moeite gespaard om een intieme sfeer te creëren. Het geroezemoes van de andere klanten werd evenwichtig overstemd door een speellijst Franse chansons in een jazzy uitvoering. We zaten vlakbij de passe, maar dat stoorde niet. Het was zelfs een genoegen om, zo nu en dan, een blik in de keuken te kunnen werpen. Als ik me een beetje naar links boog, kon ik zelfs tot helemaal achteraan kijken. Buitengewoon plezierig voor iemand zo nieuwsgierig als ik.

    We waren nog aan het nagenieten van de amuse-gueule wanneer er een bulderlach door de keuken galmde en vervolgens langsheen het keukenpersoneel, over de schouders van de chef – die aan de passe stond – de gelagzaal in golfde. Twee tafels verder liet een kokette dame een vork uit haar handen glippen, net op het moment dat er een collectieve ingehouden zucht de ruimte vulde. Het luide gekletter van zilver op porselein versterkte de stilte die daarop ontstond. Niemand durfde nog te spreken. Iedereen keek vragend om zich heen, benieuwd naar wie – of wat – zulk geluid kon produceren. De maître d’ hotel, die net bij onze tafel was komen staan, zuchtte, greep met duim en wijsvinger naar zijn wenkbrauwen en draaide op zijn hielen honderdtachtig graden: linea recta naar de pass. De twee obers en de sommelier haasten zich van tafel naar tafel om de klanten te sussen. Het was de afwasser maar. Iedereen kon rustig verder eten. Geen zorgen, mevrouw. Wenst u nog wat wijn meneer? De wederhelft bedankte de ober, maar ik… ik kon niet meer van de passe en de keuken wegkijken.

    ‘Wie liet er een pot aanbranden?’ brulde de chef op aandringen van de maître die met beide handen de passe zo hard vastgreep dat zijn kneukels er wit van wegtrokken. ‘Dat was de braadmeester chef!’ werd er naar hem teruggeroepen. De maître vloekte: ‘Waarom ontsla je die kwast niet? In de gelagzaal denken ze dat er een levend zwijn gevild wordt.’ ‘Welke kwast bedoel je?’ vroeg de chef. ‘De braadmeester of de afwasser?’ ‘De afwasser, natuurlijk,’ antwoordde de maître, ‘Heb je de braadmeester ooit zulk geluid horen voortbrengen? Die man is een pink dik.’ De chef reageerde gepikeerd: ‘Denk jij nu echt dat we met een vingerknip een vervanger kunnen vinden? De afwassers staan echt niet in de rij hoor.’ ‘Hou-die-mislukte-circusartiest-dan-weg-van-aangebrande-kookpotten-en-schuurborstels!’ siste de maître met de tanden op elkaar geklemd. ‘Wij zijn het in de zaal beu om telkens opnieuw de gemoederen te bedaren. Dit is een gerenommeerde zaak, in hemelsnaam!’

    Ik boog me zo ver naar links dat de wederhelft er lastig van werd. ‘Laat me,’ zei ik, ‘ik vertel je dadelijk wat er te zien valt.’ En inderdaad, helemaal achteraan, voorbij de garnituren, de koude keuken en patissier, stond hij, de afwasser, wijdbeens, met een kookpot tegen de borst gedrukt. Hij gromde en kirde van opwinding. De braadmeester had zijn vlees blijkbaar heel lang laten stoven. De randen en de bodem van de oude kookpot waren door het gasvuur zwartgeblakerd. Dat kon ik zien vanop de plek waar ik zat. Je had geen verbeeldingskracht nodig om te weten hoe de binnenkant van de pot er aan toe was. In zijn rood-zwart gestreepte onderhemd zag de afwasser eruit als een gewezen gewichtheffer. De dikke krulletjes borsthaar die onder zijn lijfje uitpuilden liepen zonder onderbreking door naar armhaar, nekhaar en rughaar. Hij glimlachte zijn spierwitte tanden bloot en zette de pot in de gootsteen, draaide zijn snor in twee fijne puntjes, nam de schuurborstel en begon aan zijn taak.

    Ik had de hele avond kunnen en willen kijken, ware het niet dat een zwarte schort met erboven een wit hemd en strik mijn zicht belemmerde. Ik ging nog wat meer naar links hangen. Het witte hemd volgde mijn beweging. Ik keek naar boven om de eigenaar vriendelijk te vragen opzij te stappen,  maar beet op mijn tong van zodra ik doorhad wie er voor me stond. ‘Aan het genieten van het uitzicht?’ vroeg de maître en richtte zich zonder een antwoord af te wachten tot de wederhelft: ‘Misschien dat u graag een tafeltje achterin de zaal prefereert, mijnheer? Eentje waar wat minder “afleiding” is?’ stelde hij voor. ‘Als dat voor u niet al te veel moeite is, ga ik graag op uw aanbod in,’ antwoordde de wederhelft fijntjes. Ik schudde mijn hoofde nog, maar twee paar ogen maanden me aan tot zwijgen.  Bij het opstaan wierp ik nog snel een blik op de voormalige gewichtheffer en zijn kookpot en volgde dan de maître en de wederhelft naar achteren, waar ik tussen twee grote ficussen mocht gaan zitten. ‘Wat fijn dat ik op deze bijzondere dag van jouw volle aandacht kan genieten,’ sneerde de wederhelft. Op de achtergrond werd de muziek een beetje luider gezet. Verbeeldde ik het me? Of hoorde ik daar in de verte een diepe bariton neuriën?

←Vorige pagina
1 … 3 4 5 6 7 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 66 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen