Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 6 oktober 2024

    Plaatjes

    Voor dag en dauw (en alsnog te laat) rolde ik vorige week maandag uit bed. Snel-snel trok ik wat kleren die op de badrand lagen aan – te proper voor de wasmand, nog goed genoeg voor een dag thuiswerk. De ochtend verliep daarna net zoals alle andere dagen, repetitief met mezelf in ondergeschikte rol en volledig in het teken van de haarbal: een knuffel, een tot op de gram afgewogen trog droogvoer en een bak vers water, geschrok, gelebber, en daarna de ochtendwandeling. Het schemerde nog, dus wat deerde het: niet opgemaakt, met een rattekop en in een allegaartje van lagen kleding die onmogelijk bij elkaar konden passen, ging ik naar buiten.

    Daar bleek de schemer toch niet meer zo schemerig te zijn.

    We maakten het standaard blokje om, langs de exclusieve nieuwbouwappartementen die door de lokale projectontwikkelaar (en goede vriend van de burgemeester) op het laatste stukje groen in de straat waren neergepoot. Ik had haast. De haarbal niet. Zag ik de zon al opkomen? Inderdaad, en in die eerste zonnestralen stonden op de privéparking drie dertigers tussen hun Audi Q-GT-E-Tron 7 of 8 en een BMW X-weet-ik-hoeveel met gepersonaliseerde nummerplaten. Daartussen rende een tweeling van een jaar of drie heen-en-weer in identieke pakjes van Johny Bilfinger of Caloste of zo. Influencers. Ongetwijfeld. En van alle leeftijden.

    Natuurlijk, kromde net op dat moment de haarbal zijn rug en perste er een drol uit, zo groot dat ik betwijfelde of ik hem wel met één kakzakje kon opruimen. Dat lukte. En terwijl ik kunstig een knoop in het zakje draaide verscheen er een oranje gloed als aura rond het gezelschap op de parking. Ik ken fotografen die een vingerkootje zouden afgeven voor die lichtinval daar. Het had zo een beeld uit een reclamefolder van de A.S. kunnen zijn. ’t Zag er prachtig uit en ze wisten het.

    Doorgaans kan het me niet boeien wat anderen van me denken. Die bewustwording bleek toen ik het ontdekte behoorlijk bevrijdend te zijn. Kunnen zeggen wat ik wil. Doen wat ik wil. Waar ik wil. Niet doen waar ik geen zin in heb. Dingen mijden die mijn dag verstoren. Mensen ontwijken die mijn humeur ontwrichten. Heerlijk. Bijkomende plus: schaamtegevoel valt weg. Een vrijgeleide van jezelf is het, een vrijkaart, om buiten de lijntjes te kleuren. En toch die maandagochtend, voelde ik me een slons, dik, onverzorgd en bovenal geïntimideerd.  

    Andere dagen gunnen de bewoners van het luxevastgoed mij geen blik waardig, maar daar, in de meerderheid, bekeken ze mij alsof ik wat verderop uit een vuilnisbak was gekropen. Eentje meende ik zelf te zien kokhalzen, maar dat kon ook een oprisping geweest zijn van de ongetwijfeld koude koffie in die cup van Starbucks. God weet waar hij die gehaald had, want nergens in de wijde omtrek van ons keuterdorp kan je een Starbucksfiliaal vinden.

    We wonen op de boerenbuiten, wilde ik schreeuwen, maar ik had er de ballen niet voor. Ik stak dan maar de rug van mijn linkerhand omhoog. Vier stippen in hun richting. Allemaal samen tegen pesten! Stip It! Die is helemaal doorgedraaid, moesten ze gedacht hebben want het omhooggeschoten drietal rolde letterlijk met de ogen. Dan heb ik liever geen vrienden, mompelde ik. Voor geen geld van de wereld zou ik deel willen uitmaken van hun gesponsorde Instagramwereldje. De idylle aan het begin van de dag is ‘s middags doorprikt mocht je in hun kielzog lopen. Ze laten ons ook dat maar zien wat ze willen dat we zien. Plaatjes met filters. En zo startte de dag met wederzijdse vooroordelen. Iedereen vooringenomen.

  • 22 september 2024

    Gegijzeld

    Mijn neef (de voetballer, hij is een tiener nu) lachte me in het begin van de zomervakantie vierkant uit met het aantal likes dat ik verzamelde met mijn blogstukken. Facebook is zooo passé! Dat zijn tante een veertigplusser was, was voor hem geen excuus. Insta was hot! Tiktok ook, maar daarvoor moest je kunnen dansen of moesten meisjes zich kunnen schminken. Ik zag hem een inschatting maken. Insta, tante. JE-Moet een account op Insta maken.

    Wat later ging het tijdens een lunchpauze over blogs (foodblogs in het bijzonder) en de te volgen accounts op Instagram. Je-Moet jezelf er ’s in verdiepen! De collega die dat zei was vastbesloten me in te wijden. Ze toonde me prachtige kiekjes van eten, reizen, prestaties en creaties. Vaak zelfs gecombineerd. Pagina’s met het ene restobezoek na het andere. Blitse interieurs, kleurenfilters, terrassen met zonsondergangen. Influencers op de lekkerste en meest hippe plekken in de wereld.  Ik kreeg er honger van én goesting.

    Die goesting om er zelf mee te beginnen was er ook nog op onze laatste reis, weliswaar sluimerend in het achterhoofd. Verworden tot een idee dat met de tijd die verstreken was (en een herwonnen realiteitszin) steeds meer naar de achtergrond was verschoven. Klaar om geklasseerd te worden. Het had gewoon nog één finaal duwtje nodig. Zodus, daar, in een godvergeten streek in Frankrijk, enkele weken geleden, was het er nog steeds. Ook toen de wederhelft en ik de haarbal de hoogste heuvel in de regio opduwden. Met de belofte dat er een herberg op de top was, hadden de wederhelft en ik het aangedurfd om enkele kilometers aan de wandeling te breien. Zonder instemming van de haarbal. Dat heet overmoed. Overmoed wordt afgestraft.

    We moesten lang wachten op een garçon. Daarna nog langer op ons eten. Maar van zodra ik de karaf rosé binnen handbereik had was dat wachten al veel minder erg. In het midden van de tuin, naast de waterput, stond er een man van rond de dertig, type posterboy, met een selfiestick zichzelf en bij uitbreiding het hele terras te filmen. Vanuit alle windstreken werden er beelden geschoten. Hij zag dat het goed was en ging snel aan zijn tafeltje zitten want, in tegenstelling tot de rest van het cliënteel, had hij niet moeten wachten op zijn lunch. Wat er op zijn bord lag zag er verdraaid lekker uit. We konden ons niet herinneren dat het een keuze op de menukaart was.

    Posterboy stroopte zijn mouwen op, zette zijn baseballpet af en schikte en herschikte alles wat er op het bistrotafeltje stond. Zijn pet, het bord, de pet, de karaf water, het waterglas, de pet opnieuw, het servet, het glas rode wijn, mes, vork en zijn pet voor de vierde keer. Vervolgens maakte hij met de armen gestrekt een rechthoekje met duimen en wijsvingers. De beslissing was gemaakt: de lege stoelen die rond de tafel stonden, zette hij uit de imaginaire fotokader. Met drie verschillende toestellen filmde hij en schoot hij foto’s. De pet steeds centraal, de rest herschikte hij. En nog eens. En nog eens. Ik schonk me een tweede glas rosé in en leunde makkelijk achterover in mijn stoel. Het finale duwtje was daar. Het idee kon worden geklasseerd.

    Het was vermoeiend en op een manier eigenlijk ook triest om te zien, en niet alleen omdat zijn eten stond koud te worden. Wat een zonde, mopperde de wederhelft. Zijn maag knorde zo luid dat het oudere koppel naast ons het kon horen. Ze glimlachten begripvol, wezen naar hun lege tafel en dan schouderophalend naar het epicentrum van de actie. Posterboy had zonet bord en pet verlaten, liep op een drafje de herberg in en kwam seconden later terug naar buiten met een tweede glas rode wijn. Het glas dat nog op de tafel stond sloeg hij ad fundum achterover en verstopte hij in een bloembak. Uit beeld. Dan was het zover. Een eerste hap. Een foto. Een tweede en derde hap. Terug een foto. De baseballpet centraal. Gesponsord ongetwijfeld. Posterboy alleen aan tafel. Eten koud. Gegijzeld.

  • 8 september 2024

    De wandeling

    De wederhelft lag in de lappenmand en de haarbal lag ernaast. Als die twee al wilden wandelen dan was dat hooguit een kilometer of drie. Vier misschien, onder dwang. Ik twijfelde dus niet toen de vrouw met de snor me voorstelde om op dagtrip te gaan en de natuur in te trekken. Met de wandellaarzen stevig aangetrokken en knooppunten in de hand zetten we aarzelend onze eerste stappen. Het was weeral even geleden dat we elkaar zagen. ‘Hoe gaat het,’ werd er gevraagd.  ‘Goed,’ werd er geantwoord. Een begroeting verworden tot platitude. Want het gaat “goed” met ons. Ook als het minder goed gaat. Of ronduit slecht… Het was zinsbedrog: met enkel bomen en wat struikgewas als getuigen vielen we zo door de mand. De stilte hoefde niet lang te duren.

    ‘Het is een existentiële crisis,’ zei ik. ‘Het is de menopauze,’ zei de vrouw met de snor. We staarden naar het rimpelende wateroppervlak. Een koppel ganzen zwom voorbij met achter hen acht kuikens op een rijtje. ‘We zijn allemaal loonslaven,’ zei ik. ‘Het is het hogere echelon dat geen voeling meer heeft met de werknemers, ’ zei de vrouw met de snor. Een wolk schoof voor de zon. Het begon te druppelen en dan te stortregenen. Tien minuten later stonden we doorweekt naar een salamander te kijken die zich in een gracht tegoed deed aan muggenlarven en ander (on)gedierte.

    Je moet er geen metafoor in zien. Het was gewoon een salamander.

    ‘Ik weet niet of ik mijn job nog graag doe,’ zei ik. ‘Ik wéét dat ik mijn job niet graag meer doe,’ zei de vrouw met de snor. Ze keek naar de blauwe lucht en trok haar regenjas weer uit. Ik volgde haar voorbeeld. ‘Waar doen we het toch voor?’ vroeg ik. ‘Brood op de plank,’ zei de vrouw met de snor. ‘Dus we werken ons uit de naad gewoon om te kunnen overleven in de consumptiemaatschappij. Hoe stap je daaruit?’ ‘Kan je niet,’ antwoordde de vrouw met de snor. Een pony en een paard wandelden argwanend aan hun kant van de afsluiting achter ons aan, tot ze niet meer konden. Het paard steigerde. De pony brieste de prut uit zijn neus, draaide met de ogen en rende het paard achterna.

    ‘Had je geen groentetuin?’ vroeg de vrouw met de snor. ‘Had ik, antwoordde ik. ‘Te veel werk voor te weinig opbrengst. Het is een bloemenweide geworden.’ De vrouw met de snor knikte instemmend, plukte twee braambessen en reikte me er een aan. ‘Dus als ik het goed begrijp kan je  geen jaarvoorziening voedsel voor jou, je wederhelft en de haarbal telen.’ Ik werd gewaar dat ik in de val werd gelokt, aarzelde om te antwoordden en stak dan maar de braambes in mijn mond. De vrouw met de snor vatte dat op als een bevestiging van haar vermoeden. ‘Stel,’ zei ze, ‘dat we in de vijftiende of zestiende eeuw leefden, dan had je met dat knullige groentetuintje toch ook nog een wederdienst of twee moeten aanbieden om wat extra brood op de plank te krijgen of een dak boven je hoofd te kunnen veroorloven?’

    Daar had je het. Dienst voor wederdienst. Niet persé het ruilen van een karton eieren voor een kilo aardappelen, maar via een ingenieus systeem van waardepapieren. ‘Welke dienst zou je aanbieden in pakweg die zestiende eeuw?’ vroeg de vrouw met de snor. Die vraag moest ik laten bezinken. De scherpe, klagende roep van een roofvogel deed me halthouden. Met de hand tegen mijn voorhoofd tuurde ik de einder af. Kie-kee-kee. Het was een sperwer. ‘Ik zou brieven schrijven voor mensen die dat niet konden, denk ik. Of in een gasthuis werken of zo.’ De vrouw met de snor glimlachte en vroeg: ‘Mensen helpen, dus? Stel ik me daar dan verpleging of maatschappelijk werk bij voor?’

    Ik ging ervan uit dat dat een retorische vraag was en gromde. Dat had evengoed voor de hindernis op onze weg kunnen zijn, maar dat was het niet. We stonden voor de kruin van een omgevallen boom die het wandelpad versperde. We hadden weinig keuze. Simultaan tuurden we in de wei en besloten dat de koeien op een veilige afstand stonden te grazen. We kropen over de prikkeldraad. Drie stappen verder hoorde ik het kraken van een koeienvlaai onder mijn voet. Daar stond ik dan, in een  plavei smerige, stinkende smurrie die mijn schoen volledig omringde. De enige gedachte die nog door mijn hoofd speelde was: hoe krijg je dat in godsnaam proper. Er ontsnapte me een krachtterm. De vrouw met de snor was niet onder de indruk en zei: ‘Met stront onder je schoen relativeer je plots een pak meer, niet?’

    Exit existentiële crisis…

  • 25 augustus 2024

    Meesterwerken

    Enkele weken geleden botsten we op een oude vriend van de wederhelft. Hun wegen waren door de jaren heen eerst naast en daarna uit elkaar gelopen. Het uitdoven van de vriendschap begon toen de alternatieve kunstenaar in de vriend ontwaakte, legde de wederhelft uit. En ondanks dat de wederhelft wel tegen een stootje kan op vlak van dans- en theatervoorstellingen, werd het hem gaandeweg toch wat speciaal. Veel gesprekstof was er na de gebruikelijke beleefdheden niet. De man, de haren lang, de baard in een vlecht, vroeg of de wederhelft nog voorstellingen had bijgewoond. Die gaf zonder blozen de haarbal de schuld van de impasse. ‘Dat is geen excuus,’ zei de oude vriend. ‘Ga naar het Middelheimmuseum. Daar is er het kunstenfestival “Come Closer”. Een echte aanrader. Honden welkom,’ zei hij nog, en daarna doofde ook het gesprek uit.

    Het eerste dode moment in onze week vakantie stelde de wederhelft voor om naar het Middelheimmuseum te gaan. Daar aangekomen parkeerden we onze fietsen aan een zij-ingang en begonnen onze wandeling. Na een tiental meter passeerde er op ons pad een groep wandelaars. Stijf als een plank, de armen tegen het lichaam en de benen tegen elkaar gedrukt, hupten ze tussen twee bomen heen en weer. Wat verderop moesten we letterlijk opzij springen om een botsing te voorkomen. Zelfs de haarbal keek met verstomming naar de moeder met kind die, voorovergebogen en crawlgewijs, al wandelend voorbij kwamen gezwommen.

    Nog voor de wederhelft vragen kon wat er aan de hand was, had ik het opgezocht: We bevonden ons op de route van “A Walk In The Sculpture Park”. De deelnemers kregen bij elk kunstwerk nieuwe instructies en zo de kans om de kunstwerken uit te beelden en op een andere manier te beleven. In interactie met zichzelf en de omgeving zouden ze zo zelf ook kunstwerk worden. Veel gekker hoefde het niet te worden en omdat de haarbal graag over grasweides rent, kozen we voor de dwarse uitweg. Met z’n drieën liepen we het grote grasplein over.

    De wederhelft en de haarbal zochten daarna een plek om uit te puffen. Ik volgde hen naar een tribune die zich in sneltempo begon te vullen. De wederhelft zette zich op de onderste bank. ‘Er gaat hier dadelijk iets beginnen,’ zei ik in de hoop nog weg te geraken voordat de voorstelling effectief startte. Het maakte niet meer uit, vanuit mijn ooghoek zag ik een lange smalle spiegel dichterbij komen. De wederhelft bleef geïntrigeerd kijken. Die ging helemaal nergens heen en ook de haarbal liet de schaduw zich welgevallen. We bleven.

    Vijftien vrouwen met evenveel hoge smalle spiegels positioneerden zich op een rij. Ze schuifelden van links naar rechts, draaiden zich dan enkele graden, zetten een stap naar voren en daarna weer twee achteruit. Steeds weer opnieuw, in een licht wijzigend patroon. Ik zag mezelf in de ene, dan weer in een andere spiegel en maakte aanstalten om op te staan. De wederhelft vond dat weinig respectvol. ‘Opstaan tijdens een voorstelling doe je niet,’ keef hij. ‘Ze staan achter een spiegel. Geen van die vrouwen gaat me missen,’ antwoordde ik. ‘Je zal de andere toeschouwers storen,’ zei de wederhelft. Ik keek om me heen, zuchtte en bleef zitten.

    Na de vertoning wilde ik graag mijn menig delen met de wederhelft, maar nog voor ik mijn eerste cassante opmerking kon maken, hoorde ik de andere toeschouwers in superlatieven over de voorstelling praten. ‘Magisch,’ zei iemand. ‘Wonderlijk om zo, letterlijk en figuurlijk, een spiegel voorgehouden te worden.’ ‘Zo subtiel afstand én tegelijkertijd verbinding creëren,’ zei een man tegen zijn vrouw. Ik kromp in elkaar tot ik een moeder tegen haar zeurende dochter hoorde zeggen: ‘Als je ooit kunstonderwijs wil gaan volgen, zal je zo’n dingen dus moeten bedenken én uitvoeren. Knoop dat goed in je oren.’ Er was dan toch nog hoop.

    Met die gedachte ging ik op zoek naar het kunstwerk van Panamarenko: de Archaeopterix Lithografica (dat had ik opgezocht), een vogel die beweegt als je dichtbij komt. De weg daarnaar heen leidde langsheen pretkreten en schel kindergegil. Niet echt een leuk vooruitzicht. De bron van het gekrijs waren twee metershoge nagemaakte industriële vaten waaruit er schuim borrelde dat zich steeds verder verspreidde. De haarbal, inmiddels bijgekomen, was niet te houden en snokte in een onbewaakt moment de leiband uit mijn handen. Enthousiast sprong hij het schuim in. We zagen dan eens een staart, dan twee lange flaporen boven het schuim uitkomen en daarrond kinderen die dollend naar beneden doken. De wederhelft wees naar zijn zere knie. Hij kon geen risico’s nemen, toch? En wilde ik niet naar de vogel van Panamarenko? Met grote tegenzin dook ik de pretpoel in en kon na drie pogingen de haarbal vangen.

    Er vlogen nog steeds wolkjes schuim van me af toen ik in de verte een groepje van vier volwassenen door de knieën zag waggelen. Met hun handen onder de oksels bewogen ze de ellebogen drukdoend op en neer. Van zodra ook de haarbal hen in de smiezen kreeg, ging die koppig zitten. Niet meer vooruit te branden. Ik  kon hem geen ongelijk geven. Een ouder echtpaar dat achter ons liep, zag kans om ons in te halen. In het passeren keek de vrouw me afkeurend aan en zei tegen haar man, luid genoeg zodat ik het kon horen: ‘Die selfmade acteurs tot daar aan toe, maar als volwassenen ook nog ‘s mee in het schuim gaan springen, wordt het toch helemaal te gek!’ ‘Niet reageren, schat,’ suste de wederhelft. Hij nam de haarbal in zijn armen en ging me voor naar onze fietsen. We zouden een andere keer wel terugkomen. In de winter of zo.

  • 11 augustus 2024

    De overtreffende trap

    Maandag was de buschauffeur onthutst. Dinsdag de fans verontwaardigd. Woensdag waren er schokkende beelden. Donderdag volgde een mogelijk nooit eerder geziene waarschuwing en op vrijdag zagen we de prins nog nooit zo emotioneel. Gewaagd. Grote zorgen. In de clinch. Topje van de ijsberg. Woest! Het is maar een klein samenraapsel uit de krantenkoppen die ik deze week zag passeren. Superlatieven zijn er te kort en toch worden er elke dag andere verzonnen. Forser, straffer, zwaarder.

    Komkommernieuws is het nieuwe normaal geworden. Vaak vraag ik me af wie er beter wordt van die artikels. Hartvreterij is het. Opjutten van de lezers ook. Kritische vragen worden niet meer gesteld. Het weerwoord en de factcheck (zo eentje in de kantlijn) hebben plaatsgemaakt voor reclame. Letterlijk iedereen krijgt een platform en alles is een schandaal. Ik heb het er wat mee gehad. Het boeit me niet en tegelijkertijd kan die bladverspilling me mateloos opboeien.

    Zo stond eerder deze week in de gazet het schrijnende verhaal van de zevenentwintigjarige studente Lien. Te jong was ze om haar vader te verliezen. Ik wens haar en haar familie veel sterkte in deze moeilijk tijd. Maar daar ging het artikel niet over. Het draaide om de erfbelasting die ze moest betalen. Meer dan honderdvijftigduizend euro moest ze aan de staat. “Moet ik nu alles waar mijn vader zijn hele leven voor heeft gewerkt zomaar verkopen?” vroeg ze zich af. Wel Lien, nee: niet “alles”. Er werd een woonhuis, een studio aan zee, een autostaanplaats, twee garageboxen en nog een lap grond aan jou overgelaten. Het zal wel meevallen.

    Ik ben me ervan bewust dat de erfbelasting een discutabel onderwerp is. Want op alles waar we erfbelasting op betalen, is er eerder al eens een belasting geheven. Moet dat echt twee keer, is een terechte bedenking. Anderzijds, een erfenis is geld dat je krijgt en waar je zelf geen sikkepit voor hebt uitgevoerd. Sneu dat je niet alles krijgt, het mag altijd wat meer zijn. Toch, is het solidariteitsprincipe waarop onze maatschappij stoelt dat niet waard? Daar kan Lien zich ongetwijfeld in vinden, mag ik hopen. Zeventwintig is ze en nog altijd aan het studeren. Dankzij dat solidariteitsprincipe. Zonder studentenlening zoals in andere landen. Ik gun het haar, echt waar, maar laat ons een kat een kat noemen: veel zal Lien tot hiertoe nog niet hebben afgedragen.

    In het artikel – deze journalist had zijn werk wel gedaan – werd ook de belastingdienst aan het woord gelaten. De belastingtarieven blijken progressief te zijn en stijgen dus naarmate het inkomen groter wordt.  Er zat een voorbeeldje bij (zo eentje in de kantlijn). Ik kon het niet nalaten en vond de tijd om het even uit te rekenen. Het gaat over een erfenis van een dikke zevenhonderdduizend euro, waarvan Lien dus honderdvijftig moet laten vallen. Tja, wat kan een mens dan nog zeggen,  honderdvijftigduizend euro is veel geld. Zevenhonderdduizend ook.

    Lien had dat geld niet, liet ze opschrijven, want “banken geven geen leningen aan studenten”. Intriest was het. Daarna kwam de aap uit de mouw: Lien had een plan. Zonder blozen, de schaamte voorbij, was ze met een crowdfunding gestart. Toen ik dat las liet mijn rechtvaardigheidsgevoel mijn hersenen minutenlang zinderen tot ook mijn zenuwuiteindjes begonnen te tintelen. Ditmaal moest ik na het opwinden (hoe wereldvreemd kan je zijn?), ook terug afwinden en dat deed ik door in mijn pen te kruipen.

    Ik ook heb mijn portie superlatieven gehad deze week. Want maandag was ik onthutst te horen dat Candi, acht is ze, liever op de grond slaapt dan in het eenpersoonsbed dat ze moet delen met haar jongere zusjes. Dinsdag verontwaardigd omdat Jason, de dag dat hij achttien werd, bij zijn pleegouders is buitengezet omdat ze geen pleegvergoeding meer ontvangen. Woensdag nog was ik geschokt te zien dat de studio van Nazir eigenlijk een omgebouwde garage is die hij deelt met een man die hij niet kent. Donderdag las ik de laatste waarschuwing van een gerechtsdeurwaarder en vrijdag werd ik zowaar emotioneel bij het zien hoe een gezin oorlogsvluchtelingen onderdak had gevonden bij landgenoten van hen in onze stad.

    Dus beste Lien, stop met naar jouw navel te staren en verkoop alsjeblieft een garagebox of twee. Misschien die lap grond ook. Wandel eens een dag in mijn kielzog. Kom je blik verruimen in de voetsporen van een maatschappelijk werker in de stad. Kom kijken in welke erbarmelijke omstandigheden de mensen hier wonen. Kom mee centjes tellen. Kom een keer voedselhulp uitdelen. Want als er iemand een crowdfunding kan gebruiken, dan zijn dat één voor één: Candi, Jason, Nazir, al hun lotgenoten en alle ontheemde oorlogsvluchtelingen die over deze aardkloot ronddolen.

  • 28 juli 2024

    Een vogel in de vlucht

    Niet dat we specialisten zijn, de wederhelft en ik, maar we kregen alle twee van thuis uit een gezonde interesse voor vogels mee. Een die verder reikt dan de ekster, duif of kraai. Wanneer we de natuur induiken, dan is dat altijd met een luisterend oor en een waakzaam oog. Want niet elke kleine vogel is een Winterkoninkje. De kleinste vogel is een Goudhaantje zullen de kenners me nu ongetwijfeld verbeteren. Maar niemand zag ooit dat Goudhaantje. Zo klein is, en goedverscholen zit dat ding.

    Mijn vader bijvoorbeeld ziet overal piepers. Als hij een vogel in het gras niet meteen herkent, roept hij: Graspieper! Op vakantie aan zee: Duinpieper! In het riet naast een beekje: Rietpieper! Bij het water zonder riet: Waterpieper! In een boom: – je raadt het al – Boompieper! Alsof hij het ter plekke verzint. Een steeds terugkerende grap is het. Tot je de Petersons Vogelgids openslaat op bladzijde honderdvijvenzestig (plaatjes op tweeënzeventig). Blijkt dat die kleine, ordinair bruine vogeltjes allemaal echt bestaan.

    Mijn schoonvader, een geschoold natuurgids, nam me, lang geleden, bij een van onze eerste ontmoetingen, mee het bos in. Tot op de dag van vandaag weet ik nog steeds niet of het een test was. Voor hetzelfde geld maakte hij me blaasjes wijs, want hij zag en hoorde vogels waarvan ik niet wist of ze wel echt bestonden: de Gekraagde roodstraat, Een Grauwe vliegenvanger, Roodborsttapuiten, een Geelgors en zelfs een Kneu. Ik hoorde het in Keulen donderen. Samen met alle spechten die hij aan hun geroffel wist te herkennen. Het is daar dat ik besloot dat het een hobby mocht blijven.

    Zo wandelen de wederhelft en ik overal waar we komen rond: als twee hobbyisten met een niet vooruit te branden haarbal achter ons aan. Vorige week nog, ergens in de Ardennen, wees de wederhelft naar een silhouet in de lucht. De kleuren en patronen in het vederkleed van de vogel waren in het felle zonlicht op dat moment moeilijk van elkaar te onderscheiden. ‘Zeker geen Buizerd,’ mompelde hij. ‘Ook geen Wauw,’ vulde ik aan (want dat is het enige roofvogelsilhouet waarvan ik met absolute zekerheid kan zeggen welke vogel er in de lucht hangt).

    Terwijl we in het wilde weg wat aan het gokken sloegen (Slechtvalk, Havik, Sperwer, Torenvalk, Boomvalk, Visarend), viel ons op dat de vogel steeds opnieuw vlak achter de heuvelkam naar beneden scheerde. Vervolgens vloog hij op en weg, richting bosrand. Maar telkens weer kwam hij terug naar de heuvelkam waar hij eerst biddend bleef hangen en dan een duikvlucht nam. Na de derde keer wist de wederhelft dat daar iets moest zijn. ‘Iets bijzonders,’ zei hij vastbesloten. Dus baanden we ons een weg door het hoge gras, de zacht glooiende heuvelkam op.

    Naarmate we dichter bij ons doel kwamen, bukten we ons dieper en dieper, tot onze hoofden amper nog boven het maaiveld uitstaken. De staart van de haarbal stopte met kwispelen, zijn neus ging de lucht in en daarna naar de grond. Hij had iets geroken en maakte aanstalten om voorop te gaan lopen. Dat maakte het nog spannender, want dat deed die anders nooit. We hoorden ook een zacht gepiep dat luider klonk naarmate we dichterbij slopen, kwamen uiteindelijk bij platgetrapt gras waarvan we niet met zekerheid wisten of het mensenwerk was en dan was het daar: in elkaar gedoken: een wit konijn, met een achterpoot verstrikt in een lus henneptouw.

    Dat was een oneerlijke strijd, vond ik en wilde meteen het arme ding bevrijden. Of ik het niet vreemd vond dat het ‘een wit konijn was en geen bruin. Zoals de andere wilde konijnen,’ vroeg de wederhelft. ‘Wild of niet, verstrikt is verstrikt en dient bevrijd te worden. Toch?’ Er werd geen tegenspraak geduld. De reactie die daarop volgde, in een moeilijk verstaanbaar Frans, kon onmogelijk van de wederhelft zijn: ‘Et que pensez-vous que vous êtes en train de faire?’ Achter ons was er een valkenier opgedoken met op zijn arm een slechtvalk (nu herkende ik de vogel wel).

    Ik keek naar de wederhelft: ‘Je bedoelde dat dit geen wild konijn is, hé?’ ‘Inderdaad, schat,’ antwoordde hij, ‘Mag ik ervan uitgaan dat jij ons hieruit zal praten?’ Op dat ogenblik viel mijn oog op de haarbal. Een jachthond. Althans volgens de handleiding. Voor een vreemde die de haarbal niet kende, was het niet zo heel moeilijk om dat te geloven. Zonder schaamrood op mijn wangen, wees ik naar de haarbal en verontschuldigde me in honderdvoud bij de valkenier. Je zag dat hij twijfelde. Dat duurde net lang genoeg om het hazenpad te kiezen.

  • 7 juli 2024

    De Adviseur

    De adviseur komt in vele gedaanten. Met of zonder snor, groot, klein, in jurk soms, af en toe met baard en buik. Vaak is hij dichtbij of soms heel ver. Voor de dag ermee, zegt de adviseur ditmaal: De punt geslepen, de flarden neergepend. Zeg gewoon waar het op staat en doorbreek die verdomde schrijfkramp van je. Ik wil terug stukjes op tweewekelijkse basis. Gooi je teugels af! Laat je niet inkorten. Wie schrijft, die blijft!

    Ter mijner verdediging, dat deed ik – die flarden neerpennen dan – maar het is toch net dat ietsje ingewikkelder. Het is een writer’s block, maar dan een die er niet echt een is. Er zijn zo veel zaken waar ik eens goed over zou willen ventileren. Ze kregen allemaal hun inleiding in mijn kladboek. Een eerste zin, sommigen een titel en de meesten een alinea of zelfs twee. De tonen gezet, de denkbeeldige lezer voorbereid op onderwerpen die nooit verkend zullen worden. Het bleven onafgewerkte introducties zonder gevolg. In de kiem gesmoord door de angst om anderen tegen de schenen te schoppen. Preludes van teloorgegane ambities waren het. Proppen in de prullenbak zijn het.

    Ik maak het mezelf dan ook steeds moeilijker. Angstvallig gevoelige thema’s vermijden. Wegblijven ook van politiek en polemiek. Voor zover dat geen synoniemen zijn. En het is niet dat ik elke week onnozeliteiten uithaal. De adviseur schudt het hoofd: het wordt tijd om ofwel een andere weg te kiezen; ofwel een datum te prikken tot wanneer je het aanziet; ofwel de reden van de stroefheid op te lossen. Er is niets fout met een beslissing te nemen. Ook als het gaat om een moeilijke periode: wees dan mild voor jezelf.

    De pen wordt zo terug in mijn handen geduwd. Ik kies geen andere weg, ik wil blijven schrijven. De datum prik ik op zondag. De reden van de stroefheid los ik hier en nu op.

    Ik zal je vertellen over hoe ik vanmiddag een eerste hap deed van een tweede pistolet, zeg ik tegen de adviseur. Tegelijkertijd met die hap viel mijn oog op enkele foto’s in de krant. Verschillende uitgemergelde Palestijnse kinderen. Vel over been waren ze. Ik heb mijn pistolet opzij moeten leggen. Om meteen daarna bevangen te worden door een ander schuldgevoel. Hoe durfde ik voedsel te verspillen. Over die ver-van-mijn-bed-tragedie schrijf je maar beter niet, zegt de adviseur en ze schenkt daarbij twee glazen in. Heb je echt dan geen enkel goed idee? Ik schud het hoofd. Ze blijft me bedenkelijk aankijken. Een maatschappelijk thema van eigen bodem, dan? Dat doe je zo goed, en toch zo weinig. Dat vinden vele lezers niet zo fijn, weet ik. De adviseur is nog steeds niet akkoord. Het is niet omdat je het verzwijgt dat het er niet is. Je wilt de wensen van je lezers respecteren, maar wat doe je met die van jou?

    Misschien heeft ze gelijk, dus stel ik voor om over Hatim te schrijven, een Palestijnse vluchteling, die ik niet kon helpen. Nu schudt zij het hoofd. Het onnoemlijke verdriet op de begrafenis niet zo lang geleden? Te triest. Ik denk aan het schijtweer van de laatste acht maanden en de slakken in mijn tuin (ja, ze zijn er nog steeds). Futiliteiten, zegt ze. De modder op Graspop? Oud nieuws. De haarbal? Al lang niet grappig meer. De laatste kampeertrip? Gehad. De meester? Te gewaagd. Het wordt stil. We nippen allebei een paar keer van onze glazen. Wat stel je zelf voor, vraag ik. Ze aarzelt even en zegt dan: Niets. Helemaal niets.

  • 9 juni 2024

    De pimpelmees

    In één legsel van de pimpelmees zitten zeven tot twaalf eieren, één ei per dag leggen ze. Twee weken later komen de eieren uit, dag na dag. Dat is rekenkundige logica. De jongen zitten vervolgens nog vijftien tot zeventien dagen op het nest en eens uitgevlogen, worden ze nog tot drie weken gevoerd. Goh, dan schiet mijn verbeeldingskracht te kort… Hoe passen er in hemelsnaam twaalf kuikentjes in die kleine nestkastjes? Zelfs gestapeld zitten ze dan drie hoog. Ik krijg het, als ik eraan denk, elke keer weer benauwd van.

    Voor het eerst in jaren broedden er in onze tuin een koppeltje pimpelmezen. We hadden geen idee wanneer het eerste ei werd gelegd, en omdat we de eerste sprong van de koolmezen gemist hadden, waren de wederhelft en ik vastberaden om getuige proberen te zijn van die van de pimpelmezen. Elke dag legden we een aantal keer ons oor te luisteren bij het nestkastje. Het getsjilp werd steeds luider, de verwachting steeds groter. Aan beide zijden van de houten plankjes. Tot we vorige week, in de gietende regen, het nestkastje passeerden. We hoorden het tsjilpen, hoog boven ons en een wat zachter gepiep laag tegen de grond. Midden op het tuinpad zat er een geel pluizig bolletje te verzuipen. Hulpeloos probeerde het zich te verplaatsen, maar erg geslaagd was dat manoeuvre niet. We onderdrukten de drang om het op te pakken, want de moeder zou het dan ongetwijfeld afstoten en we hadden geen benul van hoe je een pimpelmees zindelijk krijgt. Toch, het knulletje aan zijn lot overlaten zat niet in ons DNA, dus beraamden we een plan. 

    Want hoe indrukwekkend moet het niet geweest zijn voor dat kereltje? Hij kwam uit een ei waarvan hij dacht dat dàt het universum was. Totdat het hemelgewelf echt wel wat krap werd en uiteindelijk openbrak. Een hele nieuwe, knusse wereld ging voor hem open waarvan hij dacht dat dàt de échte grenzen van het universum wel moesten zijn. Totdat ook dat universum wat aan de krappe kant werd en hij zich, omhooggestuwd door broers en zussen, door een klein gaatje wurmde en veertig lichaamslengtes naar beneden donderde. In de gietende regen. Bij een graad of elf.

    Welke kansen had hij in een wereld vol gevaren? Ik had het beter niet opgezocht: minder dan vijftig procent van de kuikens van de pimpelmees overleven de eerste drie weken… pfff. De wederhelft en ik werden er wat mistroostig van. We wilden de kleine rakker echt wel alle kansen geven die we konden verzinnen. Zonder het aan te raken, wat de uitdaging nét iets groter maakte. Veel tijd hadden we niet. Het begon steeds harder te regenen. Het eerste wat ons te binnen schoot was: droog houden. Het meest uitgelezen voorwerp daarvoor was: de paraplu. Ik trok het kortste strootje en ging met goede moed buiten bij de struik staan waar het knulletje onder was gekropen. Mét uitgestrekte arm, want ik wilde het niet doen opschrikken. Zo stond ik daar voor de buitenwereld een bosbessenstruik droog te houden.

    Natuurlijk zou de moeder zo niet tot bij haar jong komen en het arme ding had eten nodig. Daarbovenop werd mijn humeur er ook niet beter op. De wederhelft moest met een ander en beter plan op de proppen komen. Dringend. Hij maakte snel een constructie zodat ik de paraplu niet meer hoefde vast te houden en het vogeltje toch al provisoir droog zat. Terwijl ik binnen mijn natte kleren uitschoot, maakte de wederhelft de constructie buiten nog wat groter, zodat de kleine wat meer bewegingsruimte had.

    Genoegzaam keken we vanachter het venster naar de geslaagde missie. Dat was te vroeg victorie gekraaid. Nabij het tuinpoortje zagen we een kat onze tuin binnensluipen. Ongetwijfeld op zoek naar een prooi. Alleen al in Nederland worden er achttien miljoen (!) vogels gedood door katten. Dat konden we in onze tuin niet laten gebeuren, dus haalden we er de haarbal bij. Pak de kat, pak de kat dan, moedigden we hem aan, maar de haarbal bleef in het deurgat zitten. Wat dachten we wel niet: het regende pijpenstelen, die zou geen poot verzetten. Een poging om hem met een tennisbal naar buiten te lokken: Pak de bal, pak de bal dan, hielp voor geen meter. Dus begonnen we, luid joelend, met de tennisballen naar de kat te gooien. Na vier pogingen was het raak: de kat rende de tuin uit. Wanneer het tumult voorbij was geeuwde de haarbal een keer en ging terug in zijn mand liggen.

    De wederhelft en ik bleven nog even in het deurgat staan. Daar werden we eerst een windje gewaar gevolgd door een stevige rukwind. De constructie bewoog vervaarlijk en bleef bij momenten zelfs met moeite op zijn plaats. We wilden niet dat alles vergeefse moeite geweest zou zijn, dus snelde de wederhelft naar de garage en verstevigde met spanbandjes de paraplu… en het zeil… en het windscherm… Ter onze verdediging: het is een héle kleine tuin die we hebben, maar ik moet wel toegeven dat die bijna compleet overspannen was. Klaar voor alle broertjes en zusjes die de sprong nog zouden wagen in het ongure weer. We waren trots en zonder dat het expliciet afgesproken was, gingen we beurteling bij het raam staan om de moedigste rakker van het nest voor verder onheil te behoeden.

  • 19 mei 2024

    De camping deel II

    Ik stel voor dat we het bij de feiten houden. Eerste feit: Luxemburg is een prachtig land. Als je één keer het Mullerthal bezocht, wil je meteen terug. Tweede feit: De campingklever is waarschijnlijk nog in leven. Erg oud was hij niet vorig jaar en de kans dat hij dezelfde periode dit jaar op dezelfde camping ronddwaalt is bijzonder groot, dat zei hij zelf. Feit drie: Van zodra Nederlanders met drie of meer zijn, maken ze het graag “gezellig”. Vanzelfsprekend zijn we de belevenissen van onze laatste kampeertrip niet vergeten, maar het zit in de natuur van de mens: de nare dingen die vervagen en de mooie onthoud je al wat gemakkelijker. Da’s meteen feit vier. En dat ik nooit meer kamperen wil, feit vijf.

    De wederhelft en ik zijn geen uilen. De camping waar we vorig jaar zaten was groot genoeg om de campingklever te ontwijken. We wisten dat hij een vaste plek had, dus reserveerden we een plaats hélemaal aan “de andere kant van de camping”. Dat die plaats kwam zonder elektriciteit, was een euvel dat we wel zouden overwinnen. Voor alles is een oplossing. Behalve campingklevers. Die zijn bijzonder hardnekkig.

    De eerste avond zag er veelbelovend uit, met vele ruime, open plekken en (voorlopig) geen naaste buren. Een – op het eerste zicht – sympathieke jongeman op een fiets arriveerde op de plaats aan de overzijde van de weg. Hoi, zei hij met een Nederlandse tongval. Goedkope plaatsen was de eerste gedachte die spontaan in me opkwam. En dan drong het besef traag door dat “de andere kant van de camping” vorig jaar een vreselijke janboel was.

    Laat me toch nog even benadrukken dat Nederlanders bijzonder fijne mensen zijn… in Nederland. We waren er laatst nog op vakantie en hadden er de tijd van ons leven. De mensen daar waren vriendelijk, behulpzaam en, écht waar: ze maakten er onze tijd daar nog aangenamer op. Maar vanaf het moment dat ze de grens overgestoken zijn, durven ze in onbelemmerde, luidruchtige schepsels te veranderen die zonder enige terughoudendheid behoorlijk vrijpostig kunnen zijn. Zij noemen het “gezellig”. Ik noem het een kwelling.

    Dus die kerel met zijn fiets die daar moederziel alleen zijn tentje aan het opzetten was, zag er op het eerste gezicht sympathiek uit. Dan kwam er een grietje met groene lange haren aanzetten. Zij was te voet, zag er wat sjofel uit ook, en de kans dat zij het liefje van de kerel was, achtte ik eerder aan de kleine kant. De wederhelft stond op het punt hen iets aan te bieden. Moedig vond hij hen: zo mini bepakt met de fiets helemaal vanuit Nederland de bergen in. ‘Zij is niet met de fiets,’ stelde ik vast. Die twee waren de voorbode van iets. De wederhelft wilde me niet geloven en suste me: twee Nederlanders zijn zelden écht luid.

    Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een rode Opel Astra de hoek omgereden. Er stapte een gozer uit de wagen waarvan ik instinctief dacht: Wat heeft Joost Klein in hemelsnaam op een camping te zoeken. Natuurlijk was het Joost Klein niet. Wel een afkooksel ervan, met een roze trui, plastiek broek, veel te grote zonnebril en blauw haar (op dat moment nog verborgen onder een haarband en knaloranje petje). Dat het drietal niet was gekomen om te wandelen, of te klimmen, of wat dan ook, werd duidelijk toen er uit de kofferbak een grote rode kist werd gehesen. Zoals een rasechte verkoper toonde de gozer zijn waren: een gitaar, een ukelele, een mondharmonica en een berg verkleedkleren die de twee anderen meteen wilden passen.

    Al bij al bleef het die avond redelijk rustig. Tot ze zo rond een uur of elf uur met z’n drieën een lied wilden componeren. Erg vlot verliep dat niet en geen van hen had een aanleg voor tokkelen of toonvastheid. Om twee uur ’s nachts kwamen ze zelf ook tot die conclusie. Daar wilden ze toch nog even over brainstormen. Ik stond op het punt de haren uit mijn kop te trekken en stompte de wederhelft wakker. Wat is er met de campingetiquette gebeurd! Hij bezwoer me te zwijgen, zo midden in de nacht, draaide zich om en snurkte verder. Hoeveel gezelliger zal het morgen nog worden als de rest hier is, hoorde ik het meisje zeggen. Grienend trok ik de slaapzak helemaal over mijn kop en begon uit te rekenen hoeveel de tent en het kampeermateriaal zouden kunnen opbrengen als ik ze tweedehands zou verkopen. Zo viel ik uiteindelijk in slaap.

    Enkele uren later werd ik wakker van de peuter van de buren. Hij maakte zowaar nog meer lawaai dan het drietal met de ukelele en de mondharmonica. ‘Dit meen je toch niet,’ zei ik luid en stak mijn kop naar buiten. De buurman van twee plaatsen verder stond met de armen gekruist voor zijn tent. Hij keek me aan met een vermoeide blik: ‘Dat doe ik wel.’ ‘Met opzet?’ vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op, pakte de bal van zoon af en smeet die met een aanzienlijke kracht tegen de tent van de overburen. De kleine rende er gillend van pret achteraan. ‘Hulp nodig?’ vroeg ik. ‘Alle hulp is welkom,’ antwoordde hij.

    Zodoende fluisterde ik tegen de haarbal: ‘Pak de bal. Pak de bal.’ De haarbal stoof de tent uit en liep de kleine omver. Het kind begon te huilen en de haarbal te blaffen. Heerlijk was het en toegegeven: de vader en ik wachtten misschien net iets te lang om in actie te schieten. Maar zie je, we waren echt nog héél erg moe. Uiteindelijk ging ik achter de haarbal aan, brulde de longen uit mijn lijf: ‘Hier! Af! Zit! Los!’, en struikelde daarbij jammerlijk enkele keren over de spanlijnen van de tenten van het drietal. De vader deed niets om zijn zoon te troosten. Integendeel, ik hoorde hem zeggen: ‘Huil maar, jongen. Laat die tranenfabriek maar ’s goed werken.’

    Uit de tenten klonk er gejammer en gezucht. Ik ben er niet trots op, maar wat deed dat deugd. ‘Koffie?’ vroeg de buurman luid. Dat liet ik me welgevallen. Natuurlijk, niet alleen de drie Nederlanders, iedereen in onze nabijheid was wakker gemaakt. De wederhelft kon er niet mee lachen. ‘Dit is een camping. Gedraag je daarnaar. Zo ga je hier echt geen vrienden maken,’ zei hij. ‘t Is maar hoe je het bekijkt,’ antwoordde ik en stak samen met de buurman een kop koffie de lucht in. Een denkbeeldige toast op de fijne samenwerking.

  • 28 april 2024

    Garageverkoop

    Samen met het bericht dat er een garageverkoop werd georganiseerd bij ons in de straat, kwam ik mijn notities tegen die ik nam na ons bezoek aan de rommelmarkt vorig jaar. Toen ontstond het idee dat wij ook een slag konden slaan. Onze garage staat namelijk vol met brol die daar verkocht wordt. We zouden echt een serieuze cent kunnen bijverdienen. Het idee van een garageverkoop was dus geniaal: geen gedoe met bananendozen of vouwtafels, nee: dat was allemaal niet nodig. Ik zou de rommel, zonder al te veel moeite, gewoon kunnen uitstallen op de oprit. Ik zag het geld al binnenstromen en beloofde de wederhelft om met de opbrengst op restaurant te gaan. Hoe groter die opbrengst; hoe chiquer het restaurant.

    De dag van de verkoop stond ik vroeg op en ging meteen aan de slag met vier schragen en twee oude schilderdeuren die dienst zouden doen als tafel. Met de reclame die er gemaakt was, verbaasde het me niet dat er in alle vroegte al een auto met aanhangwagen traag voorbijgereden kwam. ‘Te koop?’ vroeg de man vanachter zijn stuur. ‘Ik heb nog niets uitgestald,’ zei ik en wees daarbij naar de lege tafel.  Dat interpreteerde hij anders dan dat ik bedoeld had. Hij stapte uit en kwam de deuren bekijken. ‘Hoeveel kosten ze?’ ‘Deze gebruikte deuren? Die verkoop ik niet. Dit is mijn tafel.’ ‘Alles is te koop,’ antwoordde hij, alsof hij de uitdrukking daar ter plekke had uitgevonden. Omdat ik zelden een opportuniteit uit de weg ga, vroeg ik wat hij er voor wilde geven. ‘Tien euro,’ zei hij. ‘Veertig,’ antwoordde ik. ‘Twintig,’ zei hij. ‘Dertig of vertrekken.’ Hij ging akkoord. Mijn eerste verkoop was een feit.

    De wederhelft kon er niet mee lachen. Hij moest snel-snel een veel te grote betonplexplaat transformeren tot nieuw tafelblad. Die plaat koste meer dan het dubbele van wat ik voor de deuren had gekregen. De dertig euro die ik had verdiend kon ik dus al meteen afgeven. Daarna stapte hij het boos af. Met een kleine knoop in mijn maag begon ik de spullen die ik verzameld had toch uit te stallen en bond ik de haarbal vast aan de tafel. Dat had ik vorig jaar ook genoteerd. Hij zou mijn publiekstrekker zijn. Als het meezat kon hij een opstopping veroorzaken. Iedereen zou halt houden ter hoogte van nummer tweeëntachtig. Of op z’n minst moeten vertragen.

    Rond tien uur begon er aardig wat volk samen te troepen bij de haarbal. Een dame die haar dochter er had naast gezet, bestudeerde enkele van mijn oude jurken. ‘Zijn die van jou geweest?’ vroeg ze. ‘Allemaal,’ antwoordde ik. Daarbij taxeerde ze me van kop tot teen, nam een jurk van de kleerhanger en hield die met gestrekte armen denkbeeldig voor mijn lijf. ‘Toen was je beduidend…’ ‘Als je die zin afmaakt, vrees ik dat ik het dubbele zal moeten aanrekenen,’ onderbrak ik haar. ‘Hoeveel kosten ze dan?’ vroeg ze. ‘Nu nog vijf euro.’ De wederhelft die er was komen bijstaan, stelde voor dat ik even zou pauzeren. De haarbal deed zijn job met verve, maar hij was bang dat ik potentiële kopers zou afschrikken.

    Lang bleef ik niet weg. De tijd die je nodig hebt om een tas thee te zetten. Wanneer ik terug bij het kraam kwam staan, zag ik dat er echt al veel verkocht was. De pot met oude vijzen en spijkers was weg. Een groot deel van het verroeste gereedschap ook. Net als de berg Tupperware van Chinese makelij die de wederhelft vorig jaar nog op de rommelmarkt had gekocht. Wel zag ik dat mijn volledige boekenreeks van de Zeven Zussen in het midden van de tafel was uitgestald. Ik begon naar adem te happen. ‘Hoe is die daar geraakt, die heb ik niet…’ De wederhelft onderbrak me: ‘Wacht even, schat. ik heb net een koper, denk ik,’ en wuifde me weg. ‘Vijf euro,’ zei hij tegen de jongedame. ‘Voor de hele reeks?’ vroeg ze ietwat verbaasd. Hij knikte, breed glimlachend. ‘Waar ben je mee bezig?’ fezelde ik. ‘Die betonplexplaat terugverdienen,’ repliceerde hij zonder me aan te kijken. ‘Zo gaan wij geen vrienden blijven,’ fluisterde ik in zijn oor en griste de reeks van de tafel.

    Nadat ik de boeken op een veilige plek had weggeborgen, viel mijn oog op mijn (gereduceerde) verzameling blikken koekendozen. Ik dacht dat ik uit mijn vel ging springen. “Hoeveel heb je er daar al van verkocht?’ gilde ik. ‘Nog maar vier. Ik had verwacht dat ze een groter succes zouden zijn,’ antwoordde de wederhelft koelbloedig. ‘Ben je helemaal gek geworden! Je verkoopt de spullen die ik hier op tafel heb gezet. Of helemaal niets.’ Ik duwde de overige koekendozen in zijn handen en joeg hem weg. Wat dacht hij wel… Daarbovenop was de bokaal die dienst deed als kassa zo goed als leeg. Alsof hij alles gratis had weggegeven om er vanaf te zijn. Een hulp was hij niet geweest.

    In de daaropvolgende week bleek dat de wederhelft niet alleen een groot deel van mijn bloempotten ongevraagd had verkocht. Ook de zak potgrond die er naast stond en twee van mijn tuinkabouters waren verdwenen. Toen ik er in de garage naar op zoek was, botste ik op de pot met oude vijzen en nagels. Daaronder vond ik een doos met verroest gereedschap en een zak met goedkope Tupperware van Chinese makelij. Triest was het. Net zoals ons uitje naar de lokale kebabzaak. De wederhelft stond erop om daar te gaan eten. Ik had hem tenslotte een restaurantbezoek beloofd. Een kleine döner kebab met een portie friet kon er nog net af na de aankoop van een nieuwe betonplexplaat.

←Vorige pagina
1 2 3 4 5 6 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 66 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen