Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 26 oktober 2025

    Generaties

    Tijd voor een terugblik op “Gen Alfa”, las ik ergens. Vanaf 2025 wordt “Gen Bèta” geboren. Dat wordt de eerste generatie die zich een leven zonder AI niet zal kunnen voorstellen. En ik die dacht dat we nog aan de Z zaten. Zonder dat ik het wist is er een hele generatie Alfa gepasseerd. Het is alsof er jaarlijks een nieuwe generatie opstaat. Dat is niet zo: “Gen Alfa” volgde in 2013 Generatie Z op. De jongste Gen Z-er is ondertussen ook alweer dertien jaar oud.

    De Babyboomgeneratie is de laatste die nog een periode van een kleine twintig jaar overspande. En meteen ook de laatste die nog een beschrijvende naam toegewezen kreeg. Vanaf dan werd er naar letters gegrepen. Luiheid in tijdsnood. Generaties volgden elkaar op. Sneller. Korter. Want waar de X en de Y nog voluit generaties werden genoemd, is er vanaf de Z afgeknibbeld op klinkers en medeklinkers. “Gen Z” is het en “Gen Alfa” en nu dus “Gen Bèta”.

    Net zoals hun steeds korter wordende aandachtspanne hield “Gen Alfa” het na twaalf jaar voor bekeken. Misschien maar goed ook als schermtijd, allergenen en obesitas je generatie zullen kenmerken. De mythe van de acht seconden concentratieduur is dan wel ontkracht, het is tekenend voor de huidige tijd dat alles sneller moet gaan en korter moet zijn. Ik troost me met de gedachte dat, ondanks het leeftijdsverschil, de Wederhelft en ik tot dezelfde generatie behoren. Hetzelfde team.

    Team Generatie X. De X stond oorspronkelijk voor “het onbekende”. Ongedefinieerde leegte. Zonder duidelijk doel. Sfeersponzen noemen het wel ’s de verloren generatie omdat de jeugd toen, na de tweede oliecrisis, afstudeerde in een tijdperk gekenmerkt door een hoge jeugdwerkloosheid. Dat wordt wel ’s vergeten. Ook nu met de pensioenhervorming. De generatie voor hen had actie gevoerd; tegen oorlog en voor idealen. Na 1979 bleef er enkel een kater over. Al die grote dromen, opgeslokt door het systeem, verdreven door de opkomende consumptiecultuur.

    Niet dat ik altijd de vrolijkste ben thuis, maar ik geef dan toch de voorkeur aan de luchtigere benaming “MTV-generatie”. Thuis komen van school, naar de televisie rennen en MTV opzetten. Zoet als een mok warme chocolademelk is de herinnering aan die tijd dat uren wachten op je favoriete clip heel gewoon was. Thriller, Vogue, Smells Like Teen Spirit, November Rain, de Silverstone-trilogie van Aerosmith. Dont’t go chasing waterfalls…

    Dat Paramount nu de stekker uit MTV trekt bezorgt me hartzeer, want MTV was niet zomaar een zender, het was de onzichtbare navelstreng die mijn generatie verbond met onze jeugd. Samen met de geboorte van “Gen Bèta” voelt het alsof er een volgende generatie wordt afgeschreven. Opvolging van de Boomers, inmiddels verworden tot spotwoord. Daar zijn de Wederhelft en ik bijlange nog niet klaar voor. Ik zou verdomme een opstand moeten organiseren, maar weet alleen niet hoe. Facebook is gekaapt door reclamebureaus. Tik-Tok gaat te snel. Vaste telefoonlijnen zijn verdwenen, hun nummers vervangen. Contacten vervaagd. ’t Lijkt me ook zo vermoeiend.

    Misschien moet een revolte niet groots zijn, oppert de Wederhelft. Misschien begint ze met een blog. Of nog beter: met een brief (op briefpapier en echte postzegels) of met een telefoontje zonder emoji’s. Onze generatie bewaarde nog nummers op briefjes in de keukenschuif en op oude tastbare concerttickets. Goede vrienden mochten in de telefoonklapper. We maakten mixtapes voor elkaar, gingen op de wilde boef bij elkaar langs, met vragen of problemen die niet direct te liken zijn. Misschien moeten we wat van die dingen terug in ere herstellen: kleine, eenvoudige gebaren als antidotum voor het verdwijnend menselijk contact. Het hoeft niet spectaculair te zijn, gewoon een begin…

  • 7 september 2025

    Koudwatervrees

    ‘Op een camping had je nu de douche naast de jouwe kunnen nemen. Handdoek snel effe rond je gewikkeld, slippers aan en wisselen van cabine.’ De Wederhelft was geagiteerd. Wakker gemaakt op een ontiegelijk vroeg uur. Voor hem althans. Perceptie is een niet te onderschatten iets. En al zeker niet wanneer je in de krappe onderbelichte ingebouwde kast van een vakantiewoning tussen de spinnenwebben op zoek moet naar de foutmelding op de chauffageketel. ‘Die douche ernaast had ongetwijfeld ook geen warm water gehad.’ Betweter.

    ‘Dan had je naar de sanitaire blok een honderd meter verder kunnen tenen. Er is op een camping áltijd wel érgens warm water!’ Hij had een punt. In het vorige vakantiehuis hadden we ook twee dagen geen warm water gehad. Het is iets dat me blijkbaar achtervolgt. Behalve op campings, dan. Maar goed, dacht de Wederhelft misschien dat ik te vermurwen was? Te overtuigen was om ooit nog ’s te gaan kamperen? ‘Wil je dat ik de anekdote van de kreunende Duitser in het damestoilet oprakel?’ ‘Die zat gewoon zijn gevoeg te doen!’ ‘En dat maakt het minder erg?’

    ‘Hoe belangrijk is die warme douche nu voor jou? Hier? Op dit eigenste moment?’ ‘Heel,’ antwoordde ik. Het was verdomme twee dagen geleden dat ik mijn haar nog had gewassen én ik kreeg de geur van dat vorte zeewier maar niet uit mijn neus. Of was het mijn hoofd. De wandeling langs de Bretoense kust twee dagen eerder was magnifiek. Als je over de bergen aangespoeld zeewier keek, tenminste. Zo ver het oog reikte lag het wier meters dik te rotten op het strand. Het was een ding geweest, hier in Frankrijk. Te rijk bemestte akkers. Kunstmest door klimaatverandering naar zee gespoeld. Boze boeren. Vice versa: overdadig verrijkt zeewier dat de stranden overspoelde. Boze toeristische sector. De boeren wonnen. Wat dachten die salauds de touristes wel?

    Op die wandeling zag ik een gemeenteambtenaar in een bulldozer een zielige poging ondernemen om een stuk strand vrij te maken. Ik had compassie met de stakker. En daarna met mezelf omdat ik langs de metershoge berg rottend zeewier moest passeren. Nooit van mijn hele leven heb ik zoiets smerigs geroken. Daarmee vergeleken geurt de vuilniswagen die de groene compostbakken leegt tijdens een hittegolf naar Chanel N°5. Ik steek nog liever mijn neus in een drol van de Haarbal dan nog ’s langs die berg te lopen. Na die wandeling heb ik een uur onder de douche gestaan. Én daarom heb ik me de dag erna – ik voelde me nog proper genoeg – er met een kattenwasje van afgemaakt. Instant karma. Nooit vertrouwen op de boiler van een vakantiehuis. Altijd douchen als je kan.

    De Wederhelft kwam naast me staan en terwijl hij de spinnenwebben van zich af plukte zei hij dat waar ik voor vreesde: ‘Ik krijg het ding zo niet aan de praat.’ Heel erg misnoegd bleven we naar de kapotte ketel kijken. Hij omdat hij slaap miste. Ik omdat ik dringend warm water nodig had. Achter ons begon de haarbal zacht te huilen. De scène had lang genoeg geduurd. Hij wilde gaan wandelen. ‘Mijn haar is vettig en ik stink,’ zeurde ik. ‘Op dit uur kom je niemand tegen,’ antwoordde de wederhelft en nog voor het einde van die zin, was hij al terug op weg naar de slaapkamer.

    Wat later, op de ochtendwandeling met de haarbal, passeerde ik een jonge vader die twee koters naar school bracht. Ze roken naar zeep. ’t Is geen mooie eigenschap, maar ik was jaloers en voelde me vuiler dan ervoor. Nog voor de Haarbal en ik terug waren had ik in mijn beste Frans een bericht naar de verhuurder gestuurd en dat die s’il vous plait haast kon maken met de herstelling. Een antwoord kregen we later die dag: ‘Ah mince désolée de na pas avoir répondu plus tôt’. Daarna volgde de uitleg hoe we het euvel zelf konden herstellen. Hoera.

    De Wederhelft werd meteen de krappe onderbelichte ingebouwde kast ingestuurd. Deze keer met petzl op de kop en op veilige afstand: een lief dat de instructies in slecht vertaald Nederlands dicteerde: ‘Je moet de twee kleine zwarte wieltjes opendraaien tot de druk op anderhalve Bar staat. Kan je ze zien? Kan je ze zien?’ Er volgde een zucht en daarna: ‘Op een camping, dus, had dit niet gehoeven! Ik zeg het maar…’ Ik gunde hem geen antwoord. Deed een vreugdedansje toen ik de ketel hoorde aanspringen en was tegelijkertijd verbijsterd  hoe snel spinnen van die grijze pluizige dikke webben kunnen maken. De Wederhelft had zonder twijfel de eerste douchebeurt verdiend.

  • 17 augustus 2025

    Het charmeoffensief

    Sinds de hittegolf enkele weken geleden is de Haarbal beginnen ruiven dat het geen naam meer heeft. Nieuwe wolkjes dansten over de vloer, luttele minuten nadat ik gestofzuigd had. Het kan niet anders dan dat zijn haar ongelooflijk snel weer aangroeit, want met de hoeveelheid verzamelde plukken en wolken had de Haarbal zonder overdrijven dit jaar al drie keer kaal moeten zijn geweest. Er kwam geen eind aan. Het was om moedeloos van te worden. En dat niet alleen. Er stelde zich een groter probleem. Een dat snel een oplossing nodig had.

    Een zestigste verjaardag vraagt om een bijzonder cadeau. En dat had ik gevonden. Een zeilcruise op een tweemaster, in Schotland, langs de lekkerste whiskystokerijen voor wie graag een turfsmaak lust. De Wederhelft was in de wolken. Ook al was de reis pas in april 2026 gepland. Bij het boeken van de reis viel er een portie geluk in onze schoot: er bleken plots nog kajuiten vrijgekomen te zijn op de trip van september dit jaar. Een goede week na die zestigste verjaardag. We legden alle pro’s en contra’s in de weegschaal en boekten voor september. De teller stond daarmee op zeven weken.

    Wat met de Haarbal, vroeg de Wederhelft. Dat komt goed, stelde ik hem gerust. Maar daarna heb ik vele nachten niet goed geslapen. Omdat de Wederhelft de Haarbal niet wilde laten castreren (van een man zijn ballen blijf je af!), is de Haarbal namelijk in geen enkele hondenopvang welkom. Enige resterende optie was de hulp van vrienden of familie inschakelen. Een charmeoffensief drong zich op.  De moed zakte me echter in de schoenen wanneer de Haarbal voor de zoveelste keer de losse haren van zich afschudde. In de zonnestralen was het beeld zowel poëtisch als horribel. Met de stofzuiger in de hand belde ik het hondenkapsalon voor een was- en pluksessie. Het was onze enige en laatste hoop.

    De Haarbal heb ik met al mijn kracht het kapsalon binnen gesleept en met nog méér kracht in de wasbak geworsteld. Het klantje voor hem, wiens baasje nog moest afrekenen, keek de Haarbal hooghartig aan vanuit zijn geprivilegieerde positie in de armen van de man. Netjes getrimd. Froufrou gebrusht. De eigenaar van het hautaine mormel wist niet dat Bassets knipbeurten konden gebruiken. Dat er ook honden zijn die haar verliezen, kwam niet bij hem op. Zijn opsomming van hypoallergene rassen die daarop volgde was lang en stemde tot nadenken. Hij stofzuigde niet elke dag.

    Als een vis op het droge probeerde de Haarbal zich het daaropvolgende uur uit mijn houtgreep te wriemelen. Hij houdt niet van hoogtes, dus die kaptafel vond hij maar niets. Net als de haardroger die al de losse haren mijn richting uitblies. Ik was nochtans voorbereid. Had een regenjas aan, kap op en dichtgesnoerd rond mijn nek. Twee dagen later niesde ik nog steeds hondenhaar, maar ook: drie dagen later, was het ruiven zo goed als gestopt. Witter dan wit, wasdraadfris en zacht als een knuffelbeer toornden we de Haarbal overal mee naar toe. Op commando, met de blik van een puppy, ging hij voorbeeldig op zijn mat zitten, alsof hij wist dat er iets verkocht moest worden.

    Dat lukte aardig. Voor even. De ranzige scheet die de Haarbal liet ontsnappen tijdens het ontbijt bij mijn schoonzus was een schot naast de roos. Net zoals het kwijlspoor dat hij door de woonkamer van onze vrienden trok nadat hij op een onbewaakt moment de hele drinkbak had opgeslobberd. Het zwarte tapijt dat hij stiekem verkoos boven de witte mat die we zelf hadden meegebracht was ook geen succes. Evenmin de kat die hij iets te enthousiast dag wilde zeggen. Finale doodsteek was echter de dolgedraaide spurt van een natte tuin naar de woonkamer en weer terug. En nog eens. En terug.

    Uiteindelijk is het goed gekomen. Twee prachtige (en bovendien erg lieve) voorstellen maken dat de Wederhelft en ik met een gerust hart op reis zullen kunnen vertrekken. Noot aan onszelf: hypoallergene honden hebben toch een pootje voor op een Basset. Een ander toegankelijker ras hadden we ongetwijfeld sneller kunnen slijten voor enkele dagen. En toch: we zouden ons kwijlende, ruivende, karton-etende, snurkende en koppige koekiemonster voor geen geld van de wereld willen ruilen.

  • 13 juli 2025

    Interne verhuis

    Nadat het brandalarm was afgegaan stonden we allemaal behoorlijk snel beneden bij het verzamelpunt. Uitgezonderd één iemand. Het “slachtoffer” dat was achtergebleven in de brandoefening bleek de grote baas. De na-wacht daar was “vergeten” zijn lokaal te controleren. Nu moeten alle medewerkers van het hele gebouw (en dat zijn er heel wat) de opleiding Veilig Evacueren volgen. Verplicht. En zo snel mogelijk. Alsof de zomer niet een van de drukste periodes in het jaar is.

    Ondertussen staat er ook een interne verhuis op stapel. Alle diensten in het gebouw moeten van plek wisselen. Een “projectmedewerker” heeft berekend dat er op vlak van oppervlakte, capaciteit en persoonlijke ruimte nog ruimte tot verbetering is. En zo verhuizen we elke legislatuur weleens van bureau. Elke keer om een andere reden. Zo’n verhuisbeweging moet bovendien zo goedkoop mogelijk, want kostenbewustzijn is een A-waarde.

    Die A-waarden zijn de heilige vijfvuldigheid van de Stad en moeten door alle medewerkers gerespecteerd worden. Behalve door projectmedewerkers. Misschien moet er ’s uitgerekend worden welke kosten er bespaard kunnen worden met het laten gaan van al die projectmedewerkers. Misschien kan de airco in onze bureau dan ’s deftig hersteld worden. Niet dat dat nog veel langer een probleem zal zijn. Want mijn team verhuist naar een betere plek. Althans dat is ons toch beloofd.

    De gebouwbeheerder loopt nu al een hele week lockers te tellen. Niemand die ze gebruikt, niemand die ze weet staan, en er is al helemaal niemand die om meer exemplaren vraagt. Maar het is alles of niets, dus als er lockers voorzien worden voor een deel van het personeel, moeten er zijn voor alle personeel. De gebouwbeheerder komt er dertig te kort en dertig aankopen is voor hem minder werk dan er vijfentachtig te verhuizen naar een loods ergens in de Stad. Die dertig zullen geleverd en geplaatst worden. Lekker makkelijk. Of er misschien dertig in die befaamde loods staan, is een vraag die hij zich niet stelt en waarvan hij wilt dat ze niet gesteld wordt, althans niet luidop. Ik weet niet welke A-waarde hij daarbij in zijn achterhoofd heeft.

    Het is trouwens niet alleen de gebouwbeheerder die sinds de aangekondigde verhuis de deur bij ons platloopt. De medewerkers van de dienst MHR (de dienst die naar onze bureau zal verhuizen) staan er met de regelmaat van een klok. Meetlint in de hand. Zij gaan van 14 vierkante meter per personeelslid naar de vooropgestelde 8 vierkante meter. 8 is de wetenschappelijk-onderbouwde-minimale-oppervlakte die een werknemer nodig heeft om zijn werk te kunnen uitvoeren zonder nadelige gevolgen voor zijn welzijn en gezondheid. Lees: net genoeg zodat we niet gek worden of elkaar in de haren vliegen.

    De pineuten van MHR proberen zich constructief op te stellen, persen steevast een glimlach op hun gezicht, maar zijn echt wel de grootste slachtoffers van de verhuis. Ach ja, dat waren wij de vorige legislatuur. Het moeten niet altijd dezelfde zijn.

    Zie je, wanneer ik door het raam naar buiten kijk (als de lamellen niet dicht zijn – want er zijn collega’s die liever in een grot werken dan wat zonlicht toe te laten), kijk ik nu uit op een metershoge grijze muur waar, als ik geluk heb, soms een meeuw op de rand van het dak gaat zitten. Dat is dan meteen, wat uitzicht betreft, het hoogtepunt van mijn dag. Aan de andere kant van het gebouw is er tenminste uitzicht op wat groen, enkele stadstuintjes en een boom of drie.

    Samen met de grotere ruimte die we krijgen, zullen we daar vast gelukkiger worden. Bovendien zijn de airco’s er niet stuk en is de zonnewering daar van beduidend betere kwaliteit. Ons nieuwe lokaal bevindt zich niet toevallig vlak naast dat van de grote baas. Nu is het nog kwestie niet te vergeten hem te redden bij de eerstvolgende brandoefening.

  • 29 juni 2025

    De Voerstreek

    Noot aan mezelf; De voerstreek is ook voor Nederlanders een ideale dichtbijvakantie. Exotisch bovendien, net over de grens, hélemaal in hún Zuiden. Een zakdoek groot is het pittoreske Wales van Vlaanderen, hier. Met twee fietstochten deden we alle knooppunten aan en de Haarbal heeft met drie wandelingen uit elke bron die niet droogstond gedronken. Ik wist dat het hier niet groot zou zijn, maar nu we er zijn, blijkt dat ik de uitgestrektheid lichtelijk had overschat. Amper vijftig vierkante kilometer groot is de streek. C’est tout. Letterlijk, want je steekt er aan de ene kant om de haverklap de taalgrens over waar ze (begrijpelijkerwijs) koppig Frans spreken.

    Net zo aan de andere kant: met de Nederlandse grens en hun aardige tongval. Dat je zo dicht bij hun grens geen mengtaaltje, laat staan een mengcultuur hebt, begrijp ik niet. Bijzonder is het, hoe de menukaarten (broodje kroket!) van twee naast elkaar gelegen etablissementen zo van elkaar kunnen verschillen. Soms hebben we de straat maar over te steken om hard schrapende g’s en ch’s op je bord te krijgen.  Gekke zinsconstructies gefabriceerd achter in de keel. En Luid. Vooral ook heel erg Luid. Alsof onze noorderburen van de andere kant van de straat willen roepen: “Wij komen eraan!”.

    Misschien is dat ook de bedoeling. Meter voor meter die “leuke” dorpjes rond de Voer inpalmen. Ik zie ze ’s nachts al met schoppen en pikhouwelen de grenspalen verplaatsen. Dat gebeurt enkel in mijn fantasie, natuurlijk. In werkelijkheid nemen ze gewoon de boel over. Eerst zie je vooral Nederlandse nummerplaten en daarna vindt je horeca die enkel in de weekends van de zomermaanden geopend is. Ook de vakantiehuizen zijn een voor een eigendom van Nederlanders en te huur aan prijzen waarvoor je in Frankrijk een villa kan krijgen. En onthoudt vooral; Charmant betekent klein. Gezellig betekent druk. Knus betekent donker.

    We huurden dus (achteraf gebleken van een Hollandse dame) een bijzonder knus huisje in een charmant gehucht, naast een gezellig terrasje dat enkel in het weekend open is. ‘We hoefden ons geen zorgen te maken.’ En zonder het rottende kadaver in de wei naast het keukenraam en de kapotte boiler in rekening te brengen, ging alles goed. Tot vrijdagnamiddag. Dan namen de huurders van het huisje naast het onze hun intrek. Gedempt nog eerst, want ze waren maar met z’n twee en twee Nederlanders maken niet echt veel lawaai.

    Toch, de man kon zijn geluk niet op toen hij een eerste stap zette in de gemeenschappelijke tuin en die zonder aarzelen tot de hunne uitriep. ‘Kijk Schat! Dit is ONZE tuin!’ Hij voegde de daad bij het woord en liet zijn hond los die zonder aarzelen op twee meter van de Haarbal tegen de hoek van ons terras kwam pissen. Nog voor ze halverwege de tuin waren, had ik ze al bijgebeend. Dat honden aangelijnd moesten blijven in?-de?-werkelijk?-gedeelde?-tuin?, had de man nergens in de gebruiksvoorwaarden gelezen, hoor. Dat hij die misschien dan nog maar ’s moest doornemen en in afwachting daarvan zijn mormel bij ons terras vandaan kon houden?

    Twee uur later banjerde hij met zijn mormel aangelijnd en in zijn kielzog nog ’s vier extra Hollanders door de tuin en voorbij ons terras. Smalend, deed hij dat. Alsof hij duidelijk wilde maken dat ik niet het laatste woord had gehad. ‘Ik ben daarnet misschien iets te direct geweest,’ zei ik tegen de Wederhelft. Zonder van zijn boek op te kijken, antwoordde die dat Nederlanders dat nodig hebben. Ze gaan luid zijn, dacht ik, maar blijkbaar zei ik dat luidop. ‘Dat zijn ze altijd, daar ga jij niets aan kunnen veranderen.’ En zo geschiedde: in de tuin, op het terras van het cafeetje naast het onze en overal waar we kwamen in het stukje België dat een Nederlandse enclave is geworden.

    Tweede noot aan mezelf (ik heb het opgezocht); De landen waar Nederlanders het minst vaak naar toe reizen zijn Albanië, Noord-Macedonië, Bosnië & Herzegovina, Slowakije en Roemenië. Daar zijn vast toeristische regio’s, een zakdoek groot, meer hoeft het niet te zijn, waar het écht charmant, gezellig en knus is.

  • 9 juni 2025

    De boekenmarkt

    Ik wist dat het knullig zou zijn. Toch, tegen beter weten in, ging ik gisteren naar de boekenmarkt van Millegem. Dat is een gehucht ergens tussenin. Vanwege het slechte weer was het event verplaatst van het pittoreske plein bij de kerk naar het leegstaande schooltje, honderd meter verderop en ondanks dat er al ruim een jaar geen juffen en kinderen meer hadden rondgelopen, rook het er nog steeds naar verdroogde snottebellen, kinderzweet, gemorste melk en platgetrapte koeken.

    Twee klaslokalen waren er. Resten lijm en weg gekatapulteerd knutselmateriaal plakten nog aan de muren en de vloertegels. Een derde ruimte had (met aan de ene kant een toog en aan de andere kant een klimrek) duidelijk zijn dienst bewezen als refter én turnzaal. Hoewel de organisatoren hun best hadden gedaan om de boel gezellig te maken, hadden ze moeten strijden met de middelen die ze hadden. Die waren bedroevend, want behalve leegstand en de druilerige zondag had het schooltje echt wel zijn beste tijd gehad. Afgebladderde raamkozijnen, gebroken tegels, knipperende TL-armaturen en vergeelde plafonds bezorgden me het gevoel dat – na ons – een bende Urban Explorers er de tijd van hun leven zou kunnen beleven. Ik voelde me bekocht. Maar dat kon niet. Want de toegang was gratis geweest.

    Zo amateuristisch als de boekenmarkt in elkaar gestoken was, zo amateuristisch waren de standhouders. Ik telde er een dertigtal met voornamelijk vergankelijk materiaal. Alle genre’s door elkaar, zoals de graaibakken in een kledingzaak tijdens de solden. Heel veel prentenboeken waren er en verkreukelde strips van nageslacht dat al lang het huis uit was; van die detectives die in de jaren negentig zo populair waren ook; en heel veel liefdesromans, toegankelijk in al zijn eenvoud. Behalve dan als je ze probeert te slijten op een tweedehandsboekenmarkt. De verkoopster in het kraam in de hoek van de refter verstopte zich met haar neus in boek voor de blikken van de meerwaardebezoeker, want ze had enkel stationromannetjes bij én de trilogie vijftig tinten grijs. Die lag trouwens ook op de klaptafel naast die van haar. En daarnaast. Evenals twintig passen verderop. Het aantal tinten grijs was er niet op twee handen te tellen.

    Ik slenterde langs meervouden Deflo’s, Nicci Frenches, Aspes, Da Vincicodes en Zeven Zussen. Het Smelt van Lize Spit voor acht euro legde ik terug en kocht ik in het kraam ernaast voor de helft van de prijs. Wat nog te veel was, want aan de andere kant van het lokaal vroeg de standhoudster slechts vier euro voor twee Lanoyes, in perfecte staat bovendien. Twee roddelende nichten zaten achter een tafel van zes meter lang (de langste van al). Dat ze nichten waren wist ik omdat niet zij, maar wel hun gemeenschappelijke tante alle boeken die op hun tafel lagen gelezen had. Het viel me op dat het gesprek dat ze voerden stilviel telkens wanneer er iemand aan hun tafel kwam staan. Alsof ze bang waren dat er een familielid hen zou kunnen horen. Ik ben er nog drie keer langsgegaan.

    Een opstopping in de gang. Daar stond een moeder met afgeleefde kleuterboeken. Haar echtgenoot die recht tegenover haar tegen de muur geleund stond, creëerde een zandlopereffect zoals ook marktkramers dat doen met bijzettafels proevertjes of een reclamebord met de aanbieding van de dag: drie komkommers voor drie euro. Een bevlogen verkoper profiteerde van de filevorming en sprak iedereen aan die noodgedwongen voor zijn kraam tot stilstand kwam. Struinde zelf ook boekenmarkten af, zei hij, kocht “per ongeluk” boeken dubbel, ontdekte altijd “te laat” dat hij zijn nieuwe aanwinsten zelf al in de boekenkast had staan, en zag zich geen andere oplossing dan zelf maar te gaan leuren met “topmateriaal”, mevrouw! Allemaal koopjes! Hij was misschien wel de duurste van alle standhouders, maar “méér dan zijn geld waard”, mevrouw!

    Het was, op enkele uitzonderingen na, een bonte verzameling vluchtige lectuur. Boeken die je net zo makkelijk gratis leent uit de bib en zonder de minste wroeging terugbrengt. Boeken die ik, als ze in mijn boekenkast zouden staan, zelf ook zonder hartzeer zou kunnen afstaan om plaats te maken voor nieuw en beter materiaal. Zo verzamel je een kast vol pareltjes, vermoed ik. Wat ik dan weer een aanlokkelijk vooruitzicht vond. En terwijl ik snuisterde en snuffelde maakte ik in mijn hoofd alvast een denkbeeldige opdeling. Welke boeken kunnen thuis weg? En aan welke prijs. En hoe leg ik die ordentelijk samen op de tafel? En hoe lang zou die tafel zijn? Jullie weten waar me te vinden volgend jaar. De prijzen worden al gezet.

  • 18 mei 2025

    De steenmarter

    De natuur moet je laten doen. Paardenbloemen laten pluizen. Distels omarmen. Canadese ganzen tolereren. Vossen toejuichen. Tot de buurman je komt verwittigen voor de steenmarter. Die had voor duizendzevenhonderd euro aan kabels onder de motorkap van zijn auto opgevreten. De hele buurt stond op z’n achterste poten. Dood, moest ie! Een schuldige werd aangewezen: de antiquair van op de hoek. Zijn hof lag erbij als een pacht vol oud ijzer dat wachtte om antiek te worden. Niet de antiquair moest dood, natuurlijk, wel het kabelvretende ongedierte.

    Terwijl de hele buurt met geurende spuitbussen en ultrasone geluidsgolven aan de slag ging, borstelden de Wederhelft en ik als bezetenen de Haarbal. Steenmarters zijn bang van honden en – zo beloofde de webpagina van het ANWB – zullen weglopen als ze de geur van een hond ruiken. Dus in plaats van dure oplossingen, gingen wij voor nylonkousen Basset Hound Odeur.

    De Tuinman en den Duits lachten ons eerst vierkant uit en gingen vervolgens een stap verder: zij kochten elks twee kooien van gegalvaniseerd staal en trokken blikjes sardienen open. Wat ze daarna met hun vangst zouden doen, wilden ze ons niet zeggen. Wel dat ze die info niet van het ANWB of nog beter: van de website van natuurpunt hadden gehaald. De Tuinman en den Duits gingen wellicht nooit mijn vrienden worden, maar beter een goede buur dan een verre vriend, dus boorde ik het vat voorgewende vriendelijkheid aan.

    Soit, het stof ging liggen. De marter trapte niet in de val. En de dagen daarna omarmden de wederhelft en ik de natuur in onze verwilderde tuin van vier op acht. Vol van ons eigen gelijk lieten we oogluikend toe dat een rat zijn intrek had genomen in de compostbak. Toegegeven, écht blij werd ik daar niet van, maar rattenvergif was geen optie. Het probleem van een vergiftigde rat is dat die kan worden opgegeten door de steenmarter. Waarna die ook dood gaat. De vergelijking met de Tuinman en den Duits is zo snel gemaakt.

    Ondertussen had een koppel mezen zijn intrek genomen in het nestkastje dat knus verborgen in de wingerd tegen de tuinmuur hing. Met het eerste getsjilp begon ik te tellen. Vanaf dag negentien zou het broedsel uitvliegen. Daar wilde ik dit jaar graag getuige van zijn. Alle voorgaande jaren waren ze me te snel af geweest. Ondertussen waren de ouders druk-druk-druk in de weer met het aanvliegen van voedsel voor hun jongen. Dat deden ze goed, want op dag vijftien kon je in het gaatje van het nestkastje het eerste snaveltje zien.

    Op dag zestien was het getsjilp heel wat minder. Even dacht ik verkeerd geteld te hebben, maar op dag zeventien zag ik de rat zijn kop door het gat van het nestkastje steken en toen was het tsjilpen gedaan. Ik was er dagen niet goed van. Onder mijn toezicht had er een meervoudige kindermoord plaatsgevonden. De rat moest eraan. Ook als dat betekende dat de steenmarter… Ach, wie weet: misschien wilde de Tuinman en den Duits ook gewoon een broedsel redden.

  • 27 april 2025

    Eiland

    De werken naderden gestaag. Een maand geleden kwamen ze met vertraging in de verte de hoek om: Rundvoortstraat uit en Achterstraat in. Schepkranen en bulldozers. Rioolbuizen en collectorputten. En daarna steeds dichterbij. Beetje bij beetje: van legoblokjes aan de einder tot verpletterend gebrul op geen twintig meter van de eerste tafel. Van amper hoorbare grondwaterpompen op de achtergrond tot de rookwolken dieseldamp van tractoren die op een steenworp voorbij het terras donderden. De Waard was er niet gerust op. Het zou niet lang meer duren vooraleer zijn Boerenhof een eiland in graafwerken werd.

    De Waard overwoog om zijn zaak tijdelijk te sluiten. Meer dan de helft van zijn cliënteel is zeventig jaar en ouder. Bouwputten en broze botten blijven een slechte combo, wist hij. Geen van hen die haar of zijn leven waagt voor een filterkoffie. Slijk bij slecht weer, stof bij droog weer. Het zou altijd gedoe zijn. Bovendien: niet alleen de Achterstraat, het hele Torenplein moest er nog aan. Inclusief de stoep. Totaal onbereikbaar zou het café worden. Weken. Misschien wel maanden. Niemand die het wist. Broodroof, zuchtte de Waard.

    Goed dat mijn maat dit niet meer moet meemaken, dacht ik toen een rupsband rakelings voorbijschoof. Hij had niet meer in het Boerenhof geraakt. Verstoken van vriend, pint en zo af en toe een stevige knuffel, want ook al woonde hij maar vier huizen verder in de straat – vlak naast de blauwe grondwaterpomp die als een fitte slagader elke zes seconden een straaltje water tuft – de opengebroken straat had zijn doodsteek geweest. Daar was geen chemokuur of radiotherapie tegen opgewassen. Nu was hij tenminste gestorven op de plaats waar hij het liefste was. Zijn staminee. De werken waren toen nog niet begonnen. Wat zou hij gevloekt hebben op het nooit opdrogende plasje water voor zijn oprit.

    En zo schoven de werken op en zo bleef de waard zijn beslissing uitstellen tot het uur der waarheid daar écht was. Vorige week maandag ging het straatmeubilair op het Torenplein eraan. Dinsdag volgden de kasseien en de boordstenen. Hekken werden geplaatst en linten gehangen. Er moest maar eens een dronkenlap met zijn zatte botten in de bouwput sukkelen. Toen ik er dinsdagavond langsging om wat morele steun te geven, was ik niet alleen. De Waard pinkte net geen traan weg. Mogelijks van ontroering voor de massale steun, meer waarschijnlijk van blijdschap omwille van de uitzonderlijke recette…

    Er werd gezegd dat het terras die dag al voor openingstijd volstond met cliënteel. Schouder aan schouder stonden ze. Het terras van het Boerenhof bleek de beste plek om de werken op het Torenplein te overschouwen. Alle stoelen waren bezet en er stond een haag van kijklustigen bij de dranghekken. Met kinderlijke verwondering keken de mannen én vrouwen naar de haarfijne kunsten van de twee kraanmannen. Oh’s en Ah’s klonken onder de golfplaten van het overdekte terrasgedeelte en bij het begin van het schof volgde er zelfs een zuinig applausje. Na de matinée, wanneer het gebrul was stilgevallen en het stof neergedwarreld, volgde er nog een uitgebreide nabespreking. Op het terras van het Boerenhof, natuurlijk. ’t Zou allemaal wel meevallen…

  • 13 april 2025

    Plaats maken

    Ik kijk, onbewogen, naar de papieren die door mijn handen gaan. Meestal voel ik hartzeer als ik op het punt sta om spullen weg te doen. Gevolg van mijn zwak voor nostalgie. Zelfs de doos met oude knuffeldieren heb ik om die reden tot vér na mijn dertigste bewaard. En deze cursussen: Gezondheidseconomie, Financieel beheer, Kwaliteitsbeleid… Ik probeer bewust wat gewaar te worden. Het is geen hartzeer dit keer. Eerder een berusting die ik voel.

    Dingen verkopen op tweedehands is niet aan mij besteed. Het geld dat dat opbrengt is me de tijd en het gedoe niet waard. Misschien ben ik rijk genoeg. Misschien voel ik me rijk genoeg. Bovendien, wat hier door mijn handen gaat, valt ook niet te verkopen. Het lesmateriaal is verouderd, de theorieën zijn gedateerd en de professoren van toen uitgerangeerd. Cursus en handboek worden gedegradeerd tot oud papier. Dat is altijd hun lot geweest.

    Waarom ik tot nu gewacht heb?

    Nostalgie dus, en nooit genoeg. Boeken. Souvenirs. Erfstukken. Een voor een hebbedingen. Blijkbaar verzamel ik – jaar in, jaar uit – maar het huis wordt niet groter en de opbergplaats steeds krapper. Een nieuwe tent, maar de oude gooide ik niet weg. Spijt komt ook altijd te laat, dus bewaarde ik ook de oude gordijnen, minstens vier bureaulampen, een doos met restjes wol, de oude fm-radio… Je weet maar nooit wanneer ze nog van pas kunnen komen, toch?

    Op een aantal bijzondere stukken na, vallen alle hebbedingen uiteindelijk ten prooi aan het watervalsysteem. Van een prominente plaats in de stoefkast verhuizen ze naar een niet zichtbare plek – nog steeds in de woonkamer wel – om daarna te verkassen naar de kast op de zolderkamer en uiteindelijk in een doos terecht te komen en nooit nog daglicht te zien. Gedegradeerd tot brol.

    Eerder deze week werd het echt wat krap in de stoefkast. De wederhelft stelde voor om enkele boeken te verplaatsen naar een minder prominente plaats. Die degradatie zou niet zonder slag of stoot doorgaan. Ik wees naar zijn stripboeken en cd’s. Hij naar Philippa Gregory en Lucy Riley. We bereikten een consensus. De strips en boeken van Riley en Gregory zouden naar de kast op de zolderkamer verhuizen. Maar de ene verplaatsing had een andere tot gevolg, want die kast puilde net zo goed uit. Zo kwamen de vier curverboxen in het vizier.

    Vijftien jaar staan de curverboxen hier en in al die jaren zijn ze nooit geopend geweest. Tot nu. Een voor een haal ik de classeurs met de zorgvuldig aangeduide hoofdstukken uit de boxen. Kilo’s lesmateriaal, cursussen, samenvattingen en handboeken. Ik kan het bloed, het zweet en de tranen ruiken. Voor de laatste keer want de vier jaar werkstudent aan de Universiteit gaan definitief de vuilbak in.

    Dertig was ik toen ik mijn diploma kreeg. Er wordt me vaak gevraagd of ik het niet zuur vind dat ik er nooit wat mee gedaan heb. Maar dat is niet zo. Nee; Ik ben met dat diploma op teleurstellingen en een burn-out gebotst. Ik heb er mensenkennis mee opgedaan. Ik ben keihard met mijn kop tegen de muur geknald en heb me leren oprapen. Ik heb leren doorzetten. Ik schrijf. Ik weet wat belangrijk is in het leven. Ik heb keuzes gemaakt, berusting gevonden, en… plaats gemaakt op de zolderkamer.

  • 30 maart 2025

    Goed bedoeld

    Wrang eerlijk. Zo kennen veel mensen me. Zonder rond de pot te draaien, recht voor de raap, maar nooit (of toch zelden) slecht bedoeld. Het is me, denk ik, om de efficiëntie te doen en dat doe ik door geen tijd te verliezen met de werkelijkheid in een mist van woorden te hullen. Zonder gedoe dus, wat soms resulteert in net iets te veel gedoe. En dat geldt niet enkel voor mezelf.

    Zo herkende ik mezelf vorige week zondag erg in mijn neef, de Gamer. Vijftien is hij. We zaten met de familie aan de tafel en maakten ons vrolijk over de vlaag van brainfog die mijn moeder overviel. Zelfs vér voorbij de menopauze, blijven de symptomen, stelde mijn schoonzus vast. De gamer zette de pot choco neer. Hij begreep het niet zo goed. Excuus, dat heb ik verkeerd verwoord. De gamer is slim genoeg, hij begrijpt het allemaal wél goed, maar het rijmt soms niet in zijn hoofd.

    Hij stelde zich luidop de vraag waarom alleen de mannen rekening moeten houden met de vrouw in menopauze. Het is toch de schuld van de vrouw dat er van alles verandert. Het werd meteen stil aan tafel en zijn jongere broer sloeg een hand voor de ogen. Zich bewust van het ongemak dat hij creëerde, verduidelijkte de Gamer zich. Wat hij bedoelde was dat hij niet begreep waarom de man en de zonen zich “alleen” moesten aanpassen? De vrouw – zijn moeder dus – kon toch ook wat moeite doen?

    ‘Zwijg gewoon, bro,’ riep zijn broer, de handen ondertussen al in de lucht gestoken. ‘Wat heb ik verkeerd gezegd?’ vroeg de Gamer oprecht. ‘Dat was vrouwonvriendelijk, bro!’ ‘Maar nee, de waarheid is toch niet vrouwonvriendelijk. Dat is gewoon zo!’ Mijn broer schudde zijn hoofd en fluisterde: ‘Dat maakt geen sikkepit uit.’

    De Gamer pruttelde nog wat tegen, want als hij last had van zijn puberhormonen, moest hij er zelf mee dealen. ‘Niemand past zich dan aan.’ Zo omstandig mogelijk probeerde ik hem uit te leggen dat de menopauze in niets te vergelijken is met de op hol geslagen hormonen van een puber en dat hij zich op delicaat terrein bevond. De Gamer antwoordde dat hij helemaal niet vrouwonvriendelijk is, en als iets de waarheid is, er geen reden is om zich gekwetst te voelen.

    Ik kan de Gamer onmogelijk beschuldigen van een gebrek aan empathie, want daar heeft hij tonnen van. Hoe het komt dat hij de emotionele impact van zijn woorden dan onderschat is volgens mij terug te brengen naar de waarheid. Die is voor hem minstens even belangrijk dan dat efficiëntie dat voor mij is. Dat we met onze uitspraken anderen beledigen en soms respectloos overkomen, besef ik altijd te laat en de Gamer gewoon nog niet…

    De Gamer werd vergeven, de tassen thee ingeschonken, en het gesprek aan tafel kabbelde verder langs films en streamingsdiensten, via de kwaliteit van beeldschermen en werd daarna Koeterwaals. Er is een verschil tussen gewone beeldschermen en die van gaming pc’s, wist de Gamer. Het ging over de verversingssnelheid en dat er een groot prijsverschil was. Iets van duizenden euro’s. En dat als je echt, écht wil gamen dat zo’n duurder scherm te verkiezen was boven een gewoon scherm. De wederhelft kon niet overtuigd worden en zei dat het verschil tussen beide onmogelijk met  het blote oog zien was.

    ‘Dat komt omdat jouw ogen trager zijn,’ antwoordde de Gamer, waarop er opnieuw een ongemakkelijke stilte viel. De gamer dacht dat hij niet begrepen werd en verduidelijkte zich: ‘Omdat je oud bent,’ voegde hij eraan toe. ‘Bro, nu doe je het weer!’ riep zijn broer. ‘Ouder, bedoelde ik, en met ouder bedoel ik vijftig plus of zo,’ verbeterde de Gamer zich. Het bleef stil aan tafel en zijn jongere broer sloeg een hand voor de ogen. De Gamer vroeg oprecht wat hij verkeerd had gezegd. ‘Dat was beledigend, bro!’ antwoordde zijn broer. ‘Maar nee, ’t is toch de waarheid. Vanaf je veertig gaan de ogen er op achteruit. Dat is gewoon zo!’ Mijn broer schudde zijn hoofd: ‘Dat maakt geen sikkepit uit.’

    De Gamer had, zichzelf en zijn broer uitgezonderd, onbedoeld iedereen aan de tafel geconfronteerd met het feit dat we ouder zijn geworden. Kunstig geconstrueerde illusies om onszelf tegen die harde realiteit te beschermen, werden daar ongebalanceerd door de jongeman neergekegeld. Dat was natuurlijk niet zijn bedoeling, maar de waarheid was voor de Gamer heilig, ook als hij daarvoor enkele sociale conventies moest negeren.

    ‘Jij zegt toch ook altijd de waarheid. Hoe zou jij dit oplossen dan?’ vroeg hij mij. Ik moest toegeven dat ik het weinig anders aangepakt zou hebben en dat hij en ik niet zo heel erg verschillen op dat vlak. ‘Zwijgen is ook een optie. Dat kan je leren. Maar dan moet je je non-verbale communicatie ook onder bedwang kunnen houden.’ ‘Kan jij dat?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik val achtennegentig procent van de tijd door de mand.’ ‘Spreek je daarom altijd de waarheid?’ vroeg hij. Ik knikte bevestigend, ‘En omdat ik zo verdomd veel van efficiëntie hou…’

    ‘Dan maakt de rest geen sikkepit uit,’ besloot de Gamer.

←Vorige pagina
1 2 3 4 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 66 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen