GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 9 oktober 2022

    Een pijntje

    ‘Het lukt me niet,’ zeg ik. ‘Wat lukt er niet?’ vraagt ze. ‘Altijd grappig en vrolijk zijn,’ antwoord ik. ‘Moet dat dan?’ Ze blijft me aankijken. Mijn mimiek spreekt ongetwijfeld boekdelen en die probeert ze zonder enige schroom te doorgronden. ‘Pffffffffff…’ Er ontsnapt me een zucht. Mijn mond is kleverig van de cafeïne. Ik stop vandaag beter met koffie drinken. Ze leest mijn gedachten: ‘Wil je een glas water?’ Ik knik.

    Ze zet het glas water op de tafel en gaat tegenover me zitten. De stilte schuift mee aan: een zwijgzame derde gesprekspartner die mijn gepieker omarmt. Hij wel. Zij niet: ‘Waarom moet je altijd vrolijk zijn? Zo zit het leven toch niet in elkaar?’ stelt ze. Ik haal mijn schouders op. Dat inspireert haar, om tot in de kleinste details, haar weekoverzicht uit de doeken te doen. De andere gesprekspartner spreekt me meer aan. Wat zou ik graag met hem een wandeling maken. Ik drink mijn glas leeg, verzin een excuus en maak me uit de voeten. Letterlijk. Zonder dralen of omwegen trek ik de natuur in. De stilte wandelt zonder morren met me mee. Houdt halt daar waar ik stop, telt de ganzen met me mee (het zijn er altijd acht) en zoekt samen met me naar het ijsvogeltje dat met een schel Tie-Tie van ons wegvliegt. ‘Waar wil je het liefst van al zijn?’ vraagt hij me onhoorbaar. ‘Thuis,’ antwoord ik. ‘Dan gaan we daar toch naartoe?’

    Thuis kijkt de wederhelft van zijn krant naar me op: ‘Moet jij niet aan het schrijven zijn?’

    ‘Het lukt me niet,’ zeg ik.

    ‘Kom op, onze camperreis, daar kan je zonder overdrijven drie stukjes over schrijven.’

    ‘Ik zou liever iedereen een geweten schoppen.’

    ‘Waarom zou je dat doen?’ vraagt hij.

    ‘Omdat het leven niet altijd grappig en leuk is.’

    ‘Schat, er is al kommer en kwel genoeg. De mensen zitten niet te wachten op een extra portie miserie.’

    ‘ “De mensen” weten niet wat dat is, in hun…’

    De wederhelft onderbreekt me: ‘Ho ho! Dat weten “De mensen” heus wel. Kranten en nieuwsuitzendingen staan er bol van. Maar op een zondagmiddag wil niemand met een belerend wijsvingertje terecht gewezen worden. Tover een glimlach op hun gezicht. Dat zijn trouwens jouw beste stukjes.’

    Hij buigt zich terug over de krant. Niet voor lang, dat weet ik nu al. Het is zaterdag. Seffens zal een pijntje het middelpunt van de aandacht worden. Ik verkneukel me nu al.

    Al weken zeurt de wederhelft over pijn aan zijn pols. “Weekendpijn” die zich altijd manifesteert op zaterdagen. Jammerlijk, steeds de dag vóór hij gaat zeilen. Ontstekingsremmers, Voltarengel®, ijs, massages, “Zou ik naar de dokter gaan?”, rust… De hele santenboetiek is al de revue gepasseerd. Het tot in de kleinste details uitgewerkte scenario begint ook vandaag met een linkerhand die de rechterpols voorzichtig vastneemt, waarna er trage ronddraaiende bewegingen worden gemaakt met de rechterhand. Eerst in wijzerzin, een halve minuut later tegen de klok in. De pijnlijke grimas verschijnt pas wanneer er naar de reden van het polsdraaien wordt gevraagd.

    De oorzaak van het probleem bleef tot op vandaag een mysterie. Tot op vandaag, want eindelijk, na al die tijd, weet de wederhelft waar die pijn vandaan komt. Hij had – omdat ik zo lang van huis was weggebleven – alvast gestofzuigd. ‘Het was nodig, schat. Dat onze haarbal niet kaal is, mag een wonder heten. Wist jij dat er een houten vloer onder het tapijt ligt? En ik weet nu waarom ik pijn heb in mijn pols.’ Ik herken een cynische opmerking van ver. De herkomst van het pijntje is er geen. ‘Je meent het,’ zeg ik. ‘Als ik op zondagen nog wil gaan zeilen, denk ik dat het beter is dat ik niet meer stofzuig…’ De wenkbrauwen fronsend tel ik tot tien. Snel vult de wederhelft zijn zin aan met een ‘… voorlopig.’ Ik besluit tot twintig door te tellen. ‘En ik zal een afspraak maken bij de dokter. Maandag doe ik dat. Eerste werk.’ Verder tellend tot veertig, laat ik de stilte even zijn ding doen en vraag de wederhelft dan: ‘Je weet toch hoe belachelijk dat stofzuig-excuus klonk?’ Hij glimlacht: ‘Het was het proberen waard.’

  • 25 september 2022

    De Boswandeling

    We verzamelden die ochtend tegen acht uur aan het boswachtershuisje. “We”, dat waren buren, aangelanden en dorpelingen die elkaar van ver kenden. Misschien dat er een enkeling zich een kennis van één van de andere deelnemers durfde te noemen, maar verder hadden we geen noemenswaardige connecties – uitgezonderd dan dat dit gezelschap er steeds als de kippen bij was, om zich in te schrijven voor een rondleiding in het natuurgebied. Met de handen in de zakken, de schouders opgetrokken, de jassen rond de nek stevig dichtgesnoerd, stampten we met zijn allen de koude uit onze rubberen laarzen. De boswachter liet op zich wachten. Om vijf na acht viel er een eerste schampere opmerking die hier en daar met hoongelach werd ontvangen. Het ijs was gebroken, de verbroedering begonnen. We schoven wat dichter naar elkaar toe. Er werd een schouderklopje uitgedeeld. ‘Koud hé!’ ‘En nat! Toepasselijk voor deze begeleide wandeling over kostbaar water.’ ‘Alsof de weergoden er zich mee gemoeid hebben.’ ‘Kijk wie daar komt aan gestesseld.’ ‘Och, hij heeft de weg gevonden.’ ‘Hahaha.’  

    Het gezicht van de boswachter verzuurde met elke stap dat hij dichterbij kwam. We deelden onder elkaar enkele schuine blikken en glimlachten schalks als een bende kwajongens die er naar uitkeken de boswachter een moeilijke tijd te bezorgen. Je kon letterlijk het lood in zijn schoenen zien zakken en hem denken: ‘Toch niet weer datzelfde verdomde gezelschap!’  Zijn dikke groene gevoerde jas kon zelfs niet verbergen dat zijn schouders afhingen. Zonder enige intonatie zei hij: ‘Goedemorgen allemaal. Ik zie  weinig nieuwe gezichten. Ik denk de introductie te kunnen overslaan.’

    We volgden de boswachter langsheen beken, grachten, rabatten, broekbossen en meanders. Overal voorzag hij ons van een degelijke uitleg, die de meesten onder ons al konden meelippen. De boswachter haalde, net zoals de vorige rondleidingen, enkele geplastificeerde kaarten – A3-formaat – uit  zijn draagtas, met de bedoeling die onder de geïnteresseerden te laten rondgaan. Niemand bekeek de kaarten nog. Ze gleden van hand tot hand en waren, nog voor hij zijn zin kon afmaken, terug bij hem aangekomen. ‘Maak je voort?’ vroeg de gefronste blik van de laatste deelnemer. De vragen zouden straks volgen, nabij “Het Diep”, een stuk ondoordringbaar bos waar een nulbeheer gold, omwille van de lage economische waarde, en omdat – doordat er het hele jaar door plassen staan – normale boswerken onmogelijk waren.

    ‘Jaja,’ klonk er ergens vanachter uit de groep, ‘maak dat de kat wijs.’

    ‘Dat zie je toch met je eigen ogen!’ repliceerde de boswachter.

    ‘Dat er een nulbeheer geldt. Ja, dat zien we,’ zei een ander.

    ‘Maar de prietpraat die daarop volgde, die geloven we niet,’ vulde de eerste aan.

    ‘Alle brulkikkers nog aan toe. Hoe lang gaan jullie me hiermee blijven lastigvallen?’

    ‘Totdat je het toegeeft.’ Er werd door iedereen instemmend geknikt. Hij stond er alleen voor.

    ‘Ik geef helemaal niets toe!’ De stem van de boswachter schoot de hoogte in. Vanuit zijn nek breidden de rode plekken zich uit over zijn wangen en op zijn rechterslaap lag een ader die hevig aan het kloppen was. Hij opende de bovenste twee knopen van jas en beende weg. ‘Als er geen vragen meer zijn, kunnen we verdergaan, ja?’

    Het was een goede poging om ons voor blok te zetten: zijn rug draaien, oogcontact vermijden en de pas erin zetten. Maar we waren voorbereid. Deze truc kon hij misschien drie keer met ons uithalen, maar geen vierde keer. Het was hét moment om ons geheime wapen in te zetten. Een moeder duwde haar dochter naar voor, een dappere meid van een jaar of zes.

    ‘Mijnheer de boswachter? Mag ik nog een vraag stellen?’

    De boswachter vertraagde en draaide zich om. Zijn gezicht klaarde op bij het zien van het onschuldige kind. ‘Natuurlijk, mag jij dat.’ Met de nadruk op die “jij”.

    ‘Heeft hij een naam?’

    ‘Wie?’

    ‘Wel, de bever. Heeft de bever al een naam?’

    ‘Nee, de bever heeft geen n… nnnnnn…’

    De hele groep begon te grijnzen wanneer de boswachter wit wegtrok: ‘Hoe durven jullie een kind hiervoor in te schakelen! Hebben jullie dan geen enkele schaamte?’

    ‘Vertel het nu toch gewoon.’ ‘Ja, je hebt zonet je mond voorbij gepraat.’ ‘Geef het toch op.’ ‘Hoeveel wandelingen wil je ons er nog bij?’ ‘Waarom blijf je zo halsstarrig volhouden?’ We pookten elkaar en de boswachter op. ‘Omdat niemand het mag weten, stelletje nozems,’ brulde hij.

    De boswachter had een punt. We keken schaapachtig naar elkaar, haalden de schouders op, knikten wat begripvol in het rond en staarden vervolgens naar de grond. We zouden het voorlopig daarbij houden. Dat er een bever woonde was inmiddels wel duidelijk en niemand wilde dat de boswachter uit zijn vel zou springen. In stilte wandelden we een tijdje achter hem aan, maar ook daar werd niemand vrolijk van.

    ‘Ligt dat bruggetje er nog?’ vroeg de langste man uit ons gezelschap niet zo heel veel later. ‘Welk bruggetje?’ zuchtte de boswachter. Twintig vingers wezen in oostelijke richting. De boswachter blies zijn wangen vol zoals een eekhoorn in de herfst: ‘Hoe weten jullie van dat bruggetje? Het gaat verdomme over twee planken in een ondoordringbaar stuk bos dat door niemand betreden mag worden.’ gilde hij. We konden geen deftig antwoord verzinnen, dus we zwegen. Even.

    ‘Kunnen we dat bruggetje misschien over, vandaag?’ ‘Het is tenslotte toch een begeleide wandeling.’ ‘En jij bent de boswachter, toch?’ ‘Echt vreemden zijn we niet meer voor elkaar, hé makker.’ Die laatste was erover. We wisten het allemaal toen we het hoorden. Een oerkreet galmde door het bos. Vogels vlogen luid krijsend uit de bomen op en wij… wij stoven uit elkaar. We zagen elkaar daarna nooit meer tijdens een van de begeleide wandelingen. Wél bij dageraad of zonsondergang in de buurt van het bruggetje, op zoek naar een bever.

  • 11 september 2022

    Een eerste indruk

    Die eerste schooldag ging ik met de fiets. De wederhelft had de auto gereserveerd om zijn ouders te gaan bezoeken, omdat – en ik citeer: ‘Het die avond ging regenen. Hard regenen.’ Ik nam er de buienradar bij en inderdaad: er kwam een akelig onweer onze kant uit. Ik had al uitgevlooid dat de rit naar de school in Lier een veertigtal minuten in beslag nam, maar ik reed het onweer tegemoet, dus ik rekende uit hoeveel vroeger ik best kon vertrekken om de stortregen voor te zijn. Of ik nu rustig thuis of ginds ergens in de school, in een hoekje, mijn boek verder uitlas, dat maakte me niet zo veel uit. Een deftige (en droge) eerste indruk was me veel meer waard. Dus ik vertrok die avond in een jurk, ruim op tijd, bij een aangename temperatuur, blauwe hemel en ondergaande zon.

    Ik had het misschien wat krap uitgerekend, alleszins had ik geen rekening gehouden met de aanzwellende wind die aan zo’n onweersfront voorafgaat. Stampend op mijn pedalen fietste ik de Lispersteenweg af en zag in de verte de spoorwegovergang. Een eerste dikke druppel raakte me in mijn oog, maar ik gaf de moed niet op. Ik ging het heus wel halen! Eén druppel maakte geen regenbui. Verdorie! Ook daar had ik geen rekening mee gehouden: gerinkel in de verte, rode lichten die naast elkaar begonnen te pinken en een slagboom die traag naar beneden ging. Ik hing eraan. Het zouden dé vijf cruciale minuten van de avond zijn. Vijf minuten waarin élk weldenkend mens de regenjas zou bovenhalen. Maar nee, ik stond daar wagonnetjes te tellen, terwijl ik steeds vaker geraakt werd door druppels zo groot dat je begint te twijfelen of het misschien hagel zou zijn.

    Zoals ik het vanop de kaart in mijn geheugen had geprent, was de school na het oversteken van de spoorweg niet ver meer. Nog een stukje langs de Nete, tot aan de brug en dan rechtsaf. Ik zou zó de hoofdingang kunnen binnenrijden. Er passeerden naast het kanaal nog twee fietsers die drijfnat de tegenovergestelde richting werden uitgeblazen. Een ervan riep me wat bemoedigende woorden toe. De andere verklaarde me gek. Ik keek naar mijn jurk, overwoog even om toch te stoppen, maar daar was de brug al.

    Aangekomen bij het schoolgebouw bleek de straat een mooi aangelegd plein te zijn, omgeven door gebouwen die door de grote deuren en poorten allemaal een school hadden kunnen zijn. Misschien was dat ook zo. Wist ik veel. Het was de eerste keer dat ik daar kwam. Ik reed een rondje op zoek naar een naambordje, of een huisnummer, maar vond geen van beide. De man die het plein overstak zou me wel kunnen helpen.

    ‘Bent u van hier, meneer? Is dit de Koepoortstraat 1?’

    ‘Ik kom hier de les beeldhouwen volgen, waar moet je zijn?’

    ‘Koepoortstraat 1, de les Proza. Schrijven Proza.’

    ‘Proza? Koepoortstraat 1?’ De man bestudeerde me van kop tot teen en wees dan in de andere richting. ‘De Koepoortstraat is echt niet ver van hier. Je rijdt naar daar, en dan ga je zo… en zo… en dan ben je er.’ Hij wapperde daarbij wat met zijn handen in de lucht. Zijn aanwijzingen raakten kant noch wal. Niettemin, het was duidelijk: daar waar ik stond, was niet de plaats waar ik moest zijn.

    Ik sprong terug op mijn fiets. Het druppelde niet meer. Het regende. Toch bleef ik koppig vasthouden aan mijn idee-fixe: ik zou voor de stortbui aankomen. Ik reed naar daar, en zo… en zo… en eindigde in een doodlopend straatje met mooie rijhuisjes. Knus en gezellig, al wat je wilt, ongetwijfeld aangenaam wonen. Maar daar was géén school! Ondertussen was het beginnen gieten. Ik trok met grote tegenzin mijn regenjas aan, raadpleegde een routeplanner op mijn telefoon, prentte de weg naar de Koepoortstraat 1 in mijn hoofd en haastte me daarnaartoe. Ik kwam uit op exact dezelfde plaats waar die ellendeling van daarnet me de weg had gewezen. Hij was nergens meer te bespeuren.

    Mijn kleren waren doordrongen van de regen. Hoe dan ook, ik was er op dat moment nog gerust in; op driekwartier zou ik een heel pak droger zijn. Ik nam mijn boek. Druppelsgewijs kwamen er ook andere studenten toe. Sommigen op het nippertje, anderen iets te laat: ‘Excuses, maar het regende, wist u?’ Ik knikte vriendelijk, beet de tanden op elkaar. In mijn parallel universum was ik al ontstoken in een cassante tirade. Die werd onderbroken door een medewerker die onze leerkracht kwam verontschuldigen. ‘Hij zal waarschijnlijk het einde van de stortbui hebben afgewacht.’ Daar zat ik dan, kleddernat. Met duim en wijsvinger plukte ik op verschillende plaatsen aan de jurk die nog steeds aan mijn vel kleefde en dacht daarbij aan die eerste indruk die me zo veel waard was.

  • 28 augustus 2022

    De campingklever

    Ik rende, met de zak pistolets onder mijn arm, naar de dichtstbijzijnde boom en realiseerde me te laat dat ik te dik was om me achter de stam te kunnen verbergen. Lichtjes in paniek keek ik om me heen en dook dan maar naar de grond. Gebukt bleef ik zitten achter een haagje dat twee standplaatsen op de camping van elkaar scheidde. Als de man de afslag naar zijn eigen caravan wilde nemen, dan zou hij me niet zien en kon ik snel aan ons ontbijt beginnen.

    ‘Pffhh… zie me hier nu zitten,’ zei ik stilletjes tegen mezelf. Hoe was het in hemelsnaam zo ver kunnen komen? Toegegeven, ik wist al vanaf de dag dat we op de camping arriveerden dat de man in zijn purperen T-shirt niet mijn beste vriend zou worden. Maar dat een gewone campinggroet tot zo’n gedoe zou leiden, had ik nooit voorzien.

    Uitdrukkelijk groeten op een camping is gebruikelijk en wordt van alle gasten verwacht. Hoewel – en dat is enkel mogelijk bij wederzijdse consensus – sommigen na een kort taxerend oogcontact toch beslissen er geen energie aan te verspillen. Die mensen neigen ook vaker naar een knik met het hoofd, waarbij de lippen zacht op elkaar geperst worden en het contact zo kort mogelijk wordt gehouden. Maar meestal wordt er toch gesproken. Dat doe je in de taal van de passant – als je die kent. Is dat nog een mysterie? Dan gebruik je de landstaal van de plek waar je bent. En als je die taal niet machtig bent, dan mompel je gewoon “morgen.” De intentie van een gemompelde morgen begrijpt iedereen.

    Smalltalk kan je dan weer gebruiken bij een naaste buur: ‘Mag ik je wasdraad gebruiken?’, ‘Stoort het dat ik de hangmat aan deze boom bevestig?’ Smalltalk wordt ook gebezigd tussen landgenoten – of op vakantie in eigen land; tussen streekgenoten. En zo werden we dus op dag één aangesproken door de man in de purperen T-shirt. Op dag twee hadden we door dat de man, woonachtig in Zwijndrecht, een campingklever was. Campingklevers zijn (meestal) mannen die rondstruinen op de camping, in alles een aanspreekpunt vinden, dat onderwerp in luttele seconden op zichzelf kunnen betrekken, zeer moeilijk te lossen zijn en daarom best te mijden. Deze man had daarbovenop zijn techniek geperfectioneerd door zijn hond (Wini) regelmatig te laten ontsnappen. Zij werkte met hem samen, stal de aandacht van een willekeurige campinggast en bleef er naast staan totdat de purperen T-shirt zijn prooi had gevangen. En met prooi bedoel ik niet Wini.

    Ik kon die man niet aan op een nuchtere maag. Vandaar dus die duik achter de haag.

    Ik was uitermate voorzichtig. Ik kon me beter wat langer gedeisd houden, dan mijn schuilplaats te verraden. Ik koppelde het nuttige aan het aangename en met een grote hap uit een van de croissants berustte ik in de situatie. ‘Wini! Wini!’ Ik verstijfde. De campingklever had – al dan niet moedwillig – zijn hond losgelaten. Ik drukte me met mijn rug tegen de haag maar ik had evengoed rechtop kunnen springen en beginnen zwaaien. Wini had me in een mum van tijd gevonden. In de ijdele hoop dat ze nog een ander slachtoffer zou vinden, bleef ik achter het haagje zitten en duwde haar van me weg. Het mocht niet baten. Ze bleef vrolijk blaffen.

    De glimlach op het gezicht van de campingklever verbreedde van oor naar oor toen hij me zag. ‘Wat doe jij hier? Is er iets aan de hand?’ vroeg hij. Ik wees naar de grond en antwoordde: ‘Nee, nee, er is niets aan de hand. Ik, euh… ik, ik zag hier net een… een kikker! … voorbijspringen en ik wilde jouw hond van het beest weg houden.’ ‘Een kikker, zeg je? Wel ik zag gisteren een reusachtige pad en zo veel salamanders dat ze niet meer te tellen waren. Ik ken hier toevallig de beste plekjes in het bos. Zelfs de mensen uit het dorp komen me vragen waar ik die beesten altijd vindt. Je moet weten, de beste plaatsen in Europa om zo’n beesten te zien is in het zuiden. Ik ga elk jaar op reis naar Kroatië en je zal het niet geloven, maar daar is de omgeving zo weids en de kust zo mooi dat dat land je nooit zal vervelen. Wat ik daar allemaal heb meegemaakt…’ Ik wilde de man onderbreken, maakte aanstalten om door te gaan, maar hij positioneerde zich zo dat ik hem opzij had moeten duwen om daar weg te geraken. Dus bleef ik staan. De man vertelde onverstoord verder: ‘dus, die streek waar ik naartoe ga is zo rustig, én goedkoop dat ik vrienden van me vroeg ook naar daar te gaan…’ Ik keek hulpeloos naar onze tent in de hoop de aandacht van mijn wederhelft te kunnen trekken. Die had ik blijkbaar al: hij grijnsde ondeugend met zijn tas koffie hoog in de lucht gestoken. Ieder op zijn beurt, ieder op zijn beurt, hoorde ik hem al zeggen.

  • 14 augustus 2022

    Rapporten

    Ik was druk in de weer met de voorbereidingen van die avond toen ik een bericht ontving van mijn gaste. Of we alsjeblieft niet over de rapporten van de kinderen wilden beginnen. Niet dat haar jongens de buizen aan elkaar regen, maar ze had het graag gezellig gehouden. Voor alle zekerheid lichtte ik ook mijn wederhelft in:

    ‘Dus ik mag niet vragen naar hun rapport?’

    ‘Inderdaad, zo moeilijk is dat toch niet?’

    ‘Dan vraag ik wel naar hun plannen in de zomervakantie.’

    ‘Kei goed… wacht… néé! Ze hebben allebei een vakantietaak! De zomer is zo goed als naar de haaien voor hen. Dus ook niet vragen naar hun plannen deze vakantie.’

    De wederhelft wreef zich over het hoofd en dacht diep na. Achteraf gezien had ik het gesprek daar niet mogen afronden. Maar ik had nog zo veel werk te doen. Niet vragen naar de rapporten. Dat kon toch niet mislopen?

    Het weerzien was hartelijk. We wisselden vakantietips uit, praatten over onze jobs en de vermaledijde corona die nog steeds overal komt tussenfietsen. Het ging zo verbazingwekkend goed dat ik het gezelschap aan mijn wederhelft durfde toe te vertrouwen om zelf het voorgerecht te gaan afwerken. Met de handen vol liep ik een kwartiertje later terug het terras op. Ik zag mijn vriendin nog een snijdend handgebaar langs haar hals maken, maar het was te laat. De vraag was al vertrokken:

    ‘En vriend, wat hebt ge al gedaan deze verlof?’ vroeg de wederhelft aan de oudste van de twee broers. ‘Naar de zee geweest.’

    ‘En was het leuk aan zee?’

    ‘Nee, niet echt.’

    De vader kuchte net iets te opvallend en de moeder van de jongen keek me haast smekend aan: ‘Stop-Hem-Nu!’ schreeuwde haar blik. Ik moest mijn wederhelft afleiden van het gesprek, dus vroeg ik hem om de plateau van me aan te nemen. ‘Zet het hier toch gewoon op tafel,’ antwoordde hij en wees daarbij naar de zee van plaats. Daarna richtte hij zich terug naar de jongen: ‘En waarom was…’

    ‘Schat,’ onderbrak ik hem, ‘kan je alvast de rol keukenpapier gaan halen. Ik vrees dat je het nodig zal hebben’. Met grote tegenzin liep hij naar de keuken en terug. En nog voor hij neerzat begon hij, zoals ik verwacht had, opnieuw over die vakantie aan zee. Er ontsnapte me een diepe zucht. Er was geen andere uitweg meer; ik reikte hem een tas gazpacho aan en liet ze uit mijn handen schuiven nog voor hij ze kon aannemen. De koude soep kwam gericht neer op zijn T-shirt en broek. In een vloeiende beweging stak ik hem het keukenpapier toe.

    Mijn vriendin keek me met grote ogen aan. Ik knipoogde naar haar. Dit had ik, vond ik van mezelf – weliswaar wat drastisch – redelijk goed aangepakt. Daarna volgde ik de foeterende wederhelft naar de keuken waar hij zijn T-shirt uittrok en met een handdoek zijn broek probeerde schoon te vegen.

    ‘Niet vragen naar de rapporten en de schoolvakantie…’ siste ik met de tanden op elkaar.

    ‘Wat? Bedoel je nu dat je die soep opzettelijk over me heen hebt gegoten?’

    ‘Ik zag me geen andere uitweg. Trouwens het is je eigen schuld. De instructies waren duidelijk.’

    Binnensmonds mompelend ging hij naar de slaapkamer om propere kleren aan te trekken en ik voegde me opnieuw bij het gezelschap met de ijdele hoop de sfeer te kunnen redden.

    ‘Wij wonen hier twintig kilometer vandaan,’ zei de vader tegen zijn zonen. ‘En hoe snel iemand fietst? Met de spierfiets denk ik gemiddeld vijftien kilometer per uur.’

    ‘Hoelang zouden we er dan over doen om hier te geraken?’ vroeg de jongste aan zijn grote broer. Die nipte van zijn drankje en schudde het hoofd. Er volgde geen antwoord. ‘Alé, kom jongen,’ zei ik iets te opgewekt, ‘dat is toch een eenvoudig rekensommetje?’ De moeder en de vader sloegen tegelijkertijd een hand voor de ogen en de oudste zoon wierp me een vernietigende blik toe; ‘Ik heb een vakantietaak voor wiskunde. Wist je dat dan niet?’ Achter me hoorde ik de wederhelft in het deurgat gniffelen. Eerst dacht ik dat het leedvermaak was, maar dan bleek hij gewoon zijn pret niet op te kunnen. Hij kwam naast me staan in zijn lelijkste, veel te kleine, T-shirt met daaronder een fluogroene zwemshort waarvan ik niet eens wist dat hij die nog in de kast had liggen. Hij kneep me in de schouder en redde de avond: ‘En wanneer begint de voetbal terug?’

  • 31 juli 2022

    Hondentaal

    Vrijdagochtend, tien uur. De haarbal en ik verlaten het huis. Op het einde van de oprit scan ik de straat. Links van ons is er niemand te bespeuren. Ik zucht opgelucht; De eerste vijf minuten zullen alvast rustig verlopen. Aangekomen bij de hoek van de straat, kijk ik alle richtingen uit en kies die kant waar er geen andere honden zijn. Want van zodra de haarbal een andere viervoeter in de mot krijgt, kan hij zijn jeugdige enthousiasme niet meer onderdrukken. Een passage verloopt nooit – maar dan ook écht nooit – zonder gedoe.

    We  bereiken het jaagpad. Terwijl de haarbal met zijn neus in het decor steekt, zie ik in de verte onheil naderen: een uit de kluiten gewassen hond die met zijn baasje op de wandel is. Er zijn voorlopig geen uitwijkmogelijkheden dus parkeer ik James langs de kant van de weg en laat hem naast mijn voet zitten. En blijven. Hij doet het voorbeeldig. In tegenstelling tot zijn soortgenoot. Grollend en met de haren omhoog komt ie dichterbij.

    ‘Mag heum is snuffele?’ vraagt de eigenaar van de groller. Ik aarzel en zelfs bij James is er van keer weinig animo te bespeuren. ‘Die ‘n van ulle is toch ne brave, hé?’ De absurditeit van de vraag dringt traag tot me door. Zwanst die man? Zijn hond staat op het punt de mijne te verorberen en het zou míjn viervoeter zijn die gevaarlijk is? ‘Deze wel. De jouwe daarentegen,’ antwoord ik. Pas dan lijkt de passant te beseffen dat we niet echt openstaan voor een verkennende snuffelronde. Met de lijn strak gespannen wandelen ze van ons weg.

    ‘Vrij,’ zeg ik tegen de haarbal en begin terug achter hem aan te slenteren. Er is niets leuker voor hem dan door de hoge graskant te struinen. Ik onderga het trage tempo vandaag en neem de omgeving helemaal in me op. Een boot. Paarse bloemen, gele bloemen. Een aanstormend peloton coureurs. Een scholekster. Een gepensioneerd koppel op elektrische fietsen. Een jogger. Huh? Wat loopt daar nu naast? Een kleine hond? Geïntrigeerd blijf ik naar het komische duo kijken.  Een onverzorgde man in trainingspak en een kleine Franse bulldog die – letterlijk – uit zijn vel lijkt te springen, komen ons achternagehold. Net wanneer ik dacht dat het vandaag niet veel gekker meer kon worden, stopt de man op een kleine afstand van ons, hijgend en met de handen op de knieën.

    ‘Kijk Maurice,’ hapt de man naar adem, ‘wat toevallig dat we een ander hondje op onze wandeling tegenkomen. En wat denk je, Maurice? Zou dat ander hondje met jou willen spelen? Wat? Wil je vragen of het hondje mee naar de hondenweide wil gaan? Dat zou je wel willen, hé Maurice. Met het hondje op de hondenweide gaan spelen. Zouden we het vragen?’ James is ondertussen extatisch, maar geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt dat ik hem op dezelfde manier zou aanspreken. ‘Ik denk dat James ook graag wil spelen.’ ‘De hondenweide is hier vlakbij,’ vergoelijkt de man zichzelf. ‘Dat weet ik. We wandelen wel even mee.’

    Op de wei rennen de twee viervoeters als bezetenen achter elkaar aan. De man knoopt een gesprek met me aan. Dat hij zelden iemand op de hondenweide tegenkomt en dat dat zo jammer is. Hij polst naar waar ik woon, wordt euforisch als hij hoort dat we vlakbij elkaar wonen en stelt voor om vaker af te spreken op de wei. ‘Je kan bij mij komen aanbellen, ik ben altijd thuis. Je wandelt dan door naar de weide hier en ik ben er dan tien minuten later.’ Op hetzelfde moment zie ik dat Maurice mijn haarbal voor de derde keer langs achter probeert te pakken. De man ziet het ook en rent naar de honden toe. Hij graait naar zijn hond, mist, struikelt en gaat in een vloeiende beweging, net naast de honden, tegen de vlakte. Zijn hond verliest in de commotie zijn focus niet en blijft naar een opening zoeken, terwijl James – hijgend van vermoeidheid – naar een overvliegende duif staart.  

    Waar ben ik terecht gekomen? Gefrustreerd roep ik: ‘Bijt dat mormel toch in de ballen!’ De man die ondertussen moeizaam recht kruipt, grijpt instinctief naar zijn kruis. Ik sla een hand voor de ogen en schud het hoofd. Waarom ben ik toch meegekomen naar deze hondenweide? Ik lok mijn haarbal met de magische woorden: ‘James Koek!’, lijn hem aan en maak me uit de voeten. Langs deze weg wandelen we nooit meer.

  • 17 juli 2022

    De laatste Zwembeurt

    18°c gaf de thermometer in rode digitale cijfers aan. Met enige terughoudendheid stak ik mijn grote teen in het water. Vréselijk. Waarom deden ze er geen twee of drie graadjes bij? Dat zou het zwemmen zoveel aangenamer maken. Maar kom, ik was daar om baantjes te trekken, niet om te zeuren over de watertemperatuur. Mijn spieren zouden snel genoeg opgewarmd zijn. Ik moest alleen nog de juiste baan uitkiezen.

    Er waren er vier, netjes van elkaar gescheiden door aan elkaar geregen rode en witte ballen. Aan de rechterzijde was er een trage baan, waarin de iets oudere dames zelfs de haren die onder hun badmuts kwamen uitpiepen, drooghielden. Héél kunstig zwommen ze met de schouders ver boven het watervlak uit. In combinatie met de continue stroom kletspraat vergde die zwemstijl zo veel energie, dat er hen niets meer restte om iets van snelheid te maken. De file die zich achter de dames had opgehoopt was weinig aanlokkelijk, dus verschoof ik mijn focus naar de andere zwemmers. In de baan ernaast crawlden er twee jongmannen in nauw aansluitende speedo sneller dan hun schaduw en in de twee resterende banen varieerde de snelheid van gewoon rap tot héél rap. Ik zou uit mijn pijp moeten komen.

    Met mijn duikbrilletje op, sloot ik – in de minst ‘rappe’ baan – achter de snelste zwemmer aan. Niet dat ik hem zou kunnen bijhouden, maar het zou lang genoeg duren voordat hij aan mijn voeten kon komen kietelen. Eén kilometer zwemmen was het doel. Veertig keer de kant aantikken. En dat binnen het halfuur.

    Tik. Achttien. Tik. Negentien. Wat was ik goed bezig. Tot ik iets bizars onder water zag. Zonder vaart te minderen ontweek ik het obstakel. Had ik dat goed gezien? Tik. Twintig. Een wc-papiertje. Hoe kwam dat in hemelsnaam in het water terecht? Was het aan een voet blijven plakken? Was het gebruikt? Tussen bil en broeksrand blijven steken? En hoe kon het dat zo’n superdun velletje heel kon blijven? Tik. Eenentwintig.

    Heel? Waar haalde ik het? Bij de volgende passage was het in twee gebroken. Daarna in vier. De destructie ging exponentieel door tot het papiertje niet meer was dan een wolk fijne pluche. Tik. Zesentwintig. Het angstzweet brak me uit (inderdaad, zelfs onder water kan je zweten). Zou ik van baan veranderen? Er gewoon uitstappen? Die wolk pluche was toch het zuiverste bewijs dat een zwembad een gore bak smerig water is? Tik. Zeventwintig.

    Aargh! Wat voelde ik daar aan mijn voeten?  Gedver! Ik werd ingehaald. Dat stom papiertje had me doen vertragen. Ik keek achterom. De file van de twee nijlpaarden in baan één verdween in het niets bij de mijne. Een crawlzwemmer naast me, spette dan ook nog ’s hard in het water. Ik schrok op. Mijn benen zakten naar beneden en ik schakelde over van schoolslag naar baksteenslag. Lichtjes in paniek hapte ik nog naar adem. En Gulp! Daar ging een grote teug water binnen.

    Elk mogelijk alarm in mijn lichaam ging af. Gelukkig, met ondersteuning van de file achter me geraakte ik aan de kant. Een iets té behulpzame hand gaf mijn achterwerk een stevige duw waardoor ik als een aangespoelde walrus proestend op het droge belandde. Daar bleef ik even liggen. De badmeester had de wellevendheid toch even te komen informeren naar wat er precies gebeurd was. Op zijn slippers kwam hij mijn kant uit gesloft. ‘Alles oké madam? Is er iets voorgevallen?’ ‘Ik… Ik… Papiertje… Stuk… Smerig…’. De badmeester trok een wenkbrauw omhoog. Hij zou nooit toegeven dat zijn water de smerigste boel in de wijde omtrek was. Ik stond op en droop af.

  • 3 juli 2022

    Steenezels

    Hoe gezellig het interieur van onze stamkroeg ook mag zijn, de hoge lambrisering en meubilair zijn zo donkerbruin dat het er dag en nacht schemerig is. In de donkerste periode van het jaar nodigt het uit om er onder de kerstverlichting (die trouwens het hele jaar door brandt) uren door te brengen. Maar in de zomer zijn we maar wat blij dat we kunnen verkassen naar het terras met zijn versleten parasols en wankele tafeltjes. Bierviltjes in twee of vier plooien en de juiste tafelpoot uitkiezen om ze er vervolgens minutieus onder te schuiven, is hier tot een ware kunst verheven.

    Met onze hond, James, aan onze voeten bestellen we een tweede rondje bollekes. Heerlijk toch! Iedereen is gelukkig. De staminees groeten elkaar hartelijk. En één in het bijzonder komt langs voor een stevige knuffel. Gewoon al voor dit moment overweeg ik nooit langer dan drie seconden mijn alcoholconsumptie te minderen.

    Ook fietsende passanten worden aangetrokken tot de gezellige bedoening hier. Ik gok dat het hoopje elektrische fietsen, half op de stoep en half op het terras geparkeerd, toebehoort aan het onbekende, en tot daarnet nog bevriende, viertal twee tafeltjes verder. Zo even gingen ze nog op in het decor, maar naarmate ze steeds luider beginnen te praten worden de oren op het terras gespitst. De blikken van de andere staminees kruisen elkaar veelzeggend. Het is onmogelijk het gesprek dat het viertal voert nog te negeren.  

    ‘Ik ben behoorlijk koppig, maar jij…’ De man die met zijn rug naar ons zit wijst naar zijn evenbeeld met baard aan de andere kant van de tafel: ‘… jij spant de kroon!’ ‘Koppig is zo negatief,’ sust de vrouw naast hem. Naar wat ik vermoed dat het haar schoonzus is, vult de dame aan: ‘Koppig zijn is heus niet hetzelfde als discuteren.’ ‘Dankjewel zoet,’ antwoordt de man met de baard en kijkt daarbij met tot spleetjes geknepen ogen naar zijn broer: ‘Het is afhankelijk van de manier waarop je de zaken verwoordt.’ ‘Daar gaat het niet om! Koppig zijn is het doorduwen van meningen. En dat doe jij als geen ander!’ antwoordt die. ‘De. Pot. Verwijt. De. Ketel!’ sneert de man met de baard terug. Hij spuugt de woorden uit. Ik zie met afgrijzen de speekseldruppeltjes in de glazen van het gezelschap belanden.

    Mijn wederhelft geeft me een stomp. ‘Stop met die mensen zo af te luisteren. Het wordt gênant,’ sist hij. ‘Ik luister die mensen n…’ Zijn priemende blik zet me op mijn plaats. Ik was ze wel aan het afluisteren en in gedachten was ik dit stukje al aan het schrijven. ‘Wie is bij ons de koppigste?’ vraag ik met gespeelde onschuld. ‘Dat is een retorische vraag waarop we beiden het antwoord weten,’ antwoordt de wederhelft overdreven serieus. Dit laat ik niet over mijn kant gaan. Wat denkt hij wel? Ik ben echt niet koppig in de negatieve zin van het woord. Dus ik antwoord: ‘Ik sta heus wel open voor argumentatie! En in tegenstelling tot jou, denk ik niet zwart-wit. Het is niet omdat ik een goed onderbouwde mening trouw blijf dat dat betekent dat ik koppig ben.’

    De wederhelft nipt van zijn bolleke in een poging zo zijn plezier te kunnen verbergen. Het lukt hem niet. Maar nog voor ik opnieuw van leer kan trekken, zucht hij met een glimlach: ‘Wie zegt dat ik het over jou had, schat? Volgens mij is de koppigste van ons, de haarbal die hier aan onze voeten ligt. Maar als jij je zo aangesproken voelt, moeten we de fakkel van James misschien wel aan jou doorgeven.’

  • 19 juni 2022

    Hussein

    Hij reageerde gespeeld teleurgesteld: ‘Nog nooit? Nog nooit?’ Zijn stem schoot twee keer enkele octaven de hoogte in. Ik schudde wat gegeneerd het hoofd. ‘Heel veel andere landen, maar Jordanië nog nooit.’ Ook hij schudde zijn hoofd. Wat meewarig, alsof hij me máár wat zielig vond. ‘Jordanië staat wel op mijn bucketlist,’ verdedigde ik me. Dat was nog geeneens gelogen. ‘Toch, is het er nu niet erg gevaarlijk? Daar in het Midden-Oosten?’

    Hij schudde opnieuw het hoofd, maar ditmaal oprecht verontwaardigd. De beperkte tijd die we nog hadden negeerde hij. Jordanië was groots! De koning veruit het beste wat het land overkomen was. Alle bevolkingsgroepen leefden er vreedzaam samen. Christenen, Joden, Moslims, Boeddhisten, noem maar op. En iedereen die aan de grens stond en daar anders over dacht werd door de koning onverwijld teruggestuurd. In Jordanië was alles vreedzaam. Toen hij, Hussein, achttien was vroeg er iemand welk geloof hij beleed. Hij had geen idee. Iedereen was in ieders huis welkom. Hij wandelde overal binnen. In kerken, moskeeën, tempels… Er was geen discriminatie. Geen racisme. Geen honger en geen dorst.

    Waarom hij het beloofde land verliet? Ze zochten in Europa arbeiders om asbest te verwijderen. Hij wist niet hoe kwalijk die job zou zijn. Hij zou goed geld verdienen en snel weer naar Jordanië kunnen teruggaan om een gezin te stichten.

    Waarom hij niet naar zijn geboorteland terugkeerde? Asbestose, mevrouw. Hij kon niet terug. Omdat hij te ziek was, en niet meer werken kon. Hij had geen longinhoud meer en geen kinderen die voor hem zouden kunnen zorgen. Nu was hij te oud.

    Maar dan volgde er een grote glimlach. Hij zou zijn familie bezoeken. Zijn broers en zussen. Wat keek hij daar naar uit! Over veertien dagen vertrok hij. Een vakantie van vier weken. Elke dag zou hij me foto’s doorsturen van zijn prachtige land en haar inwoners. Ook ik keek er naar uit.

    Deze week stuurde hij me een eerste foto. Het was een attest van de dokter. Hij mocht niet reizen. Ik belde hem op. De asbestose tastte niet enkel zijn longen aan. De dokter sprak van uitzaaiingen in de pancreas en lever. Zijn reis zou worden uitgesteld en niemand die hem zeggen kon hoelang…

  • 5 juni 2022

    De Vlieg

    Ik wandelde langsheen een bosrand. De zonnestralen deden mijn huid tintelen. Vitamine D werd haast voelbaar subcutaan aangemaakt. Het zoemen van de insecten die, net zoals ik, genoten van de intense natuurlijke warmte, overstemde de artificiële geluiden van bosmaaiers en bladblazers in de verte. Eén insect in het bijzonder zoemde veel luider dan de anderen. Was het zo dichtbij? Gedver, het beest landde net boven mijn lippen.

    In plaats van het weg te wapperen had ik het lumineuze idee om het ongedierte weg te blazen. De lippen ferm op elkaar geperst haalde ik via de neus diep adem om het daarna – dat was het plan – met een stevige luchtverplaatsing andere oorden te laten opzoeken. Ik zoog zo hard ik kon via de neus mijn longen vol en… floep: daar ging ie! Minutenlang voelde ik het beestje spartelen en hoorde ik het zoemen in een holte tussen neus en oogkas. Lichtjes in paniek repte ik me naar de huisarts.

    ‘En wat denkt u dat er in uw sinusholte zit?’

    ‘Een vlieg dokter. Of een ander vliegbeest. Maar ik heb dat beest dus…’

    ‘… Opgesnoven, nabij de bosrand. Jaja, dat vertelde u me eerder al.’ Hij keek me vanachter zijn lampje en lange pincet argwanend aan. ‘Ik kan werkelijk niets zien, hoor.’

    ‘Ik voelde het nochtans erg lang spartelen. Hier.’ Ik wees daarbij gericht naar de plek waarvan ik zeker was dat het beest er nog moest zitten. Toch? Waar had het anders naar toe kunnen zijn?

    Terug buiten op de stoep, een fortuin lichter na de spoedconsultatie, huiverde ik bij het idee dat ik een ongewilde gast met me mee naar huis zou nemen. De dagen daarna was de snottebellenproductie van die aard dat ik amper nog onder de mensen durfde te komen. Dag en nacht, snoot ik zakdoeken vol.

    Tot drie dagen later, met een hevige niesbui, de vlieg naar buiten werd gekatapulteerd. Ingekapseld in geel slijm lag het als een stilleven in de laatste propere zakdoek die ik nog had. ‘Zie je wel! Zie je wel!’ Ik wilde de wereld laten zien dat ik toch niet gek geworden was. Een foto zou ik nemen en die naar mijn huisarts doorsturen, met hetzelfde onderschrift: ‘zie je wel!’ Maar ik hield me in en stak de zakdoek discreet weg. Ik zou straks mijn trofee nog ’s bewonderen. In mijn eentje. Zonder getuigen. Dit was míjn vlieg.

←Vorige pagina
1 … 6 7 8 9
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 67 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen