Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 10 september 2023

    Rommelmarkt

    Het is een stilzwijgende afspraak. Vergelijkbaar met Monopolie. Eén keer per jaar gaat de wederhelft mee over een rommelmarkt. Eén keer. Net zoals Monopolie. Dat spelbord wordt ook maximaal één keer per jaar opengevouwen. Dat maakt dat ik – wat de rommelmarkt betreft toch – elk jaar een strategische keuze moet maken. Binnenland versus buitenland. De bereikbaarheid. De grootte versus de reputatie van de markt. Het weer. De tijd van het jaar. De randanimatie… Je kan je niet voorstellen welke parameters er bij zo’n keuze van tel zijn. Dit jaar koos ik voor nabijheid, zonder gedoe. De dorpsrommelmarkt op wandelafstand en de haarbal mocht mee.

    Bij de eerste stand werden verroeste stukken verkocht die, volgens de wederhelft, allemaal oude gereedschappen waren. Hij bleef lang gefascineerd staan kijken. Er kon zowaar iets bruikbaars tussen liggen. Mijn oog viel op een bak gebruikte vijzen. Ik wilde verder gaan. De haarbal wilde rechtsom keren. Toen wist ik al dat ik een verkeerde keuze had gemaakt. Ik wachtte geduldig – dat had ik toen nog – en was opgetogen wanneer de wederhelft de pijptang terug op zijn plaats legde. ‘Die zie je ook niet vaak meer,’ zei een voorbijganger doelend op de haarbal. Zijn vrouw draaide zich om met een emmertje wasspelden in haar hand. ‘Wat is ie dik!’ zei ze al lachend. ‘Hij is niet dik,’ repliceerde ik, ‘hij is zo gebouwd.’ ‘Ja, hoor…’ zei ze en begon af te bieden op het emmertje.

    De haarbal had succes. Om de haverklap werden we aangesproken. Alle kinderen wilden hem aaien. Haast iedereen was aardig. De haarbal vond het geweldig! We waren natuurlijk niet de enige bezoekers die hun viervoeter hadden meegenomen. Onze haarbal wilde ze allemaal dag zeggen. Wat onmogelijk was in de mensenzee, die op zijn ooghoogte het dubbele aan benen telde. Bij de minste afleiding zou hij verstrikt kunnen geraken. Ik had geen zin in gedoe. Daarom moest de haarbal “aan de voet” lopen. Dat deed hij door al de afleiding daar met tegenzin en alleen in ruil voor snoep, dus hield ik de ene na de andere koek voor zijn neus. We wandelden zo redelijk vlot voorbij een tafel waarop twee vrouwen, druk keuvelend, hun oude garderobe hadden uitgestald. Alles aan twee euro. De jurken kostten er vijf.

    Ik bleef staan bij een kraam met tweedehands boeken. Het koppel marktkramers – ze waren  te goed georganiseerd om hobbyisten te zijn – had ook een hond. Dat bemoeilijkte het snuisteren. Onze haarbal dook steeds weer de tafel onderdoor. Ik vond het irritant. Het koppel niet, de man had altijd al dat model van hond gewild. Hij vroeg me de pieren uit de neus. Dat bemoeilijkte het snuisteren nog meer. Van de wederhelft was er geen spoor meer te bekennen. Ik wierp nog een laatste blik op de gekreukte boekomslagen. Het beloofde nog vermoeiend te worden. We waren nog geeneens halfweg.

    Met het koekiemonster ter hoogte van mijn knie baande ik me een weg tussen het volk, op zoek naar de wederhelft. Ik zag hem bij een tafel met glazen, servies, plastiek potjes en andere huis-tuin-keuken-rotzooi staan. ‘Wat sta je hier bij deze hoop brol te doen,’ vroeg ik. ‘Brol?’ onderbrak de man aan de andere kant van de tafel me. Ik kreeg geen tijd om te verontschuldigen, ik had de lijn van de haarbal gelost. Die was tot bij het kraam ernaast geraakt en stond kwijlend bij een berg knuffels. Hij had er maar een uit te kiezen. Maar nee, die waren niet goed genoeg. De haarbal hapte naar de gele Minion van een meisje dat bij de berg stond. ‘Die was toch te koop?’ vroeg ik aan de moeder van het in huilen uitgebarsten kind. De moeder schudde traag het hoofd en stak, met de palm naar boven gericht, haar hand naar me uit. ‘Dat is dan twintig euro,’ zei ze met een gladgestreken gezicht.

    ‘Kijk, wat een dikke hond,’ fezelde er iemand achter mijn rug. ‘Mijn-hond-is-niet-dik!’ gilde ik. De wederhelft kwam toegesneld om me te helpen. Althans, dat dacht ik. ‘Heb je een zak bij?’ vroeg hij en toonde daarbij trots een gigantische berg Tupperware potjes van Chinese makelij die hij tussen zijn ellebogen, onderarmen en beide handen ingeklemd hield. ‘Ben je helemaal gek geworden? Wat heb je voor die brol betaald?’ schreeuwde ik. ‘Ik verkoop geen brol!’ riep de man vanachter zijn tafel terug. Ik kan niet meer zeggen hoe, of in welke volgorde, ik het kind heb gekalmeerd, haar moeder afkocht, de haarbal in toom hield en een plastiek zakje uit mijn handtas toverde. Ook niet hoe, of langs waar ik de markt ben afgeraakt. Wel dat ik in de ene hand een gele Minion vasthield en met de andere de haarbal net niet wurgde.

    Volgend jaar pak ik het anders aan. Dan ga ik zelf achter een vouwtafel of twee staan. En bij een goed idee, horen notities. Ik neem pen en papier:  De publiekstrekker op vier poten bind ik vast aan een tafelpoot aan de straatzijde. Ik zie de opstopping al voor me. Laat ze dan maar zeggen dat de haarbal dik is. Iedereen zal halt moeten houden bij mijn kraam. Ik zet er de lelijkste borden en glazen op waar ik thuis geen set meer van kan maken. Ik hang de kledij waar we niet meer in kunnen aan een kledingrek. 2 euro ’t stuk. Noot: misschien een tweede rek voorzien.  Uit de garage neem ik het oudste en meest verroeste gereedschap. Een bak met kromgeslagen nagels en gebruikte vijzen ook. Namaak Tupperware kan erbij en misschien dat ik het bordspel Monopolie verkoop: zo goed als nieuw. Amper gebruikt.

  • 27 augustus 2023

    Het huis van de burgemeester

    ‘De deur naar de keuken moest van de burgemeester vanaf valavond altijd toe. Dat staat me heel helder bij: Porte arrière toujours fermée.’ Ik geef de wederhelft gelijk: dat had de burgemeester inderdaad gezegd. Uitdrukkelijk zelfs. Iets met everzwijnen die hier ’s nacht rondstruinen en zomaar in de keuken durven te belanden. Over vleermuizen had hij niets gezegd. ‘Maar nood breekt wet, toch? Of een heleboel porseleinen borden…’ zeg ik en wijs naar de antieke wandkast waar de burgemeester zijn mooiste servies heeft uitgestald.  Fijn beschilderde witte borden, elk bord een eigen tafereel. ‘Ik wed dat ze handgeschilderd zijn. Hebben we een goede verzekering?’ vraag ik aan de wederhelft. ‘Maak het niet erger dan het al is,’ antwoordt die. Een constructieve oplossing heeft hij nodig.

    Hoe waren we in deze benarde situatie verzeild geraakt? Impulsief. De wederhelft en ik boekten vorige maand een reis naar het Zuiden van Frankrijk. We hadden toen nood aan een streepje zonneschijn. Bij de start van onze zoektocht naar een vakantiehuis was het al meteen duidelijk: de toplocaties waren allemaal verhuurd. Of toch niet? We vonden een “charmante” alleenstaande woning. Pal tussen de Lot en de Dordogne, waarvan ik niet wist dat ze zo dicht bij elkaar lagen. Te mooi om waar te zijn? Natuurlijk…

    Aangekomen, verwittigden we de burgemeester en wachtten bij de voordeur. Ik klappertandde en nam alvast een fleecetrui uit mijn reistas. Het “charmante” huis bevond zich namelijk op een hoogplateau dat tussen de twee rivieren oprees. Ver beneden onder ons, aan de oevers van de Lot en de Dordogne, was het lekker warm. Boven op de berg mochten we er tien graden afdoen. De woning had in het Franse Bokrijk niet misstaan. Gebouwd nog voor de eeuwwisseling. Die van 1900, bedoel ik. Dat stond niet op de website van de verhuurmaatschappij. Het was de burgemeester die tijdens de rondgang door het huis met trots vertelde dat zijn grootmoeder in 1899 op Maria-Lichtmis in een tobbe in deze keuken het levenslicht zag.

    De burgemeester was nostalgisch ingesteld. Hij had spijt van zijn verhuis naar een comfortabeler appartement in het dorp twee kilometer verderop. Dat geloofde ik niet. Zijn vrouw was wat ziekjes geworden. Dat geloofde ik dan weer wel: iedereen zou ziek worden tussen die vochtige muren. De burgemeester bleef in de stoffige woonkamer lang stilstaan bij de staande klok die niet stilstond en ons daar elk kwartier aan zou herinneren. ‘Antiquité précieuse,’ zei hij. Moesten we afblijven. Aan de inrichting en de kleuren van de tegels konden we ervan uit gaan dat er in de jaren zestig een nieuwe badkamer was geplaatst. Dat was meteen het enige “moderne” lichtpuntje. Tenslotte kwamen we via de keuken en haar achterdeur uit in een tuin die sinds de jaren 80 niet meer was onderhouden. Het doorgeschoten onkruid was een bos geworden. Dat trok wilde dieren aan. Everzwijnen. Over vleermuizen had hij niets gezegd. En zo komen we uit bij de discussie waarmee ik dit stuk begon.

    De wederhelft en ik staan voor een stoefkast waarin makkelijk vijftig porseleinen bordjes staan te pronken. Allebei zonder benul achter welk bordje de vleermuis zich verschuilt. De wederhelft klimt op een wankele stoel met een dubbelgevouwen badhanddoek in zijn hand. Heel voorzichtig neemt hij een bordje weg. Nog voorzichtiger neem ik het aan en zet het op de tafel. Zo gaan we door. Bij het vijfde bordje fladdert de vleermuis weg. Ik gil en duik onder de tafel. De wederhelft springt met de handdoek in de lucht naar het beest en belandt naast me op de grond. Zonder vleermuis. Het wordt stil. ‘Zou ze naar buiten gevlogen zijn?’ vraag ik. ‘Of zou hij zich achter een ander bordje hebben verstopt?’ vraagt de wederhelft. We maken het stil en luisteren naar de geluiden van de nacht. Aanvankelijk horen we alleen de bosuil. Daarna ook geritsel in de wandkast. ‘We laten de deur openstaan. Zo kan ie vannacht naar buiten vliegen,’ zegt de wederhelft beslist. ‘En de everzwijnen dan?’ vraag ik. ‘Dat is een gok die we dan maar nemen,’ antwoordt hij.

    De volgende ochtend vinden we de keuken zoals we ze hadden achtergelaten. Vijf bordjes op een stapeltje op de tafel. De andere onaangeroerd in de stoefkast.  We blijven lang staan luisteren, maar horen niets meer. Ik zet de bordjes terug in de kast. De wederhelft maakt warme chocomelk. Dan verschijnt de burgemeester met een verlepte krop sla uit zijn moestuin in de achterdeur. We bieden hem een kop aan en houden de schijn op. Er is niets gebeurd. Over vleermuizen had hij niets gezegd, toch?

  • 13 augustus 2023

    Na regen komt zonneschijn

    Het was de eerste zonnige dag na een periode waarin je spontaan begon te grienen wanneer je ’s morgens de gordijnen opentrok. Niemand die dat had opgemerkt trouwens, want iedereen zat binnen: te schuilen voor de onophoudelijke regen. De weetjes die de nationale weervrouwen- en mannen op het volk afvuurden, konden me de eerste dagen nog troosten. Toch, na drie weken bezorgden de zuiverste lucht sinds jaren, de weinige muggen en het genormaliseerde niveau van het grondwaterpeil me zure oprispingen. Ik had het gehad. Telkens ik mijn kop buiten stak was het aan het regenen. Of het begon gewoon opnieuw. De bosbranden en de recordtemperaturen in de rest van de wereld konden me gestolen worden; ik verlangde naar mooi weer.

    Natuurlijk was ik niet alleen, die eerste zonnige dag. Het volk arriveerde in drommen bij het terras van onze staminee. Alle tafeltjes waren bezet. Walter – waar we anders wel bij hadden kunnen aanschuiven – zat geprangd tussen twee maten, met zijn stoel half op de stoep. Hij haalde verontschuldigend zijn schouders op en trok nog ’s van zijn sigaar. Net op het moment dat ik met de teleurgestelde wederhelft en de tegenstribbelende haarbal – want die verwachte een koekje van de waard – wilde afdruipen, zag ik een hand de lucht in gaan. Ik keek in het rond, op zoek naar de persoon die op het uitnodigende gebaar zou reageren. Maar er was niemand die toehapte. Dus vroeg ik de wederhelft of hij de dame, die steeds wilder begon te zwaaien, herkende. ‘Ben je zeker dat ze geen wesp probeert weg te slaan?’ mompelde de wederhelft en vervolgens iets vastberadener: ‘Ze wuift naar jou, toch? Er is nog plaats aan haar tafeltje. Vooruit. Je bedenkt wel iets.’ Met zachte dwang duwde hij me in haar richting. Ik trok mijn kaken bol in een geforceerde glimlach en stapte op de dame af.

    Ze stelde zich niet voor, feliciteerde me wel met de haarbal (wat is ie mooi) en bood ons een stoel aan. Ik wist absoluut niet wie ik voor me had. Ze was ouder dan ik. En verzorgd: de haren geföhnd, nagels gelakt, sjaaltje om de hals gedrapeerd en fijne hakjes onder een lange jurk. Ze had zo veel over me gehoord. Ik moest het me allemaal niet te veel aantrekken. Ik was goed bezig, hoor. Wist ik dat dan niet? Ik knikte, fronste wenkbrauwen, schudde het hoofd en hapte naar adem. Waar had ze het in hemelsnaam over? Een volle tien minuten praatte ze zo vol en dan kwam de hamvraag; ‘Wat was jouw naam nu ook al weer?’ vroeg zíj. Aan míj. ‘Els,’ antwoordde ik. ‘Hoe toevallig! Ik heet ook Els,’ zei ze. ‘Wat was het fijn om met je te praten, maar nu moet ik er vandoor. Misschien zie ik je nog wel eens.’ En weg was ze.

    Ik zakte murwgepraat onderuit in mijn stoel. ‘Wat voor onzin kraamde dat mens uit?’ vroeg ik de wederhelft. ‘Trek het je toch niet aan, we zitten op het terras. Wat wil je nog meer?’ Hij wenkte de waard. Ik aaide de haarbal over de kop. Het zou een gezellige avond worden. Dat zag je aan de bewegingen op het terras. Als puzzelstukjes werden tafels, stoelen, stam- en andere gasten tot een perfect geheel in elkaar geschoven. Wij schonken met plezier twee vrije stoelen en een halve tafel aan twee vrouwen op leeftijd. Uit dankbaarheid wilden ze ons daarvoor trakteren. Dat hoefde niet. We weigerden beleefd.

    Ik had niet de intentie om te luistervinken. Echt niet. Maar de twee vrouwen praatten over een vreemd voorval niet zo lang geleden. Een van hen was in gesprek geraakt met iemand waarvan ze niet wist waar ze haar eerder had ontmoet. Misschien dat haar vriendin haar wel op het juiste spoor kon zetten. De vreemde dame in kwestie was jonger dan hen, had een verzorgd voorkomen met de haren geföhnd, nagels gelakt, sjaaltje om de hals gedrapeerd en fijne hakjes onder een lange jurk. Dat kon geen toeval zijn. De wederhelft had het ook gehoord. ‘Vraag het dan,’ fluisterde hij. Dat ging ik doen ook. Ik boog me naar de vrouwen toe. ‘Excuseer,’ onderbrak ik hen, ‘ik hoorde u toevallig praten. Ik denk dat ik dezelfde dame zonet ook heb gesproken. En het daagt me niet waar ik haar eerder heb ontmoet. Heette die dame Els?’ vroeg ik. ‘Els, zei je?’ antwoordde de vrouw. ‘Nee hoor, ze heette Marie. Zal ik nooit vergeten, want zo heet ik ook.’

  • 30 juli 2023

    Souvenir

    ‘Wat is dat?’ vraagt de kleine bezoeker. Het korte vingertje wijst naar een houten beeld op de dressoir. ‘Dat is een beeld van Boeddha,’ antwoord ik. ‘Wie is Boeddha?’ Die vraag is moeilijker. Hoe leg je in godsnaam het concept “verlichting” uit aan een zesjarige? ‘Ken je Jezus?’ vraag ik. Hij knikt. ‘Wel, Boeddha is zo’n beetje als Jezus, maar dan hélemaal aan de andere kant van de wereld.’ Hij steekt zijn vinger in de neus. Dat doet hij altijd als hij iets niet begrijpt. ‘Waarom zit hij dan hier in jouw huis?’ Ik glimlach. ‘Dit is niet dé enige Boeddha, hoor. Dit is één beeld, en zo zijn er veel meer.’ Zijn moeder is er komen bij staan. De kleine haalt zijn vinger uit de neus, loopt naar de haarbal en trekt aan zijn staart. De moeder kijkt sceptisch. Waarom koop je zoiets en waarom zet je zoiets prominent in het midden van de woonkamer? zie ik haar denken. Wel…

    De reis in Thailand zat er bijna op. Na een rondreis waren we terug in Bangkok aangekomen. ‘Een souvenir… We moeten een souvenir mee naar huis,’ zei ik. De wederhelft die zijn zinnen op een frisse pint had gezet, zuchtte: ‘Wat had je in gedachten misschien?’ ‘Kom, we duiken deze winkel in,’ antwoordde ik en duwde hem een deuropening in. Met hangende schouders baande de wederhelft zich een weg tussen hopen op elkaar gestapelde brol, tot hij en ik hem zagen. Het Boeddhabeeld. We hielden halt, schouder tegen schouder. ‘Hoeveel kost hij?’ vroeg de wederhelft. ‘Het is niet geprijsd,’ constateerde ik. We waren met andere woorden aan de grillen van de verkoper overgeleverd. En als je over de duivel sprak… Ik gaf de wederhelft een stomp en knikte in de richting van een jonge winkelbediende die op ons af kwam gestesseld. Zonder het beeld nog een blik waardig te gunnen, schuifelden de wederhelft en ik verder, ongeïnteresseerd, en maakten rechtsomkeer bij een rek T-shirts, richting uitgang.

    We zetten ons op een terras aan de overkant van de straat. Het was duidelijk: we wilden dat beeld, maar omdat het niet geprijsd stond, zou de verkoper kunnen vragen wat hij wilde. Wat was het waard? En wat wilde we er voor betalen? We namen alles in overweging, spraken een plafond af en klonken de glazen. Naarmate de tijd verstreek, geraakten de wederhelft en ik er steeds meer van overtuigd dat de verkoper ons ging stropen. Hij wist dat we geïnteresseerd waren. Dus bedachten we een plan. Ik zou informeren naar het beeldje dat ik heel erg graag wilde. De wederhelft zou de prijs vragen, wat lacherig reageren en doen alsof hij de winkel verliet. Ik moest daarop beginnen huilen, en de verkoper zou, overdonderd door het drama, het beeld verkopen aan de prijs die wij ervoor wilden geven.

    Zo gezegd, zo gedaan. De wederhelft en ik stapten haast fluitend de winkel binnen, slenterden nonchalant voorbij de sarongs, magneten, draagtassen, houten beeldjes van allerlei en bleven uiteindelijk staan bij het Boeddhabeeld. Ik wees. De wederhelft schudde het hoofd. ‘Toe,’ zei ik op een universele smeektoon. Hij wreef zijn duim op niet mis te verstane wijze over middel- en wijsvinger. Het werkte. De verkoper kwam op ons af. ‘Kan ik helpen?’ vroeg de jonge man. ‘Graag,’ zei de wederhelft wijzend naar het beeld: ‘Hoeveel kost dat ding?’ De verkoper taxeerde ons van kop tot teen. ‘Hoeveel wil je er voor geven?’ vroeg hij. De wederhelft en ik maakten kort oogcontact. We waren het eens en gaven een onmogelijk lage prijs. ‘Vierhonderd Bath,’ antwoordden we in koor. Omgerekend: tien euro. Het afbieden kon beginnen. Hoe hoog zou zijn tegenbod zijn? De jongeman grinnikte, zei: ‘oké,’, nam het beeld mee naar zijn toonbank, wikkelde het in papier en stak het in een plastiek zakje. ‘Wil je een betaalbewijs?’ De wederhelft en ik stonden perplex. ‘Verdorie,’ siste ik. ‘Dat beeldje is geeneens tien euro waard!’ De wederhelft reageerde niet. De bergruimte achter de verkoper had zijn aandacht getrokken. Daar stonden ontelbaar vele houtsneden van identiek dezelfde Boeddha op een schab op elkaar gepropt. Onze Boeddha was industrieel seriewerk… Maar wie op het thuisfront zou dat merken?

  • 16 juli 2023

    De Bijeneter

    Dinsdag 13 juni: Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje onder de vogelspotters. Er was een koppeltje bijeneters gezien in een onooglijk klein stukje schijnvallei tussen een ijzermarchand en een afvalverwerker. De twee “adulte” bijeneters waren al “foeragerend”, “baltsend” en “parend” gespot in hun “broedbiotoop”. Die informatie was voor de vogelaars voldoende om massaal naar de plek te trekken.

    Natuurlijk wilde ik ook een glimp van de bijzondere vogel opvangen.

    Woensdag 14 juni 07.35u: Ze stonden in drommen langs het jaagpad geposteerd; in camouflagekleur uitgedoste mensen met telelenzen, verrekijkers en professionele camera’s. Ik beken; zelf had ik uit nieuwsgierigheid ook een omweg gemaakt, maar op dat vroege uur was ik toch verrast door hun grote aantal en de uitgestelde apparatuur. Ik parkeerde mijn fiets tussen twee schouderhoge driepikkels en hun respectievelijke eigenaars. Neen, ze hadden de vogels die morgen nog niet gezien. Gisterenavond zaten ze ginds. De man links van me wees naar een boom in de verte. Ze waren er wel, want ze hadden hen al gehoord, verzekerde de man aan mijn rechterzijde me. Het was gewoon wachten tot er iemand een glimp van hen zou opvangen. Tijd die ik niet had. Ik moest me haasten, werd op het werk verwacht, dus nam ik me voor dat ik die avond, op de terugweg, opnieuw bij de vogelaars halt zou houden.

    Woensdag 14 juni 07.42u: In opperste concentratie spiedde ik het jaagpad (opgelet-in-slechte-staat) af naar putten en andere obstakels. Wat verderop zat er een prachtige vogel. Ik herkende hem niet meteen. ‘Wat ben jij mooi,’ zei ik luidop waarna hij opvloog. Zijn blauwgroene buik, felgele hals, en rode kopje vielen meteen op. Zijn snavel deed me denken aan dat van een ijsvogeltje. Maar de vogel daar was groter én mooier. Mijn frank viel: dat was hem. Het was de bijeneter! De vogelaars stonden op de verkeerde plek! Ik moest er spontaan om lachen. Mijn dag kon niet meer stuk.

    Woensdag 14 juni 16.54u: Alle verrekijkers en camera’s stonden gericht op een tak aan de einder. Met het blote oog was de vogel onmogelijk te zien. ‘Jullie hebben hem in het vizier?’ vroeg ik. De vogelaar naast me antwoordde bevestigend en wees in de verte. ‘Als je wil, mag je gerust even mijn kijker gebruiken.’ ‘Nee, dank je,’ zei ik beleefd, ‘heel vriendelijk van je, maar ik zag hem vanmorgen al.’ ‘Waar? Hoe! Wanneer?’ vroeg de man ongemanierd. Ik antwoordde: ‘Honderd meter verder. Daar. Op het jaagpad. Hij vloog weg toen ik er met mijn fiets passeerde. Jullie stonden hier. Maar de bijeneter was daar.’ De man begon heftig het hoofd te schudden. ‘Éen van jullie had zijn kijker die richting uit staan,’ vulde ik aan, alsof ik gevraagd werd bewijslast aan te dragen. ‘Dat kan niet.’ De man liet geen ruimte voor dialoog. ‘Je hebt gewoon een gele kwikstaart gezien.’ Punt. Hij zette zijn oog terug tegen het oculair van zijn kijker. Ik kreeg de kans niet om te zeggen dat een kwikstaart geen blauwe buik en geen rode kop heeft; eenvoudigweg van kop tot staart integraal geel is, maar ik liet de man in zijn waardigheid en vervolgde mijn weg.

    Vrijdag 16 juni 18.41u: De wederhelft en ik passeerden de groep vogelspotters. Ze zagen er – met dat het weekend was begonnen – heel wat minder professioneel uit. Moe van een lange werkweek, toch opgetogen dat ze eindelijk de bijeneter konden spotten. Ze waren erg vriendelijk. Twee mannen met een kijker nodigen ons uit om door de lens te kijken. Ze duldden geen nee. We konden het vrouwtje zien. Het mannetje was van hun radar verdwenen. Ze vroegen zich al enige tijd af waar hij was gebleven. We keken door de kijkers. Het vrouwtje zat op een tak – correctie: we zagen het vrouwtje die “foerageerde”. Niettemin; ze was mooi, maar zat uiteindelijk toch maar gewoon op die tak. Onbeweeglijk. Na twee minuten hadden we het wel gezien. We bedankten het gezelschap en reden verder.

    Vrijdag 16 juni 18.45u: Het zou een boeltje worden. Een cascade van jammerlijke gebeurtenissen. De wederhelft was achter me gaan rijden zodat we de tegenliggers op het jaagpad makkelijk konden kruisen. Een visser die aan de waterkant zat, stak onvoorzien zijn hengel ver naar achter. De tegenliggers rinkelden luid met hun fietsbel. Het geluid schrok enkele duiven op. Die vlogen in een boom. In die boom zat blijkbaar de bijeneter. Die sprong verstoord van zijn tak, zag het rommeltje onder hem te laat, veranderde nog van koers, kon de tegenliggers maar net ontwijken en smakte vervolgens ongelukkig tegen mijn fietstas aan. Hij moest duidelijk even bekomen, bleef onbeweeglijk aan de rand van het jaagpad zitten. ‘Dit ziet er niet goed uit,’ zei ik. ‘Is dat een kolibrie?’ vroeg de visser. ‘We kunnen hem hier niet achterlaten,’ besloot de wederhelft. Ik nam het vogeltje op en zette het in mijn fietsmand. Heel voorzichtig maakte ik rechtsomkeer. Bij de vogelspotters aangekomen, schraapte ik mijn keel. ‘Jullie waren op zoek naar het mannetje, toch?’

  • 2 juli 2023

    Bullenbak

    Even geleden reed ik met de fiets, door de ochtendspits, naar mijn werk in de stad. Ik vermeed de drukke steenweg en koos voor een kleine omweg door het park. We waren met velen die ochtend en ik was sneller dan het gros van mijn lotgenoten. Ook sneller dan een klein gedrongen mannetje op een koersfiets. Ik stak hem in een wijde boog voorbij en bleef, veel langer dan gebruikelijk, in het midden van de brede geasfalteerde parkweg fietsen.

    Het mannetje versnelde even en kwam achter me rijden. Ik wilde hem niet hinderen en week uit naar rechts. Hij deed hetzelfde. Ik ging terug in het midden rijden. Hij ook. Het was een wieltjeszuiger. Doorgaans heb ik geen probleem met die mannen (vrouwen doen dat nooit), maar bij deze wieltjeszuiger had ik meteen een onbehaaglijk gevoel. We fietsten in een park, slalomden tussen wandelaars en kinderen (groot en klein). Hij had niet kunnen stoppen als ik in de remmen had moeten gaan staan… Ik wilde hem sowieso ook niet achter me. Gruwelde zelfs bij het idee…

    Zonder er nog verder bij na te denken, kneep ik de remmen dicht.

    Er volgde een vloek en een resem verwensingen waarvan “achterlijk wijf” nog de meest beleefde was. Het bleek voor hem ook moeilijk te zijn om de scheldtirade te combineren met het fietsen. Zo kwam de brulboei en vijftigtal meter verderop tot stilstand. Dat deed ik ook en behield daarbij wijselijk een veilige afstand. De man bleef tieren. Ik vroeg hem om op te houden en door te rijden, maar dat deed hij niet. Hij moest zijn gelijk halen. Dat ik opperde dat hij te allen tijde moest kunnen remmen om een botsing te vermijden en als hij dat niet kon, hij dan een veiligere afstand diende te bewaren, werkte als een rode lap op een stier. Hij duldde geen tegenspraak. Ik was “een gevaar was op de weg”, “had hem niet mogen voorbijsteken”. Dat ik “beter terug in mijn auto kroop” was zijn beste advies. Ondertussen passeerden er wandelaars en fietsers, snel en traag. Niemand hield halt. Wellicht dachten ze dat ik met mijn grote mond “mijn mannetje” wel kon staan…

    Daar stond ik dan; op enkele meters van een briesende lul met een metalen kadertje tussen zijn spierwitte kromme O-beentjes. Ik vroeg hem opnieuw om zijn weg te hervatten, want geen haar op mijn hoofd dat overwoog terug voor hem uit te rijden. Dat wilde hij niet, maar deed hij uiteindelijk wel, scheldend en tierend.

    Iets verderop, bij het rode licht, sloot ik achter hem aan in de lange rij. Daar draaide hij zich naar me toe en schreeuwde: “Gij zijt zot! Gij zijt zot!’ Hij begon op mijn zenuwen te werken. Het liefst had ik hem daar op zijn plaats gezet, maar er stonden ook moeders met kinderen te wachten, dus ik besloot om van tactiek te veranderen en probeerde hem te bedaren: ‘Kalmeer, man,’ zei ik. ‘Laat het los. Er is niets gebeurd. Geen botsing. Geen schade. Geen gewonden.’ Het mannetje ging daarop door het lint: ‘Wat? En verschieten: da telt ni of wa!?!’ gilde hij in plat Antwerps. Ik schoot in de lach; ‘Nee, meneer,’ antwoordde ik, ‘dat telt niet, nee…’ Hij was toch geen kind meer? Maar de man meende wat hij zei, want hij repliceerde: ‘Pas maar op, of ik sla u een blauw oog.’ Wat bezielde die man toch? Wat maakte dat hij – in de ochtendspits, in een park, omringd door mannen, vrouwen, kinderen en moeders met peuters – een vrouw dacht te kunnen afdreigen?

    Niemand kwam tussenbeide, trouwens. Tussen al dat volk stond ik er alleen voor. Maar wat zouden het véél getuigen zijn. Dat sterkte me in mijn overtuiging dat hij me géén blauw oog zou slaan. Dus zei ik: ‘Dat ga jij niet doen.’ Het licht bij de man ging uit, net op het moment dat het verkeerslicht op groen sprong. Iedereen kwam in beweging. Het geschuifel noopte hem om ook over te steken. Aan de overkant aangekomen bleef hij naar me roepen: ‘Pas maar op, gij! Pas maar op, gij!’ Dat was voor mij het signaal om een andere weg in te slaan. Hij zou niet ophouden zolang ik in zijn buurt bleef. En daar had ik geen zin in.

    Wat ik me nu afvraag: zou hij zo te keer zijn gegaan tegen een man? Natuurlijk niet, hij had misschien even gevloekt, maar de confrontatie aangaan? Daar had hij de ballen niet voor. Een vrouw bedreigen en voor het rot van de straat uitschelden dat ging hem wel af, totdat de dame in kwestie het aandurfde een grens te stellen en besloot zich niet te laten intimideren door een misogyne zak.

    Ik sta mijn mannetje wel en wil hier absoluut niet in de slachtofferrol kruipen. Toch, hierbij een warme oproep aan iedereen: wanneer je getuige bent van een voorval als dit. Stop. Ga naast het slachtoffer staan. Spreek de dader rechtstreeks aan. Maak duidelijk dat wat hij doet of zegt niet door de beugel kan. Vraag hem om het slachtoffer met rust te laten. Want als je niets doet? Dan geef je het signaal: “Doe maar verder oude man, je hebt gelijk.”

  • 18 juni 2023

    Recyclagepark

    De wederhelft en ik hadden de aanhangwagen zorgvuldig ingeladen, elke denkbare fractie van elkaar gescheiden. We zouden in het recyclagepark maar één rondje moeten maken en alle rommel op de daarvoor bestemde plek deponeren. We kenden de volgorde van de containers, hadden zelfs geen restafval bij. Het kon onmogelijk misgaan.

    Bij het containerpark aangekomen stapte ik uit de wagen en trok mijn handschoenen aan. De wederhelft reed naar de eerste container. Daar kieperden we samen de stukken van een gebroken gipsplaat in. Bij de tweede container bleef hij achter het stuur zitten, de twee planken kon ik snel wel alleen in de container gooien. Ik klom het trapje op en net voordat ik ze in de container wilde werpen, stak een medewerker in oranje plunje, net zoals een stokstaartje, zijn kop boven de rand: ‘Wat denken we dat we aan het doen zijn?’ ‘Dit is hout toch?’ opperde ik. ‘Nuance: je hebt bewerkt hout in je handen. Dat mag niet in deze container.’ Ik keek naar de planken in mijn handen en vroeg me af waar hij op doelde maar besloot er geen halszaak van te maken. ‘Waar moet ik er dan mee blijven?’ vroeg ik. Hij wees naar een container aan de andere kant van het park. Ik keerde terug naar de auto, legde de planken bij het andere houtafval en negeerde het stokstaartje dat me onbeweeglijk bleef nakijken tot we ver genoeg van zijn container verwijderd waren.

    Bij het tuinafval stapte de wederhelft wel uit. Na wat verdorde eenjarige bloemenstruikjes grepen we naar vier ferme graszoden. ‘Grond!’ werd er achter ons geroepen. Een collega-stokstaartje zwaaide met zijn schop hoog boven zijn hoofd gestoken. ‘Grond! Kluiten zijn grond!’ verduidelijkte hij. ‘Gras,’ repliceerde ik, ‘graskluiten zijn gras.’ ‘Lees het reglement er maar op na. Die kluiten gaan hier niet van dat karretje af!’ antwoordde het stokstaartje. De wederhelft keek me aan en schudde zijn hoofd: ‘Geen scene maken, schat.’ Ik fronste de wenkbrauwen, twijfelde even, maar besloot dan toch door te wandelen. Relax, fluisterde ik mezelf toe, blijven ademen, en telde tot vijfendertig.

    Bij de container met het behandelde hout aangekomen, mikte ik met veel kabaal de rommel er zo ver mogelijk in. Stom van me om zo de aandacht te trekken, maar wat deed dat deugd. Bij mijn derde worp stak een ander, kleiner stokstaartje zijn kop omhoog. Toch; ik was er zeker van: de twee planken die ik vasthad hoorden echt wel in die container. Wanneer ik  een wijsvingertje – dat belerend van rechts naar links bewoog – de lucht in zag gaan, dacht ik dat ik ging ontploffen. ‘Die planken horen hier niet,’ zei het kleine stokstaartje. ‘Dacht ik wel,’ antwoordde ik. ‘Dacht ik niet,’ zei het stokstaartje. ‘Kalm blijven, schat,’ fluisterde de wederhelft en greep me daarbij zacht bij de arm.

    Ik zuchtte luid, herpakte me en vroeg zo beheerst mogelijk: ‘En waar dacht je dat deze planken dan wel horen?’ Het stokstaartje wees naar de container waar ik eerder was weggestuurd. Ik perste een glimlach op mijn gezicht, knikte en beende met de planken onder mijn arm naar het eerste stokstaartje. Die zag me al van ver aankomen. ‘Hey! Hey!’ riep hij,  ‘Niet hier!’ ‘Vecht het maar uit met je collega,’ riep ik terug en keilde de twee planken in zijn container. De wederhelft kwam verontschuldigend achter me aan. Na een kleine woordenwisseling met de toegestroomde stokstaartjes duwde hij me in de auto en kroop naast me achter het stuur. ‘Nooit-neem-ik-je-nog-mee-naar-het-containerpark!’ siste hij. ‘Komt dat goed uit, antwoordde ik, want: nooit-zet-ik-hier-nog-een-voet-binnen!’

    Ik bleef de rest van het rondje in de auto zitten. De wederhelft dropte zonder problemen de ene na de andere fractie in de daarvoor bedoelde containers. Bij de poort aangekomen stapte de wederhelft uit om nog wat klein gevaarlijk afval weg te brengen. Er lag ook nog een laatste stuk glas in de aanhangwagen: een glazen lichtarmatuur in de vorm van een halve schaal. Dat kon ik wel aan, dacht ik. Dus ik stelde voor dat snel even in de laatste container te deponeren. De wederhelft stemde toe, maar liet me eerst beloven dat ik er geen scene van zou maken.

    Natuurlijk sprong er een stokstaartje op: ‘Dat moet bij het restafval.’ ‘Dit is toch glas,’ pruttelde ik. ‘Nee, dit is geen vlak glas! Bij deze fractie mag je enkel vlak glas deponeren.’ Ik keek over mijn schouder, de wederhelft was net door de poort gereden en zou daar op me wachten. Ik stond er alleen voor. ‘Dus ik moet met deze glazen schaal op de weegbrug gaan staan? Om ze vervolgens in die container daarginds te gooien?’ ‘Dat zijn de regels,’ antwoordde het stokstaartje. ‘Zwans je? Dit ding weegt amper iets! En geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om op die weegbrug te gaan staan!’ ‘Dan moet het terug mee naar huis.’ ‘Ben je helemaal mal?’ gilde ik. De man kruiste zijn armen voor zijn borst. ‘Dat zijn de regels,’ herhaalde hij. We bevonden ons in een patstelling.

    Na lang te hebben nagedacht, strekte ik mijn armen recht voor me uit zodat de armatuur tussen mij en het stokstaartje in zweefde. ‘En wat als de armatuur op de grond zou “vallen”? Wat gebeurt er dan?’ vroeg ik. ‘Dat durf je niet,’ blufte hij. Ik loste enkele vingers, stak ze parmantig de lucht in en bewoog traag mijn hoofd op en neer. Er ontsnapte een vloek bij het stokstaartje. ‘Geef hier, dat ding!’ brulde hij. Ik duwde de armatuur in zijn handen en maakte me uit de voeten. Niet dat ik niet zou durven, maar ik heb daarna nooit nog een voet in het recyclagepark gezet.

  • 4 juni 2023

    Baaldag

    We zijn dan wel maatschappelijk werker – gedreven om mensen te helpen – jammer genoeg durven de ‘klanten’ dat soms te vergeten. We zijn dan wel bemiddelaar – gedreven om een faire oplossing te zoeken voor de betrokken partijen – maar dat willen medewerkers van andere diensten niet altijd inzien. We laveren naar best vermogen tussen dilemma’s en onrecht en proberen daarbij vijf ballen tegelijkertijd in de lucht te houden. En om de zoveel tijd is er dan zo’n dag waarop we op onbegrip botsen en tegenslagen als een magneet aantrekken.

    Even geleden viel mij zo’n dag te beurt. Het regende, het was winderig en zoals kleine kinderen in een te klein klaslokaal was iedereen lastig. Net op het punt dat ik er de brui aan wilde geven, kreeg ik een mail van de vakbond: ‘Els, Hoe zit het met jouw werkplezier?’ vroegen ze. ‘Wel, op dit moment zit dat niet zo goed,’ zei ik tegen mijn computerscherm. Ik klikte de mail open en werd uitgenodigd tot het invullen van een enquête rond werkgeluk. Het zou maar enkele minuten duren. Wel ja, dacht ik, ik zal ze mijn gedacht ’s geven, sé, en klikte op de link.

    Ik was vrouw, werkte deeltijds, was tussen de 25 en 35 jaar oud, ik “telewerk” en mocht meteen naar vraag zes: Ik ervaar telewerk als productiever (check); minder stresserend (check) en de combinatie werk-privé lukt beter sinds ik telewerk (check). Vraag zeven: doe je jouw werk met plezier? Dat was een volmondig neen. Daar heb je mijn gedacht! De volgende vragen drukten me met de neus op de feiten: ik kan verantwoordelijkheid opnemen; ik mag zelfstandig werken; ik word gewaardeerd; ik kan me bijscholen als ik dat wil; mijn functieomschrijving is duidelijk; er is een goede samenwerking tussen de collega’s; ik heb voldoende werk (niet te veel, niet te weinig), de tijdsdruk valt goed mee; de stress op de werkvloer ook; deadlines haal ik en ik word niet gecontacteerd buiten de reguliere werkuren…

    Dat zette me toch even aan het denken. Ik scrolde terug naar vraag zeven en gaf daar, uit eerlijke schaamte, een veel hogere score. In mijn achterhoofd zag ik mijn oude loopbaancoach al met haar vingertje wijzen. Doe je jouw job niet graag? Hoeveel jobs kan jij opsommen die je op dit moment minder graag zou doen? Tijdens die eindeloze opsomming van jobs (waarvoor ik het grootste respect opbreng), herinnerde ik me ook enkele conversaties in het buitenland en de bewondering die me daar te beurt viel toen ik zei dat ik een ‘social worker’ was. Daarna telde ik de dankwoorden van de klanten die ik dit jaar al ontving en realiseerde ik me dat ik en mijn collega’s onze “dank”muur zouden moeten uitbreiden van een schamel vierkant metertje naar minstens twintig lopende meter. In de gang. Daar waar iedereen het zien kan. Vlaggen en wimpels horen er in de straten van ocmw’s en caw’s te hangen. Maatschappelijk werk is (jammer genoeg) broodnodig, ondergewaardeerd en toch: een prachtjob. Dat durf ik soms even te vergeten.

  • 21 mei 2023

    De tuinranger

    Ze hadden me het concept aangeraden. Nodig een tuinranger uit, zeiden ze, voor advies op maat van je tuin. Om die tuin nog interessanter te maken voor de natuur en dier. Ik twijfelde, dacht dat ik al redelijk goed bezig was, maar dan werd ik over de streep getrokken: Je krijgt infofiches. Én gratis bloemenzaad! Daarom dat ik me inschreef. Voor die prachtige zoekkaarten en voor bevestiging. Ik hou van bevestiging.

    Vrijdagochtend stond je aan mijn voordeur. Enthousiast telde je de tegels van de stoep. Die was niet breed genoeg voor een geveltuin. Dus geen groen aan de voorzijde, maar ik wist in de tuin achter het huis zouden we zeker op tal van opportuniteiten botsen. Je was pas gepensioneerd én gepassioneerd vertelde je. Je volgde een meerdaagse opleiding om tuinranger te kunnen worden. Je hield van natuur maar nog meer van vogels. En je had zelf een tuin, zei je. Dat zou ik in het daaropvolgende uur nog vaker horen. Jouw tuin was veel groter dan de mijne.

    We startten op de oprit waar je meteen onder de indruk was van de struik, kunstig in haagvorm getrimd. Meidoorn zei ik. Misschien hoorde je me niet, want je trok een foto van de plant met jouw smartphone en haalde mompelend je schouders op. Het was geen meidoorn besloot je op basis van een slecht genomen foto die de app alleen maar verkeerd interpreteren kon. De ligusterhaag aan de andere kant van de oprit was je vreemd, maar daar trok je geen foto van. We wandelden naast de garage naar de tuin. De druivelaar zag je niet. Ook de zorgvuldig bewaarde klaverzuring, dovenetel en de hondsdraf waren geen aandacht waard. De brandnetels en doorgeschoten krulwilg dan weer wel. Die is dan ook buitenproportioneel groot. Geen klachten van de buren, vroeg je. De boom is meer dan tien jaar oud, overhangende takken worden gesnoeid, waarom zouden ze klagen? Je antwoordde niet meer. Misschien hoorde je me niet.

    Je liep meteen door naar het terras en zette je neer aan de tafel. Waarom keek je niet wat rond in mijn tuintje? Er stond in die vijf op acht vierkante meter zoveel wonderlijks te gebeuren. Het komkommerkruid, de zonnebloemen, de goudsbloemen, alles begon vorm te krijgen en de meesjes hadden kleintjes. De vragenlijst was belangrijker, blijkbaar. Met een blauwe fluostift vinkte je zelf de vragen een voor een af. Het waren vaststellingen, geen vragen waard. Natte tuin. Zuidgericht. Schaduwrijk. Boom. Gazon. Terras. Barbecue. Voor een waterpartij en houtwal was er geen plaats. Zover was ik ook. En jouw tuin die was daar wel groot genoeg voor. Dat kon ik raden nog voor je het zei.

    Suskewiet, klonk er in de verte. Hoor! Die vogel! Je wees naar een boom twee tuinen verder. Dat is een vink, antwoordde ik, denkende dat ik een quizvraag moest oplossen. Je nam je smartphone en opende een nieuwe app. Ik moest zwijgen, anders zou de app “De mens” registreren. Ik zweeg. Lang. De app registreerde de vink niet. Vermoedelijk werd de suskewiet overstemd door het gepiep van de mezenkuikens. Die hoorde je niet.

    Daarna, in een saaie en langgerekte uiteenzetting toonde je me kaart, na bijenkrant, na infofiche, na zoekkaart. In vette blauwe fluostift schreef je tips op van websites over fauna en flora. Al je tips zijn onleesbaar. Ik zoek ze wel. Heb je nog vragen, vroeg je. Ik wees naar de ligusterhaag die gesmoord werd door de wilde hop. Je nam er een boekje bij: wilde hop was goed voor de bijtjes, stelde je met enige trots vast. Akkoord, maar niet voor de ligusterhaag, want die gaat kapot, antwoordde ik. Wat doe ik best? Red ik de haag, of geef ik de hop alle ruimte? Hop is goed voor de bijtjes, herhaalde je. Misschien hoorde je mijn vraag niet. Ik liet het daar dan maar bij.

    Je maakte aanstalten om te vertrekken. Onder de wilg bleef je staan. Midden in mijn gezaaide bloemenbed. Je vertrappelde de jonge plantjes en stond daarbovenop pal in de aanvliegroute van de meesjes die hun kuikentjes wilden voederen. Misschien hoorde je de kuikens niet piepen, want je sprak over eitjes. Die waren allang uitgekomen. Je had buitengewoon veel interesse in de wilg die ooit een paasboom was. Zonder gêne vroeg je enkele takken. Ook de hop vond je buitengewoon interessant. Natuurlijk mocht je daar wat van mee. Voor mijn part had je meteen alle hop uit de haag getrokken. Ik waarschuwde je nog: het is een vuiligheid, krijg je nooit meer uit je tuin. Dat was geen erg zei je: je had een tuin die groter was dan de mijne.

  • 7 mei 2023

    De communicatiekeuken

    Niet zo heel lang geleden waren de wederhelft en ik uitgenodigd voor een etentje bij vrienden thuis. In de loop van die namiddag verhuisden we met z’n allen naar fornuis en keukeneiland. Met een aperitief erbij sloegen de wederhelft en ik gastheer en gastvrouw gade. Allebei dachten ze de chef-kok te zijn met een souschef aan hun zijde. De chef-kok was zo (zonder het te weten) souschef van de souschef die zich chef-kok waande. Het was een plezier om naar te kijken. Maar dat was ik al vergeten.

    Gisteren hadden wij ook gasten. De voorbereidingen waren getroffen en afspraken gemaakt. Het bakken van de venusschelpen en gamba’s zou de wederhelft (vlak voor het opdienen) voor zijn rekening nemen. Ik deed de rest. Op mijn gemak wat prutsen in de keuken, met lekkere ingrediënten, een goed plan en een glaasje wijn erbij: het is een van mijn favoriete bezigheden. Zo ook gisteren: ik stond in de potten te roeren, de wederhelft verwelkomde de gasten en bracht hen tot bij het keukeneiland. Het was de eerste keer dat ik pottenkijkers in onze keuken duldde en ik weet ook nog dat ik me afvroeg waarom we dat nooit eerder hadden gedaan. Het was buitengewoon gezellig. De risotto stond rustig te pruttelen, glazen werden gevuld en aperohapjes op het keukeneiland gezet.

    Alles liep gesmeerd. Ik kon de fakkel doorgeven. Ruilde de pollepel voor een tandenstoker en prikte in een olijf. Nog voor ik de olijf kon doorslikken liep het al mis. ‘Waar heb je margarine voor nodig?’ vroeg ik. De wederhelft wees naar een pan op het vuur. ‘Ga jij die dingen dáár in bakken?’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes: ‘Heb je het over de boter of over de pan?’ vroeg hij. Ook bij de pan had ik mijn bedenkingen, maar de margarine was een groter probleem. Ik dook in de koelkast en nam er twee pakjes goede boter uit. ‘De gewone of de gezouten?’ vroeg ik. ‘De gewone,’ antwoordde de wederhelft. Ik gaf hem de gezouten. Hij rolde met de ogen en ging weer bij het fornuis staan.

    ‘Oh…’ zei ik. ‘Wat Oh?’ vroeg de wederhelft. ‘Niets, niets. Toch niets bijzonders… Ik dacht dat je eerst de gamba’s zou bakken, en daarna de schelpen,’ opperde ik. ‘Dacht jij dat?’ vroeg hij. Ja knikte ik en nipte zo onschuldig mogelijk van mijn glas. ‘Wil je zelf verder koken?’ stelde de wederhelft voor. ‘Nee, je doet het prima.’ Ik keek naar de gasten. Die glimlachten en knikten driftig met me mee.

    De venusschelpen gingen in de pan met wat ajuin, peterselie en een drupje witte wijn. Ondertussen bereidde de wederhelft de gamba’s voor. Het klapperende deksel achter hem verraadde dat het vuur onder de schelpen veel te hoog stond. Met een afleidingsmanoeuvre wrong ik me tot bij de knoppen en zette het vuur wat lager. Het deksel kwam tot rust, net zoals ik. ‘Wat doe je daar?’ vroeg de wederhelft. ‘Huh?’ ik draaide me pijlsnel om. ‘Niets,’ antwoordde ik. ‘Je zette het vuur lager. Ik ben niet dom. Dat doe je altijd,’ zei hij. ‘Maar…’ begon ik. Hij onderbrak me: ‘Niets te maren. Hup, ga terug bij jouw bak olijven staan.’ Met zachte dwang duwde de wederhelft me naar daar waar ik vandaan kwam. Het deksel begon terug te klapperen.

    Ik stak een olijf in mijn mond en probeerde me te herinneren waar de conversatie met onze gasten over ging. Het schoot me niet te binnen. Ondertussen was het gesprek ook al zo lang stilgevallen dat het me beter leek een nieuw onderwerp aan te snijden. ‘Vakantie,’ zei ik, ‘altijd iets om naar uit te kijken.’ ‘Daar hadden we het net over,’ antwoordde de vrouw. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat de wederhelft look in de (te) hete pan uitperste en de gamba’s erachteraan kieperde. De beesten begonnen te sissen, knetteren en ploffen (in die volgorde). Een rokerige walm van verbrande boter verspreidde zich razendsnel door de keuken en de rest van het huis. ‘Zet die dampkap dan toch aan,’ riep ik, ‘en dat vuur lager!’

    Net zoals de gamba’s zag het er naar uit dat ook de wederhelft uit zijn vel ging springen. Ik keek naar de gasten, wilde me verontschuldigen, maar dan viel mijn frank: Ze zaten erbij zoals wij enkele weken daarvoor: gniffelend, met pretoogjes en imaginaire puntenbordjes. En de wederhelft en ik – wie chef-kok was en wie souschef zal ik hier in het midden laten – deden waarvoor de communicatiekeuken ontworpen was: In een langgerekte amusante vertoning, zij aan zij, kibbelend verder koken.

←Vorige pagina
1 … 4 5 6 7 8 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 66 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen