Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 25 augustus 2024

    Meesterwerken

    Enkele weken geleden botsten we op een oude vriend van de wederhelft. Hun wegen waren door de jaren heen eerst naast en daarna uit elkaar gelopen. Het uitdoven van de vriendschap begon toen de alternatieve kunstenaar in de vriend ontwaakte, legde de wederhelft uit. En ondanks dat de wederhelft wel tegen een stootje kan op vlak van dans- en theatervoorstellingen, werd het hem gaandeweg toch wat speciaal. Veel gesprekstof was er na de gebruikelijke beleefdheden niet. De man, de haren lang, de baard in een vlecht, vroeg of de wederhelft nog voorstellingen had bijgewoond. Die gaf zonder blozen de haarbal de schuld van de impasse. ‘Dat is geen excuus,’ zei de oude vriend. ‘Ga naar het Middelheimmuseum. Daar is er het kunstenfestival “Come Closer”. Een echte aanrader. Honden welkom,’ zei hij nog, en daarna doofde ook het gesprek uit.

    Het eerste dode moment in onze week vakantie stelde de wederhelft voor om naar het Middelheimmuseum te gaan. Daar aangekomen parkeerden we onze fietsen aan een zij-ingang en begonnen onze wandeling. Na een tiental meter passeerde er op ons pad een groep wandelaars. Stijf als een plank, de armen tegen het lichaam en de benen tegen elkaar gedrukt, hupten ze tussen twee bomen heen en weer. Wat verderop moesten we letterlijk opzij springen om een botsing te voorkomen. Zelfs de haarbal keek met verstomming naar de moeder met kind die, voorovergebogen en crawlgewijs, al wandelend voorbij kwamen gezwommen.

    Nog voor de wederhelft vragen kon wat er aan de hand was, had ik het opgezocht: We bevonden ons op de route van “A Walk In The Sculpture Park”. De deelnemers kregen bij elk kunstwerk nieuwe instructies en zo de kans om de kunstwerken uit te beelden en op een andere manier te beleven. In interactie met zichzelf en de omgeving zouden ze zo zelf ook kunstwerk worden. Veel gekker hoefde het niet te worden en omdat de haarbal graag over grasweides rent, kozen we voor de dwarse uitweg. Met z’n drieën liepen we het grote grasplein over.

    De wederhelft en de haarbal zochten daarna een plek om uit te puffen. Ik volgde hen naar een tribune die zich in sneltempo begon te vullen. De wederhelft zette zich op de onderste bank. ‘Er gaat hier dadelijk iets beginnen,’ zei ik in de hoop nog weg te geraken voordat de voorstelling effectief startte. Het maakte niet meer uit, vanuit mijn ooghoek zag ik een lange smalle spiegel dichterbij komen. De wederhelft bleef geïntrigeerd kijken. Die ging helemaal nergens heen en ook de haarbal liet de schaduw zich welgevallen. We bleven.

    Vijftien vrouwen met evenveel hoge smalle spiegels positioneerden zich op een rij. Ze schuifelden van links naar rechts, draaiden zich dan enkele graden, zetten een stap naar voren en daarna weer twee achteruit. Steeds weer opnieuw, in een licht wijzigend patroon. Ik zag mezelf in de ene, dan weer in een andere spiegel en maakte aanstalten om op te staan. De wederhelft vond dat weinig respectvol. ‘Opstaan tijdens een voorstelling doe je niet,’ keef hij. ‘Ze staan achter een spiegel. Geen van die vrouwen gaat me missen,’ antwoordde ik. ‘Je zal de andere toeschouwers storen,’ zei de wederhelft. Ik keek om me heen, zuchtte en bleef zitten.

    Na de vertoning wilde ik graag mijn menig delen met de wederhelft, maar nog voor ik mijn eerste cassante opmerking kon maken, hoorde ik de andere toeschouwers in superlatieven over de voorstelling praten. ‘Magisch,’ zei iemand. ‘Wonderlijk om zo, letterlijk en figuurlijk, een spiegel voorgehouden te worden.’ ‘Zo subtiel afstand én tegelijkertijd verbinding creëren,’ zei een man tegen zijn vrouw. Ik kromp in elkaar tot ik een moeder tegen haar zeurende dochter hoorde zeggen: ‘Als je ooit kunstonderwijs wil gaan volgen, zal je zo’n dingen dus moeten bedenken én uitvoeren. Knoop dat goed in je oren.’ Er was dan toch nog hoop.

    Met die gedachte ging ik op zoek naar het kunstwerk van Panamarenko: de Archaeopterix Lithografica (dat had ik opgezocht), een vogel die beweegt als je dichtbij komt. De weg daarnaar heen leidde langsheen pretkreten en schel kindergegil. Niet echt een leuk vooruitzicht. De bron van het gekrijs waren twee metershoge nagemaakte industriële vaten waaruit er schuim borrelde dat zich steeds verder verspreidde. De haarbal, inmiddels bijgekomen, was niet te houden en snokte in een onbewaakt moment de leiband uit mijn handen. Enthousiast sprong hij het schuim in. We zagen dan eens een staart, dan twee lange flaporen boven het schuim uitkomen en daarrond kinderen die dollend naar beneden doken. De wederhelft wees naar zijn zere knie. Hij kon geen risico’s nemen, toch? En wilde ik niet naar de vogel van Panamarenko? Met grote tegenzin dook ik de pretpoel in en kon na drie pogingen de haarbal vangen.

    Er vlogen nog steeds wolkjes schuim van me af toen ik in de verte een groepje van vier volwassenen door de knieën zag waggelen. Met hun handen onder de oksels bewogen ze de ellebogen drukdoend op en neer. Van zodra ook de haarbal hen in de smiezen kreeg, ging die koppig zitten. Niet meer vooruit te branden. Ik  kon hem geen ongelijk geven. Een ouder echtpaar dat achter ons liep, zag kans om ons in te halen. In het passeren keek de vrouw me afkeurend aan en zei tegen haar man, luid genoeg zodat ik het kon horen: ‘Die selfmade acteurs tot daar aan toe, maar als volwassenen ook nog ‘s mee in het schuim gaan springen, wordt het toch helemaal te gek!’ ‘Niet reageren, schat,’ suste de wederhelft. Hij nam de haarbal in zijn armen en ging me voor naar onze fietsen. We zouden een andere keer wel terugkomen. In de winter of zo.

  • 11 augustus 2024

    De overtreffende trap

    Maandag was de buschauffeur onthutst. Dinsdag de fans verontwaardigd. Woensdag waren er schokkende beelden. Donderdag volgde een mogelijk nooit eerder geziene waarschuwing en op vrijdag zagen we de prins nog nooit zo emotioneel. Gewaagd. Grote zorgen. In de clinch. Topje van de ijsberg. Woest! Het is maar een klein samenraapsel uit de krantenkoppen die ik deze week zag passeren. Superlatieven zijn er te kort en toch worden er elke dag andere verzonnen. Forser, straffer, zwaarder.

    Komkommernieuws is het nieuwe normaal geworden. Vaak vraag ik me af wie er beter wordt van die artikels. Hartvreterij is het. Opjutten van de lezers ook. Kritische vragen worden niet meer gesteld. Het weerwoord en de factcheck (zo eentje in de kantlijn) hebben plaatsgemaakt voor reclame. Letterlijk iedereen krijgt een platform en alles is een schandaal. Ik heb het er wat mee gehad. Het boeit me niet en tegelijkertijd kan die bladverspilling me mateloos opboeien.

    Zo stond eerder deze week in de gazet het schrijnende verhaal van de zevenentwintigjarige studente Lien. Te jong was ze om haar vader te verliezen. Ik wens haar en haar familie veel sterkte in deze moeilijk tijd. Maar daar ging het artikel niet over. Het draaide om de erfbelasting die ze moest betalen. Meer dan honderdvijftigduizend euro moest ze aan de staat. “Moet ik nu alles waar mijn vader zijn hele leven voor heeft gewerkt zomaar verkopen?” vroeg ze zich af. Wel Lien, nee: niet “alles”. Er werd een woonhuis, een studio aan zee, een autostaanplaats, twee garageboxen en nog een lap grond aan jou overgelaten. Het zal wel meevallen.

    Ik ben me ervan bewust dat de erfbelasting een discutabel onderwerp is. Want op alles waar we erfbelasting op betalen, is er eerder al eens een belasting geheven. Moet dat echt twee keer, is een terechte bedenking. Anderzijds, een erfenis is geld dat je krijgt en waar je zelf geen sikkepit voor hebt uitgevoerd. Sneu dat je niet alles krijgt, het mag altijd wat meer zijn. Toch, is het solidariteitsprincipe waarop onze maatschappij stoelt dat niet waard? Daar kan Lien zich ongetwijfeld in vinden, mag ik hopen. Zeventwintig is ze en nog altijd aan het studeren. Dankzij dat solidariteitsprincipe. Zonder studentenlening zoals in andere landen. Ik gun het haar, echt waar, maar laat ons een kat een kat noemen: veel zal Lien tot hiertoe nog niet hebben afgedragen.

    In het artikel – deze journalist had zijn werk wel gedaan – werd ook de belastingdienst aan het woord gelaten. De belastingtarieven blijken progressief te zijn en stijgen dus naarmate het inkomen groter wordt.  Er zat een voorbeeldje bij (zo eentje in de kantlijn). Ik kon het niet nalaten en vond de tijd om het even uit te rekenen. Het gaat over een erfenis van een dikke zevenhonderdduizend euro, waarvan Lien dus honderdvijftig moet laten vallen. Tja, wat kan een mens dan nog zeggen,  honderdvijftigduizend euro is veel geld. Zevenhonderdduizend ook.

    Lien had dat geld niet, liet ze opschrijven, want “banken geven geen leningen aan studenten”. Intriest was het. Daarna kwam de aap uit de mouw: Lien had een plan. Zonder blozen, de schaamte voorbij, was ze met een crowdfunding gestart. Toen ik dat las liet mijn rechtvaardigheidsgevoel mijn hersenen minutenlang zinderen tot ook mijn zenuwuiteindjes begonnen te tintelen. Ditmaal moest ik na het opwinden (hoe wereldvreemd kan je zijn?), ook terug afwinden en dat deed ik door in mijn pen te kruipen.

    Ik ook heb mijn portie superlatieven gehad deze week. Want maandag was ik onthutst te horen dat Candi, acht is ze, liever op de grond slaapt dan in het eenpersoonsbed dat ze moet delen met haar jongere zusjes. Dinsdag verontwaardigd omdat Jason, de dag dat hij achttien werd, bij zijn pleegouders is buitengezet omdat ze geen pleegvergoeding meer ontvangen. Woensdag nog was ik geschokt te zien dat de studio van Nazir eigenlijk een omgebouwde garage is die hij deelt met een man die hij niet kent. Donderdag las ik de laatste waarschuwing van een gerechtsdeurwaarder en vrijdag werd ik zowaar emotioneel bij het zien hoe een gezin oorlogsvluchtelingen onderdak had gevonden bij landgenoten van hen in onze stad.

    Dus beste Lien, stop met naar jouw navel te staren en verkoop alsjeblieft een garagebox of twee. Misschien die lap grond ook. Wandel eens een dag in mijn kielzog. Kom je blik verruimen in de voetsporen van een maatschappelijk werker in de stad. Kom kijken in welke erbarmelijke omstandigheden de mensen hier wonen. Kom mee centjes tellen. Kom een keer voedselhulp uitdelen. Want als er iemand een crowdfunding kan gebruiken, dan zijn dat één voor één: Candi, Jason, Nazir, al hun lotgenoten en alle ontheemde oorlogsvluchtelingen die over deze aardkloot ronddolen.

  • 28 juli 2024

    Een vogel in de vlucht

    Niet dat we specialisten zijn, de wederhelft en ik, maar we kregen alle twee van thuis uit een gezonde interesse voor vogels mee. Een die verder reikt dan de ekster, duif of kraai. Wanneer we de natuur induiken, dan is dat altijd met een luisterend oor en een waakzaam oog. Want niet elke kleine vogel is een Winterkoninkje. De kleinste vogel is een Goudhaantje zullen de kenners me nu ongetwijfeld verbeteren. Maar niemand zag ooit dat Goudhaantje. Zo klein is, en goedverscholen zit dat ding.

    Mijn vader bijvoorbeeld ziet overal piepers. Als hij een vogel in het gras niet meteen herkent, roept hij: Graspieper! Op vakantie aan zee: Duinpieper! In het riet naast een beekje: Rietpieper! Bij het water zonder riet: Waterpieper! In een boom: – je raadt het al – Boompieper! Alsof hij het ter plekke verzint. Een steeds terugkerende grap is het. Tot je de Petersons Vogelgids openslaat op bladzijde honderdvijvenzestig (plaatjes op tweeënzeventig). Blijkt dat die kleine, ordinair bruine vogeltjes allemaal echt bestaan.

    Mijn schoonvader, een geschoold natuurgids, nam me, lang geleden, bij een van onze eerste ontmoetingen, mee het bos in. Tot op de dag van vandaag weet ik nog steeds niet of het een test was. Voor hetzelfde geld maakte hij me blaasjes wijs, want hij zag en hoorde vogels waarvan ik niet wist of ze wel echt bestonden: de Gekraagde roodstraat, Een Grauwe vliegenvanger, Roodborsttapuiten, een Geelgors en zelfs een Kneu. Ik hoorde het in Keulen donderen. Samen met alle spechten die hij aan hun geroffel wist te herkennen. Het is daar dat ik besloot dat het een hobby mocht blijven.

    Zo wandelen de wederhelft en ik overal waar we komen rond: als twee hobbyisten met een niet vooruit te branden haarbal achter ons aan. Vorige week nog, ergens in de Ardennen, wees de wederhelft naar een silhouet in de lucht. De kleuren en patronen in het vederkleed van de vogel waren in het felle zonlicht op dat moment moeilijk van elkaar te onderscheiden. ‘Zeker geen Buizerd,’ mompelde hij. ‘Ook geen Wauw,’ vulde ik aan (want dat is het enige roofvogelsilhouet waarvan ik met absolute zekerheid kan zeggen welke vogel er in de lucht hangt).

    Terwijl we in het wilde weg wat aan het gokken sloegen (Slechtvalk, Havik, Sperwer, Torenvalk, Boomvalk, Visarend), viel ons op dat de vogel steeds opnieuw vlak achter de heuvelkam naar beneden scheerde. Vervolgens vloog hij op en weg, richting bosrand. Maar telkens weer kwam hij terug naar de heuvelkam waar hij eerst biddend bleef hangen en dan een duikvlucht nam. Na de derde keer wist de wederhelft dat daar iets moest zijn. ‘Iets bijzonders,’ zei hij vastbesloten. Dus baanden we ons een weg door het hoge gras, de zacht glooiende heuvelkam op.

    Naarmate we dichter bij ons doel kwamen, bukten we ons dieper en dieper, tot onze hoofden amper nog boven het maaiveld uitstaken. De staart van de haarbal stopte met kwispelen, zijn neus ging de lucht in en daarna naar de grond. Hij had iets geroken en maakte aanstalten om voorop te gaan lopen. Dat maakte het nog spannender, want dat deed die anders nooit. We hoorden ook een zacht gepiep dat luider klonk naarmate we dichterbij slopen, kwamen uiteindelijk bij platgetrapt gras waarvan we niet met zekerheid wisten of het mensenwerk was en dan was het daar: in elkaar gedoken: een wit konijn, met een achterpoot verstrikt in een lus henneptouw.

    Dat was een oneerlijke strijd, vond ik en wilde meteen het arme ding bevrijden. Of ik het niet vreemd vond dat het ‘een wit konijn was en geen bruin. Zoals de andere wilde konijnen,’ vroeg de wederhelft. ‘Wild of niet, verstrikt is verstrikt en dient bevrijd te worden. Toch?’ Er werd geen tegenspraak geduld. De reactie die daarop volgde, in een moeilijk verstaanbaar Frans, kon onmogelijk van de wederhelft zijn: ‘Et que pensez-vous que vous êtes en train de faire?’ Achter ons was er een valkenier opgedoken met op zijn arm een slechtvalk (nu herkende ik de vogel wel).

    Ik keek naar de wederhelft: ‘Je bedoelde dat dit geen wild konijn is, hé?’ ‘Inderdaad, schat,’ antwoordde hij, ‘Mag ik ervan uitgaan dat jij ons hieruit zal praten?’ Op dat ogenblik viel mijn oog op de haarbal. Een jachthond. Althans volgens de handleiding. Voor een vreemde die de haarbal niet kende, was het niet zo heel moeilijk om dat te geloven. Zonder schaamrood op mijn wangen, wees ik naar de haarbal en verontschuldigde me in honderdvoud bij de valkenier. Je zag dat hij twijfelde. Dat duurde net lang genoeg om het hazenpad te kiezen.

  • 7 juli 2024

    De Adviseur

    De adviseur komt in vele gedaanten. Met of zonder snor, groot, klein, in jurk soms, af en toe met baard en buik. Vaak is hij dichtbij of soms heel ver. Voor de dag ermee, zegt de adviseur ditmaal: De punt geslepen, de flarden neergepend. Zeg gewoon waar het op staat en doorbreek die verdomde schrijfkramp van je. Ik wil terug stukjes op tweewekelijkse basis. Gooi je teugels af! Laat je niet inkorten. Wie schrijft, die blijft!

    Ter mijner verdediging, dat deed ik – die flarden neerpennen dan – maar het is toch net dat ietsje ingewikkelder. Het is een writer’s block, maar dan een die er niet echt een is. Er zijn zo veel zaken waar ik eens goed over zou willen ventileren. Ze kregen allemaal hun inleiding in mijn kladboek. Een eerste zin, sommigen een titel en de meesten een alinea of zelfs twee. De tonen gezet, de denkbeeldige lezer voorbereid op onderwerpen die nooit verkend zullen worden. Het bleven onafgewerkte introducties zonder gevolg. In de kiem gesmoord door de angst om anderen tegen de schenen te schoppen. Preludes van teloorgegane ambities waren het. Proppen in de prullenbak zijn het.

    Ik maak het mezelf dan ook steeds moeilijker. Angstvallig gevoelige thema’s vermijden. Wegblijven ook van politiek en polemiek. Voor zover dat geen synoniemen zijn. En het is niet dat ik elke week onnozeliteiten uithaal. De adviseur schudt het hoofd: het wordt tijd om ofwel een andere weg te kiezen; ofwel een datum te prikken tot wanneer je het aanziet; ofwel de reden van de stroefheid op te lossen. Er is niets fout met een beslissing te nemen. Ook als het gaat om een moeilijke periode: wees dan mild voor jezelf.

    De pen wordt zo terug in mijn handen geduwd. Ik kies geen andere weg, ik wil blijven schrijven. De datum prik ik op zondag. De reden van de stroefheid los ik hier en nu op.

    Ik zal je vertellen over hoe ik vanmiddag een eerste hap deed van een tweede pistolet, zeg ik tegen de adviseur. Tegelijkertijd met die hap viel mijn oog op enkele foto’s in de krant. Verschillende uitgemergelde Palestijnse kinderen. Vel over been waren ze. Ik heb mijn pistolet opzij moeten leggen. Om meteen daarna bevangen te worden door een ander schuldgevoel. Hoe durfde ik voedsel te verspillen. Over die ver-van-mijn-bed-tragedie schrijf je maar beter niet, zegt de adviseur en ze schenkt daarbij twee glazen in. Heb je echt dan geen enkel goed idee? Ik schud het hoofd. Ze blijft me bedenkelijk aankijken. Een maatschappelijk thema van eigen bodem, dan? Dat doe je zo goed, en toch zo weinig. Dat vinden vele lezers niet zo fijn, weet ik. De adviseur is nog steeds niet akkoord. Het is niet omdat je het verzwijgt dat het er niet is. Je wilt de wensen van je lezers respecteren, maar wat doe je met die van jou?

    Misschien heeft ze gelijk, dus stel ik voor om over Hatim te schrijven, een Palestijnse vluchteling, die ik niet kon helpen. Nu schudt zij het hoofd. Het onnoemlijke verdriet op de begrafenis niet zo lang geleden? Te triest. Ik denk aan het schijtweer van de laatste acht maanden en de slakken in mijn tuin (ja, ze zijn er nog steeds). Futiliteiten, zegt ze. De modder op Graspop? Oud nieuws. De haarbal? Al lang niet grappig meer. De laatste kampeertrip? Gehad. De meester? Te gewaagd. Het wordt stil. We nippen allebei een paar keer van onze glazen. Wat stel je zelf voor, vraag ik. Ze aarzelt even en zegt dan: Niets. Helemaal niets.

  • 9 juni 2024

    De pimpelmees

    In één legsel van de pimpelmees zitten zeven tot twaalf eieren, één ei per dag leggen ze. Twee weken later komen de eieren uit, dag na dag. Dat is rekenkundige logica. De jongen zitten vervolgens nog vijftien tot zeventien dagen op het nest en eens uitgevlogen, worden ze nog tot drie weken gevoerd. Goh, dan schiet mijn verbeeldingskracht te kort… Hoe passen er in hemelsnaam twaalf kuikentjes in die kleine nestkastjes? Zelfs gestapeld zitten ze dan drie hoog. Ik krijg het, als ik eraan denk, elke keer weer benauwd van.

    Voor het eerst in jaren broedden er in onze tuin een koppeltje pimpelmezen. We hadden geen idee wanneer het eerste ei werd gelegd, en omdat we de eerste sprong van de koolmezen gemist hadden, waren de wederhelft en ik vastberaden om getuige proberen te zijn van die van de pimpelmezen. Elke dag legden we een aantal keer ons oor te luisteren bij het nestkastje. Het getsjilp werd steeds luider, de verwachting steeds groter. Aan beide zijden van de houten plankjes. Tot we vorige week, in de gietende regen, het nestkastje passeerden. We hoorden het tsjilpen, hoog boven ons en een wat zachter gepiep laag tegen de grond. Midden op het tuinpad zat er een geel pluizig bolletje te verzuipen. Hulpeloos probeerde het zich te verplaatsen, maar erg geslaagd was dat manoeuvre niet. We onderdrukten de drang om het op te pakken, want de moeder zou het dan ongetwijfeld afstoten en we hadden geen benul van hoe je een pimpelmees zindelijk krijgt. Toch, het knulletje aan zijn lot overlaten zat niet in ons DNA, dus beraamden we een plan. 

    Want hoe indrukwekkend moet het niet geweest zijn voor dat kereltje? Hij kwam uit een ei waarvan hij dacht dat dàt het universum was. Totdat het hemelgewelf echt wel wat krap werd en uiteindelijk openbrak. Een hele nieuwe, knusse wereld ging voor hem open waarvan hij dacht dat dàt de échte grenzen van het universum wel moesten zijn. Totdat ook dat universum wat aan de krappe kant werd en hij zich, omhooggestuwd door broers en zussen, door een klein gaatje wurmde en veertig lichaamslengtes naar beneden donderde. In de gietende regen. Bij een graad of elf.

    Welke kansen had hij in een wereld vol gevaren? Ik had het beter niet opgezocht: minder dan vijftig procent van de kuikens van de pimpelmees overleven de eerste drie weken… pfff. De wederhelft en ik werden er wat mistroostig van. We wilden de kleine rakker echt wel alle kansen geven die we konden verzinnen. Zonder het aan te raken, wat de uitdaging nét iets groter maakte. Veel tijd hadden we niet. Het begon steeds harder te regenen. Het eerste wat ons te binnen schoot was: droog houden. Het meest uitgelezen voorwerp daarvoor was: de paraplu. Ik trok het kortste strootje en ging met goede moed buiten bij de struik staan waar het knulletje onder was gekropen. Mét uitgestrekte arm, want ik wilde het niet doen opschrikken. Zo stond ik daar voor de buitenwereld een bosbessenstruik droog te houden.

    Natuurlijk zou de moeder zo niet tot bij haar jong komen en het arme ding had eten nodig. Daarbovenop werd mijn humeur er ook niet beter op. De wederhelft moest met een ander en beter plan op de proppen komen. Dringend. Hij maakte snel een constructie zodat ik de paraplu niet meer hoefde vast te houden en het vogeltje toch al provisoir droog zat. Terwijl ik binnen mijn natte kleren uitschoot, maakte de wederhelft de constructie buiten nog wat groter, zodat de kleine wat meer bewegingsruimte had.

    Genoegzaam keken we vanachter het venster naar de geslaagde missie. Dat was te vroeg victorie gekraaid. Nabij het tuinpoortje zagen we een kat onze tuin binnensluipen. Ongetwijfeld op zoek naar een prooi. Alleen al in Nederland worden er achttien miljoen (!) vogels gedood door katten. Dat konden we in onze tuin niet laten gebeuren, dus haalden we er de haarbal bij. Pak de kat, pak de kat dan, moedigden we hem aan, maar de haarbal bleef in het deurgat zitten. Wat dachten we wel niet: het regende pijpenstelen, die zou geen poot verzetten. Een poging om hem met een tennisbal naar buiten te lokken: Pak de bal, pak de bal dan, hielp voor geen meter. Dus begonnen we, luid joelend, met de tennisballen naar de kat te gooien. Na vier pogingen was het raak: de kat rende de tuin uit. Wanneer het tumult voorbij was geeuwde de haarbal een keer en ging terug in zijn mand liggen.

    De wederhelft en ik bleven nog even in het deurgat staan. Daar werden we eerst een windje gewaar gevolgd door een stevige rukwind. De constructie bewoog vervaarlijk en bleef bij momenten zelfs met moeite op zijn plaats. We wilden niet dat alles vergeefse moeite geweest zou zijn, dus snelde de wederhelft naar de garage en verstevigde met spanbandjes de paraplu… en het zeil… en het windscherm… Ter onze verdediging: het is een héle kleine tuin die we hebben, maar ik moet wel toegeven dat die bijna compleet overspannen was. Klaar voor alle broertjes en zusjes die de sprong nog zouden wagen in het ongure weer. We waren trots en zonder dat het expliciet afgesproken was, gingen we beurteling bij het raam staan om de moedigste rakker van het nest voor verder onheil te behoeden.

  • 19 mei 2024

    De camping deel II

    Ik stel voor dat we het bij de feiten houden. Eerste feit: Luxemburg is een prachtig land. Als je één keer het Mullerthal bezocht, wil je meteen terug. Tweede feit: De campingklever is waarschijnlijk nog in leven. Erg oud was hij niet vorig jaar en de kans dat hij dezelfde periode dit jaar op dezelfde camping ronddwaalt is bijzonder groot, dat zei hij zelf. Feit drie: Van zodra Nederlanders met drie of meer zijn, maken ze het graag “gezellig”. Vanzelfsprekend zijn we de belevenissen van onze laatste kampeertrip niet vergeten, maar het zit in de natuur van de mens: de nare dingen die vervagen en de mooie onthoud je al wat gemakkelijker. Da’s meteen feit vier. En dat ik nooit meer kamperen wil, feit vijf.

    De wederhelft en ik zijn geen uilen. De camping waar we vorig jaar zaten was groot genoeg om de campingklever te ontwijken. We wisten dat hij een vaste plek had, dus reserveerden we een plaats hélemaal aan “de andere kant van de camping”. Dat die plaats kwam zonder elektriciteit, was een euvel dat we wel zouden overwinnen. Voor alles is een oplossing. Behalve campingklevers. Die zijn bijzonder hardnekkig.

    De eerste avond zag er veelbelovend uit, met vele ruime, open plekken en (voorlopig) geen naaste buren. Een – op het eerste zicht – sympathieke jongeman op een fiets arriveerde op de plaats aan de overzijde van de weg. Hoi, zei hij met een Nederlandse tongval. Goedkope plaatsen was de eerste gedachte die spontaan in me opkwam. En dan drong het besef traag door dat “de andere kant van de camping” vorig jaar een vreselijke janboel was.

    Laat me toch nog even benadrukken dat Nederlanders bijzonder fijne mensen zijn… in Nederland. We waren er laatst nog op vakantie en hadden er de tijd van ons leven. De mensen daar waren vriendelijk, behulpzaam en, écht waar: ze maakten er onze tijd daar nog aangenamer op. Maar vanaf het moment dat ze de grens overgestoken zijn, durven ze in onbelemmerde, luidruchtige schepsels te veranderen die zonder enige terughoudendheid behoorlijk vrijpostig kunnen zijn. Zij noemen het “gezellig”. Ik noem het een kwelling.

    Dus die kerel met zijn fiets die daar moederziel alleen zijn tentje aan het opzetten was, zag er op het eerste gezicht sympathiek uit. Dan kwam er een grietje met groene lange haren aanzetten. Zij was te voet, zag er wat sjofel uit ook, en de kans dat zij het liefje van de kerel was, achtte ik eerder aan de kleine kant. De wederhelft stond op het punt hen iets aan te bieden. Moedig vond hij hen: zo mini bepakt met de fiets helemaal vanuit Nederland de bergen in. ‘Zij is niet met de fiets,’ stelde ik vast. Die twee waren de voorbode van iets. De wederhelft wilde me niet geloven en suste me: twee Nederlanders zijn zelden écht luid.

    Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een rode Opel Astra de hoek omgereden. Er stapte een gozer uit de wagen waarvan ik instinctief dacht: Wat heeft Joost Klein in hemelsnaam op een camping te zoeken. Natuurlijk was het Joost Klein niet. Wel een afkooksel ervan, met een roze trui, plastiek broek, veel te grote zonnebril en blauw haar (op dat moment nog verborgen onder een haarband en knaloranje petje). Dat het drietal niet was gekomen om te wandelen, of te klimmen, of wat dan ook, werd duidelijk toen er uit de kofferbak een grote rode kist werd gehesen. Zoals een rasechte verkoper toonde de gozer zijn waren: een gitaar, een ukelele, een mondharmonica en een berg verkleedkleren die de twee anderen meteen wilden passen.

    Al bij al bleef het die avond redelijk rustig. Tot ze zo rond een uur of elf uur met z’n drieën een lied wilden componeren. Erg vlot verliep dat niet en geen van hen had een aanleg voor tokkelen of toonvastheid. Om twee uur ’s nachts kwamen ze zelf ook tot die conclusie. Daar wilden ze toch nog even over brainstormen. Ik stond op het punt de haren uit mijn kop te trekken en stompte de wederhelft wakker. Wat is er met de campingetiquette gebeurd! Hij bezwoer me te zwijgen, zo midden in de nacht, draaide zich om en snurkte verder. Hoeveel gezelliger zal het morgen nog worden als de rest hier is, hoorde ik het meisje zeggen. Grienend trok ik de slaapzak helemaal over mijn kop en begon uit te rekenen hoeveel de tent en het kampeermateriaal zouden kunnen opbrengen als ik ze tweedehands zou verkopen. Zo viel ik uiteindelijk in slaap.

    Enkele uren later werd ik wakker van de peuter van de buren. Hij maakte zowaar nog meer lawaai dan het drietal met de ukelele en de mondharmonica. ‘Dit meen je toch niet,’ zei ik luid en stak mijn kop naar buiten. De buurman van twee plaatsen verder stond met de armen gekruist voor zijn tent. Hij keek me aan met een vermoeide blik: ‘Dat doe ik wel.’ ‘Met opzet?’ vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op, pakte de bal van zoon af en smeet die met een aanzienlijke kracht tegen de tent van de overburen. De kleine rende er gillend van pret achteraan. ‘Hulp nodig?’ vroeg ik. ‘Alle hulp is welkom,’ antwoordde hij.

    Zodoende fluisterde ik tegen de haarbal: ‘Pak de bal. Pak de bal.’ De haarbal stoof de tent uit en liep de kleine omver. Het kind begon te huilen en de haarbal te blaffen. Heerlijk was het en toegegeven: de vader en ik wachtten misschien net iets te lang om in actie te schieten. Maar zie je, we waren echt nog héél erg moe. Uiteindelijk ging ik achter de haarbal aan, brulde de longen uit mijn lijf: ‘Hier! Af! Zit! Los!’, en struikelde daarbij jammerlijk enkele keren over de spanlijnen van de tenten van het drietal. De vader deed niets om zijn zoon te troosten. Integendeel, ik hoorde hem zeggen: ‘Huil maar, jongen. Laat die tranenfabriek maar ’s goed werken.’

    Uit de tenten klonk er gejammer en gezucht. Ik ben er niet trots op, maar wat deed dat deugd. ‘Koffie?’ vroeg de buurman luid. Dat liet ik me welgevallen. Natuurlijk, niet alleen de drie Nederlanders, iedereen in onze nabijheid was wakker gemaakt. De wederhelft kon er niet mee lachen. ‘Dit is een camping. Gedraag je daarnaar. Zo ga je hier echt geen vrienden maken,’ zei hij. ‘t Is maar hoe je het bekijkt,’ antwoordde ik en stak samen met de buurman een kop koffie de lucht in. Een denkbeeldige toast op de fijne samenwerking.

  • 28 april 2024

    Garageverkoop

    Samen met het bericht dat er een garageverkoop werd georganiseerd bij ons in de straat, kwam ik mijn notities tegen die ik nam na ons bezoek aan de rommelmarkt vorig jaar. Toen ontstond het idee dat wij ook een slag konden slaan. Onze garage staat namelijk vol met brol die daar verkocht wordt. We zouden echt een serieuze cent kunnen bijverdienen. Het idee van een garageverkoop was dus geniaal: geen gedoe met bananendozen of vouwtafels, nee: dat was allemaal niet nodig. Ik zou de rommel, zonder al te veel moeite, gewoon kunnen uitstallen op de oprit. Ik zag het geld al binnenstromen en beloofde de wederhelft om met de opbrengst op restaurant te gaan. Hoe groter die opbrengst; hoe chiquer het restaurant.

    De dag van de verkoop stond ik vroeg op en ging meteen aan de slag met vier schragen en twee oude schilderdeuren die dienst zouden doen als tafel. Met de reclame die er gemaakt was, verbaasde het me niet dat er in alle vroegte al een auto met aanhangwagen traag voorbijgereden kwam. ‘Te koop?’ vroeg de man vanachter zijn stuur. ‘Ik heb nog niets uitgestald,’ zei ik en wees daarbij naar de lege tafel.  Dat interpreteerde hij anders dan dat ik bedoeld had. Hij stapte uit en kwam de deuren bekijken. ‘Hoeveel kosten ze?’ ‘Deze gebruikte deuren? Die verkoop ik niet. Dit is mijn tafel.’ ‘Alles is te koop,’ antwoordde hij, alsof hij de uitdrukking daar ter plekke had uitgevonden. Omdat ik zelden een opportuniteit uit de weg ga, vroeg ik wat hij er voor wilde geven. ‘Tien euro,’ zei hij. ‘Veertig,’ antwoordde ik. ‘Twintig,’ zei hij. ‘Dertig of vertrekken.’ Hij ging akkoord. Mijn eerste verkoop was een feit.

    De wederhelft kon er niet mee lachen. Hij moest snel-snel een veel te grote betonplexplaat transformeren tot nieuw tafelblad. Die plaat koste meer dan het dubbele van wat ik voor de deuren had gekregen. De dertig euro die ik had verdiend kon ik dus al meteen afgeven. Daarna stapte hij het boos af. Met een kleine knoop in mijn maag begon ik de spullen die ik verzameld had toch uit te stallen en bond ik de haarbal vast aan de tafel. Dat had ik vorig jaar ook genoteerd. Hij zou mijn publiekstrekker zijn. Als het meezat kon hij een opstopping veroorzaken. Iedereen zou halt houden ter hoogte van nummer tweeëntachtig. Of op z’n minst moeten vertragen.

    Rond tien uur begon er aardig wat volk samen te troepen bij de haarbal. Een dame die haar dochter er had naast gezet, bestudeerde enkele van mijn oude jurken. ‘Zijn die van jou geweest?’ vroeg ze. ‘Allemaal,’ antwoordde ik. Daarbij taxeerde ze me van kop tot teen, nam een jurk van de kleerhanger en hield die met gestrekte armen denkbeeldig voor mijn lijf. ‘Toen was je beduidend…’ ‘Als je die zin afmaakt, vrees ik dat ik het dubbele zal moeten aanrekenen,’ onderbrak ik haar. ‘Hoeveel kosten ze dan?’ vroeg ze. ‘Nu nog vijf euro.’ De wederhelft die er was komen bijstaan, stelde voor dat ik even zou pauzeren. De haarbal deed zijn job met verve, maar hij was bang dat ik potentiële kopers zou afschrikken.

    Lang bleef ik niet weg. De tijd die je nodig hebt om een tas thee te zetten. Wanneer ik terug bij het kraam kwam staan, zag ik dat er echt al veel verkocht was. De pot met oude vijzen en spijkers was weg. Een groot deel van het verroeste gereedschap ook. Net als de berg Tupperware van Chinese makelij die de wederhelft vorig jaar nog op de rommelmarkt had gekocht. Wel zag ik dat mijn volledige boekenreeks van de Zeven Zussen in het midden van de tafel was uitgestald. Ik begon naar adem te happen. ‘Hoe is die daar geraakt, die heb ik niet…’ De wederhelft onderbrak me: ‘Wacht even, schat. ik heb net een koper, denk ik,’ en wuifde me weg. ‘Vijf euro,’ zei hij tegen de jongedame. ‘Voor de hele reeks?’ vroeg ze ietwat verbaasd. Hij knikte, breed glimlachend. ‘Waar ben je mee bezig?’ fezelde ik. ‘Die betonplexplaat terugverdienen,’ repliceerde hij zonder me aan te kijken. ‘Zo gaan wij geen vrienden blijven,’ fluisterde ik in zijn oor en griste de reeks van de tafel.

    Nadat ik de boeken op een veilige plek had weggeborgen, viel mijn oog op mijn (gereduceerde) verzameling blikken koekendozen. Ik dacht dat ik uit mijn vel ging springen. “Hoeveel heb je er daar al van verkocht?’ gilde ik. ‘Nog maar vier. Ik had verwacht dat ze een groter succes zouden zijn,’ antwoordde de wederhelft koelbloedig. ‘Ben je helemaal gek geworden! Je verkoopt de spullen die ik hier op tafel heb gezet. Of helemaal niets.’ Ik duwde de overige koekendozen in zijn handen en joeg hem weg. Wat dacht hij wel… Daarbovenop was de bokaal die dienst deed als kassa zo goed als leeg. Alsof hij alles gratis had weggegeven om er vanaf te zijn. Een hulp was hij niet geweest.

    In de daaropvolgende week bleek dat de wederhelft niet alleen een groot deel van mijn bloempotten ongevraagd had verkocht. Ook de zak potgrond die er naast stond en twee van mijn tuinkabouters waren verdwenen. Toen ik er in de garage naar op zoek was, botste ik op de pot met oude vijzen en nagels. Daaronder vond ik een doos met verroest gereedschap en een zak met goedkope Tupperware van Chinese makelij. Triest was het. Net zoals ons uitje naar de lokale kebabzaak. De wederhelft stond erop om daar te gaan eten. Ik had hem tenslotte een restaurantbezoek beloofd. Een kleine döner kebab met een portie friet kon er nog net af na de aankoop van een nieuwe betonplexplaat.

  • 14 april 2024

    De fietshelm

    Ik kreeg chocolade en een kaartje op de dag van het sociaal werk (negentien maart was dat). De rest van het jaar deel ik schouderklopjes uit op andere bijzondere dagen. Zoals de dag van de zorg, bijvoorbeeld. Daar zouden er trouwens meer van mogen zijn, maar dan blijkt, na wat opzoekwerk,  dat ze ergens verderop in het jaar nog ‘s een hele week krijgen. Met acht dagen zitten ze wel goed, denk ik dan. Want velen verdienen zo’n themadag en een heleboel zaken die wat minder sexy zijn, hebben er ongetwijfeld baat bij om een dag in de spotlight te staan. Autisme en Parkinson bijvoorbeeld. Ja, zelfs pijn en armoe. Dingen die snel in de vergetelheid durven te geraken of, erger nog, in de taboesfeer. Laat me dus stellen dat ze terecht “hun” dag hebben.

    Maar er zijn grenzen. Zo passeerde er de voorbije week de “Dag van de fietshelm”. Check het journaal van tien april als je me niet gelooft. Ik schrijf dit met het grootste respect voor al diegenen die er een draagt; Plaats de fietshelm in de aandacht zoveel je wil, maar een themadag verdient die niet. Er zijn er (maar) driehonderdvijzenzestig uit te delen, en er zijn minstens evenveel betere opties. De gloeilamp, het draaiorgel, olieverf, krulbollen. Ik werp maar wat op.

    Wat ik bedoel is dat die dag van de fietshelm alle andere ridiculiseert. Wat is zo’n themadag nog waard, als zelfs een fietshelm er een kan krijgen. Vroeger had je Moederdag, Vaderdag en secretaressedag. Daarmee was de kous af. Nu wil elke lobbyist een dag voor zijn boodschap. En er zijn echt goede kwesties die terecht in de aandacht komen. Zo is er ergens in de loop der jaren, en met wat voortschrijdend inzicht, de wereldvrouwendag uitgevonden. Dan de dag tegen discriminatie. Daarna de wereldmannendag (die wrang genoeg zijn themadag deelt met die voor de preventie van kindermisbruik) En nog wat later kreeg ook de dag voor uitbanning van geweld tegen vrouwen, een plaatsje in het kalenderjaar. Eén voor één achtenswaardige onderwerpen. Echt waar. Toen was er negen april. De dag van de fietshelm…

    Het lukt niet om niet cynisch te worden van onzin als dit. Het is ter preventie van ernstig hoofdtrauma. Dat is de laatste jaren gestegen. Dat komt omdat er jaar na jaar, steeds meer fietsers betrokken zijn in verkeersconflicten. Omdat de fietser in die situaties iets makkelijker met zijn kop tegen de grond smakt dan een doorsnee automobilist, willen “ze” – lees: de verzekeraars en een overijverige ambtenaar – dat er fietshelmen worden opgezet. Met zachte dwang, als het kan. Verplicht, als het moet. De verantwoordelijk voor dat hoofdtrauma wordt dus bij de fietser gelegd: kop bezeerd? Ach ja: had je maar een helm moeten dragen. Eigen schuld dikke bult. Wel: ze mogen die helm steken waar de zon niet schijnt, ik vertik het. Ik draag het niet. Dat “ze” er maar eerst voor zorgen dat er met een andere en betere verkeersinfrastructuur minder ongevallen gebeuren.

    Ik merkte dat mijn wijsvinger een eigen leven was gaan leiden. ‘Kalmeer toch. Straks smoor je nog op,’ zei de wederhelft. Hij stelde voor om naar de crèmerie te fietsen. ‘Kan je wat afkoelen, eerst met de haren in de wind en daarna met een ijsje in de mond.’ Hij heeft soms goede ideeën. Niet veel later fietsten we zij aan zij. De haarbal in de kar achter ons. De zon scheen en de geuren van de lente en zijn bloesems kwamen in vlagen op ons af. Een mens heeft niet veel nodig om gelukkig te zijn. En ook niet veel om ongelukkig van te worden. Een veter bijvoorbeeld, die blijft vastzitten aan het pedaal.

    Als een strop trok die veter mijn linkerschoen strakker en strakker vast in de trapas. Ik merkte te laat dat ik in een penibele situatie terecht was gekomen en slaakte een hulpkreet. ‘Trap achteruit. Naar achteren, snel!’ adviseerde de wederhelft. Ik deed nog een halfslachtige poging, maar het haalde niets uit. Gelukkig had ik al heel wat vaart geminderd op het moment dat ik tegen de vlakte ging. Geluk bij een ongeluk: ik mistte met mijn kop op een haar na het asfalt en belandde vlak ernaast in een grote pluk gras. Op wat schrammen na: ongedeerd.

    ‘Pfff…’ zuchtte de wederhelft terwijl hij traag een Zwitsers zakmes tevoorschijn toverde. ‘Die andere weggebruikers toch. Gelukkig ben jij wél een goede fietser en zou het dragen van een helm enkel nodig zijn omdat alle andere onverlaten op de weg er een gevaarlijke bende van maken.’ ‘Snij me los en hou je sarcasme voor je,’ jammerde ik vanonder mijn fiets. ‘Wat denk je van een fietshelm als verjaardagscadeau?’ stelde de wederhelft voor. ‘Dan nog liever een driewieler.’ De haarbal huilde stilletjes met me mee.

  • 31 maart 2024

    Begeestering

    Het werd pas interessant. De hoogtewerker reed traag naar de wedstrijddrone die zich te pletter had gevlogen in het net dat de toeschouwers beschermde. Verder bewoog er niets. Niet op het parcours, niet aan de zijlijn. Zelfs de twee mannen in de hoogtewerker deden dat zo mat en lusteloos dat je medelijden met hen kreeg. ‘Hier gebeurt niets,’ zei mijn neef. ‘Hier ontbreekt begeestering,’ verbeterde ik hem. ‘Wat is dat: begeestering?’ vroeg hij. ‘Begeestering, jongen, is dat wat je hier niet vindt: enthousiasme, leven, gedrevenheid, vuur, gretigheid… Begrijp je?’

    Dat deed mijn neef. Meer zelfs, de mannen in de hoogtewerker waren zijn hoogtepunt van ons bezoek aan het slotfestival van het Flanders Technology & Innovation Festival vorige week zondag. Gelukkig waren het gratis tickets geweest. Dat verzachtte de striemende koude wind op het terrein naast het Sportpaleis. Binnen had mijn neef, op minder dan een uur, alles gezien. Van de VR-brillen die niet werkten omdat de sufferds ze niet hadden opgeladen; tot de knullig nagebouwde kamer van de Code van Coppens. Er was een gameontwikkelaar die er wel zat maar ons liever niet te woord stond. En van de verschillende hogescholen hadden ze enkel de minst begeesterde docenten bereid gevonden zich op een zondag te engageren.

    Mijn neef wilde terug naar huis. Dat vond ik het beste idee van die dag. Richting uitgang passeerden we nog een spiksplinternieuwe politiecombi, een hamburgerkraam, twee baanbrekende trucks van DAF en dan zag ik ze staan; De CO2-neutrale bus van Van Hool. Waar haalden ze het lef. De dag dat – vanwege gebakkelei om wat aandelen – een faillissement niet meer af te wenden was. De dag dat een van mijn meest dierbare naasten zijn job ging verliezen door de debiele onkunde van een stelletje ruziemakers. De dag dat elke reddingspoging onmogelijk bleek te zijn, omdat er geen garantie was dat het nieuwe kapitaal niet in de zakken van de familie Van Hool zou verdwijnen. Ze moesten zich schamen!

    ‘Je maakt dat ik me ga schamen,’ zei mijn neef. ‘Ga dan al wat verderop staan, want dit laat ik niet over mijn kant gaan,’ antwoordde ik. ‘Je gaat ze dat toch echt niet zeggen?’ ‘Wacht maar,’ zei ik en beende op de bus af.

    ‘Waar halen jullie het lef,’ zei ik tegen de twee mannen die in fluo hesje in de deuropening van de bus stonden. Het bedrijf gaat failliet en jullie staan hier met een CO2-neutrale bus! Alsof het een optie is dat je er nog een kan bestellen!’ De grootste van de twee wilde me onderbreken maar ik had nog veel meer te zeggen: ‘Hoe denk je dat de werknemers zich zullen voelen? “Oh,” hoor ik jullie dan zeggen, “er is job genoeg in de regio. Niemand zal lang werkloos zijn.” Die mannen verliezen hun tweede familie, hé. Ze gaan echt niet allemaal bij dezelfde werkgever aan de slag kunnen gaan. Wij, jullie, iedereen weet dat alle werknemers in de zak worden gezet! De nazaten van de grote mijnheer Van Hool zullen er geen boterham minder om eten. Maar een opzegvergoeding voor het werkvolk, how maar: daar is geen geld voor!’ Ik priemde met mijn vinger op de borst van de  man. ‘Madamme, mag ik…’ ‘Nee, u mag niet! En ja ik weet dat u persoonlijk niet verantwoordelijk bent voor dat schandalig debacle, maar jij staat hen hier wel te vertegenwoordigen. Pik dit dus maar!’

    De man begon het op zijn heupen te krijgen en duwde misnoegd enkele brochures in mijn handen. Ik kon ze niet weigeren, maar wilde ze ook niet lezen. Dus begon ik ermee te wapperen. Eerst ter hoogte van mijn schouder en dan demonstratief voor zijn neus. ‘Wat denk je, man? Één: ziet het er naar uit dat Van Hool ooit nog een bus gaat verkopen? En twee: zie ik er uit alsof ik kapitaalkrachtig genoeg ben om een bus te kopen?’ ‘Wij zoeken collega’s, mevrouw,’ zei de man op neutrale toon. ‘Wie?’ vroeg ik. ‘De Lijn, mevrouw. Wij zijn buschauffeurs van vervoersmaatschappij “De Lijn”. En nee, wij hebben er niet voor gekozen om, op een druilerige zondag, in een bus van Van Hool, onder het viaduct van Merksem, de les gespeld te worden door een hysterische vrouw.’ ‘De Lijn, zei u?’ ‘Buschauffeur in volle glorie.’ De man gebaarde naar zijn uniform. Daar had ik niet van terug, ik wist zelfs niet meer wat zeggen. Gelukkig was er mijn neef die me kwam redden. ‘Mijn tante is niet hysterisch meneer, hooguit wat begeesterd. Maar ik heb begrepen dat dat iets goeds is…’

  • 17 maart 2024

    De Nabeschouwing

    De vraag of mijn plan nu wel of net niet mislukt was, bleef door mijn hoofd spoken. Wanneer spreekt men trouwens van een mislukking? Is het een balans die in het midden omslaat van slagen naar falen? Of is het een graduele schaal? In dat geval, waar zou ik dan geëindigd zijn? Op een twee op tien? Misschien wel een drie. Want écht falen deed ik niet die avond. Er was nog hoop. Dus het was zeker geen nul. Of zo’n pathetische één, die evengoed op een faliekant falen wijst: een nul zonder er een te zijn.

    Evenwel, na de bedroevende reactie van de wederhelft kon ik niet anders besluiten dan dat de uitwerking van mijn plan te brutaal was geweest. Hoe had ik me zo in zijn stugheid kunnen vergissen? Ik was te overhaast tewerk gegaan, had meer geduld moeten opbrengen, zoals met taaie stukken stoofvlees die je best eerst prikt voor je ze lang in de pot laat sudderen. Heel lang laat sudderen. En bij twijfel nog wat langer. Je zou denken dat ik me daar, na veertien jaar samenzijn, niet meer aan zou laten vangen. Zo zie je maar.

    Het plan was nochtans op verschillende blaadjes en tot in de kleinste details uitgewerkt geweest. Met onderstreepte woorden, pijlen en hier en daar een omcirkeling rond de belangrijkste stappen. Met B- en C-plannen, en uitwijkmogelijkheden voor alle dingen die konden mislopen. Wat was het toch zonde dat ik me in dat laatste gesprek vergaloppeerd had. Te zegezeker was geworden. De gedachte dat er met een betere timing, een hele andere uitkomst had kunnen zijn, bezorgde me een  zure oprisping. Hoewel, de smaak van chocolade verraadde dat er een oorzakelijk verband was met het dessert van die avond.

    Er drong zich een terugblik op wat er hoe, waar en wanneer was misgelopen. Dat deed ik best nog diezelfde avond omdat alles nog fris in mijn geheugen zat. Én omdat een ongeschreven evaluatie snel onoverzichtelijk, en bovendien veel te snel vergeten wordt, besloot ik notities te nemen. Zodoende probeerde ik me in chronologische volgorde alles terug voor de geest te halen; van het kleinste non-verbale signaal tot de bedroevende reactie van de wederhelft.

    Het eerste wat ik neerpende was: Onvervulde hoop maakt ziek, vervuld verlangen is een levenswerk. Dat was ooit een spreuk van Bond Zonder Naam. Daar zou ik hoop – of beter nog: moed – moeten uit kunnen putten. Jammer genoeg was er een voorgangster geweest. En koppels waar het recent nog was bij misgelopen. Collega’s ook, die de wederhelft wat wijsmaakten. De ideeën van dat stelletje idioten waren doorgaans dwaas tot bespottelijk. Dat zou pas een schaal zijn. De Maat van de Idiotie. Die zou ik later uitwerken, maar ik noteerde in de kantlijn toch snel de woorden: halfgaar, potsierlijk en grotesk.

    Ik dwong mezelf terug naar de essentie te keren. De wederhelft was van mening geweest dat een ezel zich niet twee keer aan dezelfde steen stoot. Zelfs met de beste bedoelingen kon je daar geen compliment van maken. Ach, de angsthaas was verre van het punt om in te binden. Toch denk ik soms: ik was er bijna, maar wat is dat waard? Bijna… Een oud spreekwoord zegt: Bijna is nog niet half, en een koe is geen kalf. Dat deed me aan het verhaal van de oude boer Hendrick en zijn koeien denken. Boer Hendrick was in een ver verleden te weten gekomen dat ze in Japan hun koeien masseerden en bier te drinken gaven om zo het vlees malser te krijgen. Hij had het zelf ook een paar maanden geprobeerd, maar dat was geen succes geweest. De kalveren werden dronken en zijn vrouw jaloers. Toch school er misschien wel een waarheid in het idee. Ik moest dringend een nieuwe fles whisky in huis halen. Dat was absoluut iets om neer te schrijven.

←Vorige pagina
1 2 3 4 5 6 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 66 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen