GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 9 juni 2024

    De pimpelmees

    In één legsel van de pimpelmees zitten zeven tot twaalf eieren, één ei per dag leggen ze. Twee weken later komen de eieren uit, dag na dag. Dat is rekenkundige logica. De jongen zitten vervolgens nog vijftien tot zeventien dagen op het nest en eens uitgevlogen, worden ze nog tot drie weken gevoerd. Goh, dan schiet mijn verbeeldingskracht te kort… Hoe passen er in hemelsnaam twaalf kuikentjes in die kleine nestkastjes? Zelfs gestapeld zitten ze dan drie hoog. Ik krijg het, als ik eraan denk, elke keer weer benauwd van.

    Voor het eerst in jaren broedden er in onze tuin een koppeltje pimpelmezen. We hadden geen idee wanneer het eerste ei werd gelegd, en omdat we de eerste sprong van de koolmezen gemist hadden, waren de wederhelft en ik vastberaden om getuige proberen te zijn van die van de pimpelmezen. Elke dag legden we een aantal keer ons oor te luisteren bij het nestkastje. Het getsjilp werd steeds luider, de verwachting steeds groter. Aan beide zijden van de houten plankjes. Tot we vorige week, in de gietende regen, het nestkastje passeerden. We hoorden het tsjilpen, hoog boven ons en een wat zachter gepiep laag tegen de grond. Midden op het tuinpad zat er een geel pluizig bolletje te verzuipen. Hulpeloos probeerde het zich te verplaatsen, maar erg geslaagd was dat manoeuvre niet. We onderdrukten de drang om het op te pakken, want de moeder zou het dan ongetwijfeld afstoten en we hadden geen benul van hoe je een pimpelmees zindelijk krijgt. Toch, het knulletje aan zijn lot overlaten zat niet in ons DNA, dus beraamden we een plan. 

    Want hoe indrukwekkend moet het niet geweest zijn voor dat kereltje? Hij kwam uit een ei waarvan hij dacht dat dàt het universum was. Totdat het hemelgewelf echt wel wat krap werd en uiteindelijk openbrak. Een hele nieuwe, knusse wereld ging voor hem open waarvan hij dacht dat dàt de échte grenzen van het universum wel moesten zijn. Totdat ook dat universum wat aan de krappe kant werd en hij zich, omhooggestuwd door broers en zussen, door een klein gaatje wurmde en veertig lichaamslengtes naar beneden donderde. In de gietende regen. Bij een graad of elf.

    Welke kansen had hij in een wereld vol gevaren? Ik had het beter niet opgezocht: minder dan vijftig procent van de kuikens van de pimpelmees overleven de eerste drie weken… pfff. De wederhelft en ik werden er wat mistroostig van. We wilden de kleine rakker echt wel alle kansen geven die we konden verzinnen. Zonder het aan te raken, wat de uitdaging nét iets groter maakte. Veel tijd hadden we niet. Het begon steeds harder te regenen. Het eerste wat ons te binnen schoot was: droog houden. Het meest uitgelezen voorwerp daarvoor was: de paraplu. Ik trok het kortste strootje en ging met goede moed buiten bij de struik staan waar het knulletje onder was gekropen. Mét uitgestrekte arm, want ik wilde het niet doen opschrikken. Zo stond ik daar voor de buitenwereld een bosbessenstruik droog te houden.

    Natuurlijk zou de moeder zo niet tot bij haar jong komen en het arme ding had eten nodig. Daarbovenop werd mijn humeur er ook niet beter op. De wederhelft moest met een ander en beter plan op de proppen komen. Dringend. Hij maakte snel een constructie zodat ik de paraplu niet meer hoefde vast te houden en het vogeltje toch al provisoir droog zat. Terwijl ik binnen mijn natte kleren uitschoot, maakte de wederhelft de constructie buiten nog wat groter, zodat de kleine wat meer bewegingsruimte had.

    Genoegzaam keken we vanachter het venster naar de geslaagde missie. Dat was te vroeg victorie gekraaid. Nabij het tuinpoortje zagen we een kat onze tuin binnensluipen. Ongetwijfeld op zoek naar een prooi. Alleen al in Nederland worden er achttien miljoen (!) vogels gedood door katten. Dat konden we in onze tuin niet laten gebeuren, dus haalden we er de haarbal bij. Pak de kat, pak de kat dan, moedigden we hem aan, maar de haarbal bleef in het deurgat zitten. Wat dachten we wel niet: het regende pijpenstelen, die zou geen poot verzetten. Een poging om hem met een tennisbal naar buiten te lokken: Pak de bal, pak de bal dan, hielp voor geen meter. Dus begonnen we, luid joelend, met de tennisballen naar de kat te gooien. Na vier pogingen was het raak: de kat rende de tuin uit. Wanneer het tumult voorbij was geeuwde de haarbal een keer en ging terug in zijn mand liggen.

    De wederhelft en ik bleven nog even in het deurgat staan. Daar werden we eerst een windje gewaar gevolgd door een stevige rukwind. De constructie bewoog vervaarlijk en bleef bij momenten zelfs met moeite op zijn plaats. We wilden niet dat alles vergeefse moeite geweest zou zijn, dus snelde de wederhelft naar de garage en verstevigde met spanbandjes de paraplu… en het zeil… en het windscherm… Ter onze verdediging: het is een héle kleine tuin die we hebben, maar ik moet wel toegeven dat die bijna compleet overspannen was. Klaar voor alle broertjes en zusjes die de sprong nog zouden wagen in het ongure weer. We waren trots en zonder dat het expliciet afgesproken was, gingen we beurteling bij het raam staan om de moedigste rakker van het nest voor verder onheil te behoeden.

  • 19 mei 2024

    De camping deel II

    Ik stel voor dat we het bij de feiten houden. Eerste feit: Luxemburg is een prachtig land. Als je één keer het Mullerthal bezocht, wil je meteen terug. Tweede feit: De campingklever is waarschijnlijk nog in leven. Erg oud was hij niet vorig jaar en de kans dat hij dezelfde periode dit jaar op dezelfde camping ronddwaalt is bijzonder groot, dat zei hij zelf. Feit drie: Van zodra Nederlanders met drie of meer zijn, maken ze het graag “gezellig”. Vanzelfsprekend zijn we de belevenissen van onze laatste kampeertrip niet vergeten, maar het zit in de natuur van de mens: de nare dingen die vervagen en de mooie onthoud je al wat gemakkelijker. Da’s meteen feit vier. En dat ik nooit meer kamperen wil, feit vijf.

    De wederhelft en ik zijn geen uilen. De camping waar we vorig jaar zaten was groot genoeg om de campingklever te ontwijken. We wisten dat hij een vaste plek had, dus reserveerden we een plaats hélemaal aan “de andere kant van de camping”. Dat die plaats kwam zonder elektriciteit, was een euvel dat we wel zouden overwinnen. Voor alles is een oplossing. Behalve campingklevers. Die zijn bijzonder hardnekkig.

    De eerste avond zag er veelbelovend uit, met vele ruime, open plekken en (voorlopig) geen naaste buren. Een – op het eerste zicht – sympathieke jongeman op een fiets arriveerde op de plaats aan de overzijde van de weg. Hoi, zei hij met een Nederlandse tongval. Goedkope plaatsen was de eerste gedachte die spontaan in me opkwam. En dan drong het besef traag door dat “de andere kant van de camping” vorig jaar een vreselijke janboel was.

    Laat me toch nog even benadrukken dat Nederlanders bijzonder fijne mensen zijn… in Nederland. We waren er laatst nog op vakantie en hadden er de tijd van ons leven. De mensen daar waren vriendelijk, behulpzaam en, écht waar: ze maakten er onze tijd daar nog aangenamer op. Maar vanaf het moment dat ze de grens overgestoken zijn, durven ze in onbelemmerde, luidruchtige schepsels te veranderen die zonder enige terughoudendheid behoorlijk vrijpostig kunnen zijn. Zij noemen het “gezellig”. Ik noem het een kwelling.

    Dus die kerel met zijn fiets die daar moederziel alleen zijn tentje aan het opzetten was, zag er op het eerste gezicht sympathiek uit. Dan kwam er een grietje met groene lange haren aanzetten. Zij was te voet, zag er wat sjofel uit ook, en de kans dat zij het liefje van de kerel was, achtte ik eerder aan de kleine kant. De wederhelft stond op het punt hen iets aan te bieden. Moedig vond hij hen: zo mini bepakt met de fiets helemaal vanuit Nederland de bergen in. ‘Zij is niet met de fiets,’ stelde ik vast. Die twee waren de voorbode van iets. De wederhelft wilde me niet geloven en suste me: twee Nederlanders zijn zelden écht luid.

    Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een rode Opel Astra de hoek omgereden. Er stapte een gozer uit de wagen waarvan ik instinctief dacht: Wat heeft Joost Klein in hemelsnaam op een camping te zoeken. Natuurlijk was het Joost Klein niet. Wel een afkooksel ervan, met een roze trui, plastiek broek, veel te grote zonnebril en blauw haar (op dat moment nog verborgen onder een haarband en knaloranje petje). Dat het drietal niet was gekomen om te wandelen, of te klimmen, of wat dan ook, werd duidelijk toen er uit de kofferbak een grote rode kist werd gehesen. Zoals een rasechte verkoper toonde de gozer zijn waren: een gitaar, een ukelele, een mondharmonica en een berg verkleedkleren die de twee anderen meteen wilden passen.

    Al bij al bleef het die avond redelijk rustig. Tot ze zo rond een uur of elf uur met z’n drieën een lied wilden componeren. Erg vlot verliep dat niet en geen van hen had een aanleg voor tokkelen of toonvastheid. Om twee uur ’s nachts kwamen ze zelf ook tot die conclusie. Daar wilden ze toch nog even over brainstormen. Ik stond op het punt de haren uit mijn kop te trekken en stompte de wederhelft wakker. Wat is er met de campingetiquette gebeurd! Hij bezwoer me te zwijgen, zo midden in de nacht, draaide zich om en snurkte verder. Hoeveel gezelliger zal het morgen nog worden als de rest hier is, hoorde ik het meisje zeggen. Grienend trok ik de slaapzak helemaal over mijn kop en begon uit te rekenen hoeveel de tent en het kampeermateriaal zouden kunnen opbrengen als ik ze tweedehands zou verkopen. Zo viel ik uiteindelijk in slaap.

    Enkele uren later werd ik wakker van de peuter van de buren. Hij maakte zowaar nog meer lawaai dan het drietal met de ukelele en de mondharmonica. ‘Dit meen je toch niet,’ zei ik luid en stak mijn kop naar buiten. De buurman van twee plaatsen verder stond met de armen gekruist voor zijn tent. Hij keek me aan met een vermoeide blik: ‘Dat doe ik wel.’ ‘Met opzet?’ vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op, pakte de bal van zoon af en smeet die met een aanzienlijke kracht tegen de tent van de overburen. De kleine rende er gillend van pret achteraan. ‘Hulp nodig?’ vroeg ik. ‘Alle hulp is welkom,’ antwoordde hij.

    Zodoende fluisterde ik tegen de haarbal: ‘Pak de bal. Pak de bal.’ De haarbal stoof de tent uit en liep de kleine omver. Het kind begon te huilen en de haarbal te blaffen. Heerlijk was het en toegegeven: de vader en ik wachtten misschien net iets te lang om in actie te schieten. Maar zie je, we waren echt nog héél erg moe. Uiteindelijk ging ik achter de haarbal aan, brulde de longen uit mijn lijf: ‘Hier! Af! Zit! Los!’, en struikelde daarbij jammerlijk enkele keren over de spanlijnen van de tenten van het drietal. De vader deed niets om zijn zoon te troosten. Integendeel, ik hoorde hem zeggen: ‘Huil maar, jongen. Laat die tranenfabriek maar ’s goed werken.’

    Uit de tenten klonk er gejammer en gezucht. Ik ben er niet trots op, maar wat deed dat deugd. ‘Koffie?’ vroeg de buurman luid. Dat liet ik me welgevallen. Natuurlijk, niet alleen de drie Nederlanders, iedereen in onze nabijheid was wakker gemaakt. De wederhelft kon er niet mee lachen. ‘Dit is een camping. Gedraag je daarnaar. Zo ga je hier echt geen vrienden maken,’ zei hij. ‘t Is maar hoe je het bekijkt,’ antwoordde ik en stak samen met de buurman een kop koffie de lucht in. Een denkbeeldige toast op de fijne samenwerking.

  • 28 april 2024

    Garageverkoop

    Samen met het bericht dat er een garageverkoop werd georganiseerd bij ons in de straat, kwam ik mijn notities tegen die ik nam na ons bezoek aan de rommelmarkt vorig jaar. Toen ontstond het idee dat wij ook een slag konden slaan. Onze garage staat namelijk vol met brol die daar verkocht wordt. We zouden echt een serieuze cent kunnen bijverdienen. Het idee van een garageverkoop was dus geniaal: geen gedoe met bananendozen of vouwtafels, nee: dat was allemaal niet nodig. Ik zou de rommel, zonder al te veel moeite, gewoon kunnen uitstallen op de oprit. Ik zag het geld al binnenstromen en beloofde de wederhelft om met de opbrengst op restaurant te gaan. Hoe groter die opbrengst; hoe chiquer het restaurant.

    De dag van de verkoop stond ik vroeg op en ging meteen aan de slag met vier schragen en twee oude schilderdeuren die dienst zouden doen als tafel. Met de reclame die er gemaakt was, verbaasde het me niet dat er in alle vroegte al een auto met aanhangwagen traag voorbijgereden kwam. ‘Te koop?’ vroeg de man vanachter zijn stuur. ‘Ik heb nog niets uitgestald,’ zei ik en wees daarbij naar de lege tafel.  Dat interpreteerde hij anders dan dat ik bedoeld had. Hij stapte uit en kwam de deuren bekijken. ‘Hoeveel kosten ze?’ ‘Deze gebruikte deuren? Die verkoop ik niet. Dit is mijn tafel.’ ‘Alles is te koop,’ antwoordde hij, alsof hij de uitdrukking daar ter plekke had uitgevonden. Omdat ik zelden een opportuniteit uit de weg ga, vroeg ik wat hij er voor wilde geven. ‘Tien euro,’ zei hij. ‘Veertig,’ antwoordde ik. ‘Twintig,’ zei hij. ‘Dertig of vertrekken.’ Hij ging akkoord. Mijn eerste verkoop was een feit.

    De wederhelft kon er niet mee lachen. Hij moest snel-snel een veel te grote betonplexplaat transformeren tot nieuw tafelblad. Die plaat koste meer dan het dubbele van wat ik voor de deuren had gekregen. De dertig euro die ik had verdiend kon ik dus al meteen afgeven. Daarna stapte hij het boos af. Met een kleine knoop in mijn maag begon ik de spullen die ik verzameld had toch uit te stallen en bond ik de haarbal vast aan de tafel. Dat had ik vorig jaar ook genoteerd. Hij zou mijn publiekstrekker zijn. Als het meezat kon hij een opstopping veroorzaken. Iedereen zou halt houden ter hoogte van nummer tweeëntachtig. Of op z’n minst moeten vertragen.

    Rond tien uur begon er aardig wat volk samen te troepen bij de haarbal. Een dame die haar dochter er had naast gezet, bestudeerde enkele van mijn oude jurken. ‘Zijn die van jou geweest?’ vroeg ze. ‘Allemaal,’ antwoordde ik. Daarbij taxeerde ze me van kop tot teen, nam een jurk van de kleerhanger en hield die met gestrekte armen denkbeeldig voor mijn lijf. ‘Toen was je beduidend…’ ‘Als je die zin afmaakt, vrees ik dat ik het dubbele zal moeten aanrekenen,’ onderbrak ik haar. ‘Hoeveel kosten ze dan?’ vroeg ze. ‘Nu nog vijf euro.’ De wederhelft die er was komen bijstaan, stelde voor dat ik even zou pauzeren. De haarbal deed zijn job met verve, maar hij was bang dat ik potentiële kopers zou afschrikken.

    Lang bleef ik niet weg. De tijd die je nodig hebt om een tas thee te zetten. Wanneer ik terug bij het kraam kwam staan, zag ik dat er echt al veel verkocht was. De pot met oude vijzen en spijkers was weg. Een groot deel van het verroeste gereedschap ook. Net als de berg Tupperware van Chinese makelij die de wederhelft vorig jaar nog op de rommelmarkt had gekocht. Wel zag ik dat mijn volledige boekenreeks van de Zeven Zussen in het midden van de tafel was uitgestald. Ik begon naar adem te happen. ‘Hoe is die daar geraakt, die heb ik niet…’ De wederhelft onderbrak me: ‘Wacht even, schat. ik heb net een koper, denk ik,’ en wuifde me weg. ‘Vijf euro,’ zei hij tegen de jongedame. ‘Voor de hele reeks?’ vroeg ze ietwat verbaasd. Hij knikte, breed glimlachend. ‘Waar ben je mee bezig?’ fezelde ik. ‘Die betonplexplaat terugverdienen,’ repliceerde hij zonder me aan te kijken. ‘Zo gaan wij geen vrienden blijven,’ fluisterde ik in zijn oor en griste de reeks van de tafel.

    Nadat ik de boeken op een veilige plek had weggeborgen, viel mijn oog op mijn (gereduceerde) verzameling blikken koekendozen. Ik dacht dat ik uit mijn vel ging springen. “Hoeveel heb je er daar al van verkocht?’ gilde ik. ‘Nog maar vier. Ik had verwacht dat ze een groter succes zouden zijn,’ antwoordde de wederhelft koelbloedig. ‘Ben je helemaal gek geworden! Je verkoopt de spullen die ik hier op tafel heb gezet. Of helemaal niets.’ Ik duwde de overige koekendozen in zijn handen en joeg hem weg. Wat dacht hij wel… Daarbovenop was de bokaal die dienst deed als kassa zo goed als leeg. Alsof hij alles gratis had weggegeven om er vanaf te zijn. Een hulp was hij niet geweest.

    In de daaropvolgende week bleek dat de wederhelft niet alleen een groot deel van mijn bloempotten ongevraagd had verkocht. Ook de zak potgrond die er naast stond en twee van mijn tuinkabouters waren verdwenen. Toen ik er in de garage naar op zoek was, botste ik op de pot met oude vijzen en nagels. Daaronder vond ik een doos met verroest gereedschap en een zak met goedkope Tupperware van Chinese makelij. Triest was het. Net zoals ons uitje naar de lokale kebabzaak. De wederhelft stond erop om daar te gaan eten. Ik had hem tenslotte een restaurantbezoek beloofd. Een kleine döner kebab met een portie friet kon er nog net af na de aankoop van een nieuwe betonplexplaat.

  • 14 april 2024

    De fietshelm

    Ik kreeg chocolade en een kaartje op de dag van het sociaal werk (negentien maart was dat). De rest van het jaar deel ik schouderklopjes uit op andere bijzondere dagen. Zoals de dag van de zorg, bijvoorbeeld. Daar zouden er trouwens meer van mogen zijn, maar dan blijkt, na wat opzoekwerk,  dat ze ergens verderop in het jaar nog ‘s een hele week krijgen. Met acht dagen zitten ze wel goed, denk ik dan. Want velen verdienen zo’n themadag en een heleboel zaken die wat minder sexy zijn, hebben er ongetwijfeld baat bij om een dag in de spotlight te staan. Autisme en Parkinson bijvoorbeeld. Ja, zelfs pijn en armoe. Dingen die snel in de vergetelheid durven te geraken of, erger nog, in de taboesfeer. Laat me dus stellen dat ze terecht “hun” dag hebben.

    Maar er zijn grenzen. Zo passeerde er de voorbije week de “Dag van de fietshelm”. Check het journaal van tien april als je me niet gelooft. Ik schrijf dit met het grootste respect voor al diegenen die er een draagt; Plaats de fietshelm in de aandacht zoveel je wil, maar een themadag verdient die niet. Er zijn er (maar) driehonderdvijzenzestig uit te delen, en er zijn minstens evenveel betere opties. De gloeilamp, het draaiorgel, olieverf, krulbollen. Ik werp maar wat op.

    Wat ik bedoel is dat die dag van de fietshelm alle andere ridiculiseert. Wat is zo’n themadag nog waard, als zelfs een fietshelm er een kan krijgen. Vroeger had je Moederdag, Vaderdag en secretaressedag. Daarmee was de kous af. Nu wil elke lobbyist een dag voor zijn boodschap. En er zijn echt goede kwesties die terecht in de aandacht komen. Zo is er ergens in de loop der jaren, en met wat voortschrijdend inzicht, de wereldvrouwendag uitgevonden. Dan de dag tegen discriminatie. Daarna de wereldmannendag (die wrang genoeg zijn themadag deelt met die voor de preventie van kindermisbruik) En nog wat later kreeg ook de dag voor uitbanning van geweld tegen vrouwen, een plaatsje in het kalenderjaar. Eén voor één achtenswaardige onderwerpen. Echt waar. Toen was er negen april. De dag van de fietshelm…

    Het lukt niet om niet cynisch te worden van onzin als dit. Het is ter preventie van ernstig hoofdtrauma. Dat is de laatste jaren gestegen. Dat komt omdat er jaar na jaar, steeds meer fietsers betrokken zijn in verkeersconflicten. Omdat de fietser in die situaties iets makkelijker met zijn kop tegen de grond smakt dan een doorsnee automobilist, willen “ze” – lees: de verzekeraars en een overijverige ambtenaar – dat er fietshelmen worden opgezet. Met zachte dwang, als het kan. Verplicht, als het moet. De verantwoordelijk voor dat hoofdtrauma wordt dus bij de fietser gelegd: kop bezeerd? Ach ja: had je maar een helm moeten dragen. Eigen schuld dikke bult. Wel: ze mogen die helm steken waar de zon niet schijnt, ik vertik het. Ik draag het niet. Dat “ze” er maar eerst voor zorgen dat er met een andere en betere verkeersinfrastructuur minder ongevallen gebeuren.

    Ik merkte dat mijn wijsvinger een eigen leven was gaan leiden. ‘Kalmeer toch. Straks smoor je nog op,’ zei de wederhelft. Hij stelde voor om naar de crèmerie te fietsen. ‘Kan je wat afkoelen, eerst met de haren in de wind en daarna met een ijsje in de mond.’ Hij heeft soms goede ideeën. Niet veel later fietsten we zij aan zij. De haarbal in de kar achter ons. De zon scheen en de geuren van de lente en zijn bloesems kwamen in vlagen op ons af. Een mens heeft niet veel nodig om gelukkig te zijn. En ook niet veel om ongelukkig van te worden. Een veter bijvoorbeeld, die blijft vastzitten aan het pedaal.

    Als een strop trok die veter mijn linkerschoen strakker en strakker vast in de trapas. Ik merkte te laat dat ik in een penibele situatie terecht was gekomen en slaakte een hulpkreet. ‘Trap achteruit. Naar achteren, snel!’ adviseerde de wederhelft. Ik deed nog een halfslachtige poging, maar het haalde niets uit. Gelukkig had ik al heel wat vaart geminderd op het moment dat ik tegen de vlakte ging. Geluk bij een ongeluk: ik mistte met mijn kop op een haar na het asfalt en belandde vlak ernaast in een grote pluk gras. Op wat schrammen na: ongedeerd.

    ‘Pfff…’ zuchtte de wederhelft terwijl hij traag een Zwitsers zakmes tevoorschijn toverde. ‘Die andere weggebruikers toch. Gelukkig ben jij wél een goede fietser en zou het dragen van een helm enkel nodig zijn omdat alle andere onverlaten op de weg er een gevaarlijke bende van maken.’ ‘Snij me los en hou je sarcasme voor je,’ jammerde ik vanonder mijn fiets. ‘Wat denk je van een fietshelm als verjaardagscadeau?’ stelde de wederhelft voor. ‘Dan nog liever een driewieler.’ De haarbal huilde stilletjes met me mee.

  • 31 maart 2024

    Begeestering

    Het werd pas interessant. De hoogtewerker reed traag naar de wedstrijddrone die zich te pletter had gevlogen in het net dat de toeschouwers beschermde. Verder bewoog er niets. Niet op het parcours, niet aan de zijlijn. Zelfs de twee mannen in de hoogtewerker deden dat zo mat en lusteloos dat je medelijden met hen kreeg. ‘Hier gebeurt niets,’ zei mijn neef. ‘Hier ontbreekt begeestering,’ verbeterde ik hem. ‘Wat is dat: begeestering?’ vroeg hij. ‘Begeestering, jongen, is dat wat je hier niet vindt: enthousiasme, leven, gedrevenheid, vuur, gretigheid… Begrijp je?’

    Dat deed mijn neef. Meer zelfs, de mannen in de hoogtewerker waren zijn hoogtepunt van ons bezoek aan het slotfestival van het Flanders Technology & Innovation Festival vorige week zondag. Gelukkig waren het gratis tickets geweest. Dat verzachtte de striemende koude wind op het terrein naast het Sportpaleis. Binnen had mijn neef, op minder dan een uur, alles gezien. Van de VR-brillen die niet werkten omdat de sufferds ze niet hadden opgeladen; tot de knullig nagebouwde kamer van de Code van Coppens. Er was een gameontwikkelaar die er wel zat maar ons liever niet te woord stond. En van de verschillende hogescholen hadden ze enkel de minst begeesterde docenten bereid gevonden zich op een zondag te engageren.

    Mijn neef wilde terug naar huis. Dat vond ik het beste idee van die dag. Richting uitgang passeerden we nog een spiksplinternieuwe politiecombi, een hamburgerkraam, twee baanbrekende trucks van DAF en dan zag ik ze staan; De CO2-neutrale bus van Van Hool. Waar haalden ze het lef. De dag dat – vanwege gebakkelei om wat aandelen – een faillissement niet meer af te wenden was. De dag dat een van mijn meest dierbare naasten zijn job ging verliezen door de debiele onkunde van een stelletje ruziemakers. De dag dat elke reddingspoging onmogelijk bleek te zijn, omdat er geen garantie was dat het nieuwe kapitaal niet in de zakken van de familie Van Hool zou verdwijnen. Ze moesten zich schamen!

    ‘Je maakt dat ik me ga schamen,’ zei mijn neef. ‘Ga dan al wat verderop staan, want dit laat ik niet over mijn kant gaan,’ antwoordde ik. ‘Je gaat ze dat toch echt niet zeggen?’ ‘Wacht maar,’ zei ik en beende op de bus af.

    ‘Waar halen jullie het lef,’ zei ik tegen de twee mannen die in fluo hesje in de deuropening van de bus stonden. Het bedrijf gaat failliet en jullie staan hier met een CO2-neutrale bus! Alsof het een optie is dat je er nog een kan bestellen!’ De grootste van de twee wilde me onderbreken maar ik had nog veel meer te zeggen: ‘Hoe denk je dat de werknemers zich zullen voelen? “Oh,” hoor ik jullie dan zeggen, “er is job genoeg in de regio. Niemand zal lang werkloos zijn.” Die mannen verliezen hun tweede familie, hé. Ze gaan echt niet allemaal bij dezelfde werkgever aan de slag kunnen gaan. Wij, jullie, iedereen weet dat alle werknemers in de zak worden gezet! De nazaten van de grote mijnheer Van Hool zullen er geen boterham minder om eten. Maar een opzegvergoeding voor het werkvolk, how maar: daar is geen geld voor!’ Ik priemde met mijn vinger op de borst van de  man. ‘Madamme, mag ik…’ ‘Nee, u mag niet! En ja ik weet dat u persoonlijk niet verantwoordelijk bent voor dat schandalig debacle, maar jij staat hen hier wel te vertegenwoordigen. Pik dit dus maar!’

    De man begon het op zijn heupen te krijgen en duwde misnoegd enkele brochures in mijn handen. Ik kon ze niet weigeren, maar wilde ze ook niet lezen. Dus begon ik ermee te wapperen. Eerst ter hoogte van mijn schouder en dan demonstratief voor zijn neus. ‘Wat denk je, man? Één: ziet het er naar uit dat Van Hool ooit nog een bus gaat verkopen? En twee: zie ik er uit alsof ik kapitaalkrachtig genoeg ben om een bus te kopen?’ ‘Wij zoeken collega’s, mevrouw,’ zei de man op neutrale toon. ‘Wie?’ vroeg ik. ‘De Lijn, mevrouw. Wij zijn buschauffeurs van vervoersmaatschappij “De Lijn”. En nee, wij hebben er niet voor gekozen om, op een druilerige zondag, in een bus van Van Hool, onder het viaduct van Merksem, de les gespeld te worden door een hysterische vrouw.’ ‘De Lijn, zei u?’ ‘Buschauffeur in volle glorie.’ De man gebaarde naar zijn uniform. Daar had ik niet van terug, ik wist zelfs niet meer wat zeggen. Gelukkig was er mijn neef die me kwam redden. ‘Mijn tante is niet hysterisch meneer, hooguit wat begeesterd. Maar ik heb begrepen dat dat iets goeds is…’

  • 17 maart 2024

    De Nabeschouwing

    De vraag of mijn plan nu wel of net niet mislukt was, bleef door mijn hoofd spoken. Wanneer spreekt men trouwens van een mislukking? Is het een balans die in het midden omslaat van slagen naar falen? Of is het een graduele schaal? In dat geval, waar zou ik dan geëindigd zijn? Op een twee op tien? Misschien wel een drie. Want écht falen deed ik niet die avond. Er was nog hoop. Dus het was zeker geen nul. Of zo’n pathetische één, die evengoed op een faliekant falen wijst: een nul zonder er een te zijn.

    Evenwel, na de bedroevende reactie van de wederhelft kon ik niet anders besluiten dan dat de uitwerking van mijn plan te brutaal was geweest. Hoe had ik me zo in zijn stugheid kunnen vergissen? Ik was te overhaast tewerk gegaan, had meer geduld moeten opbrengen, zoals met taaie stukken stoofvlees die je best eerst prikt voor je ze lang in de pot laat sudderen. Heel lang laat sudderen. En bij twijfel nog wat langer. Je zou denken dat ik me daar, na veertien jaar samenzijn, niet meer aan zou laten vangen. Zo zie je maar.

    Het plan was nochtans op verschillende blaadjes en tot in de kleinste details uitgewerkt geweest. Met onderstreepte woorden, pijlen en hier en daar een omcirkeling rond de belangrijkste stappen. Met B- en C-plannen, en uitwijkmogelijkheden voor alle dingen die konden mislopen. Wat was het toch zonde dat ik me in dat laatste gesprek vergaloppeerd had. Te zegezeker was geworden. De gedachte dat er met een betere timing, een hele andere uitkomst had kunnen zijn, bezorgde me een  zure oprisping. Hoewel, de smaak van chocolade verraadde dat er een oorzakelijk verband was met het dessert van die avond.

    Er drong zich een terugblik op wat er hoe, waar en wanneer was misgelopen. Dat deed ik best nog diezelfde avond omdat alles nog fris in mijn geheugen zat. Én omdat een ongeschreven evaluatie snel onoverzichtelijk, en bovendien veel te snel vergeten wordt, besloot ik notities te nemen. Zodoende probeerde ik me in chronologische volgorde alles terug voor de geest te halen; van het kleinste non-verbale signaal tot de bedroevende reactie van de wederhelft.

    Het eerste wat ik neerpende was: Onvervulde hoop maakt ziek, vervuld verlangen is een levenswerk. Dat was ooit een spreuk van Bond Zonder Naam. Daar zou ik hoop – of beter nog: moed – moeten uit kunnen putten. Jammer genoeg was er een voorgangster geweest. En koppels waar het recent nog was bij misgelopen. Collega’s ook, die de wederhelft wat wijsmaakten. De ideeën van dat stelletje idioten waren doorgaans dwaas tot bespottelijk. Dat zou pas een schaal zijn. De Maat van de Idiotie. Die zou ik later uitwerken, maar ik noteerde in de kantlijn toch snel de woorden: halfgaar, potsierlijk en grotesk.

    Ik dwong mezelf terug naar de essentie te keren. De wederhelft was van mening geweest dat een ezel zich niet twee keer aan dezelfde steen stoot. Zelfs met de beste bedoelingen kon je daar geen compliment van maken. Ach, de angsthaas was verre van het punt om in te binden. Toch denk ik soms: ik was er bijna, maar wat is dat waard? Bijna… Een oud spreekwoord zegt: Bijna is nog niet half, en een koe is geen kalf. Dat deed me aan het verhaal van de oude boer Hendrick en zijn koeien denken. Boer Hendrick was in een ver verleden te weten gekomen dat ze in Japan hun koeien masseerden en bier te drinken gaven om zo het vlees malser te krijgen. Hij had het zelf ook een paar maanden geprobeerd, maar dat was geen succes geweest. De kalveren werden dronken en zijn vrouw jaloers. Toch school er misschien wel een waarheid in het idee. Ik moest dringend een nieuwe fles whisky in huis halen. Dat was absoluut iets om neer te schrijven.

  • 25 februari 2024

    Verandering

    Ik lees dat Cil boos is, voor de zoveelste keer. Ik ken Cil niet, althans: toch niet persoonlijk. Cil woont aan de rand van het dorp. Dat weet ik. En dat ze er alleen woont, dat weet ik ook. Haar huis ligt op een van de vaste wandelroutes van de haarbal. Ik passeer er vaak. Soms zie ik haar in de voortuin, of uit haar wagen stappen, of bij de brievenbus. Nooit zegt ze dag. Ik denk niet dat ze veel vrienden heeft. Bezoek heb ik er nog nooit gezien. Jaja: curieuze neus die ik ben, waar bemoei ik me mee.

    Wel: “Cil” is niet zomaar “Cil”. Cil is heel erg actief op het sociale netwerk “Hoplr” en de Facebookgroep “Ge zijt van…”. Hierdoor is Cil, al dan niet moedwillig, een (niet aanspreekbaar) publiek figuur geworden. Cil heeft meningen, over alles en iedereen. Die meningen moeten gespuid worden, zoals een beerkar in de lente overvloedig stront uitspuwt op de uitgeputte akkerlanden. Zo sprong ze op de kar van een jager die boos was op het feit dat de bevers met hun dam een weide blank hadden gezet waardoor de konijnen en fazanten uit hun natuurlijke biotoop verdreven werden. Dit verzin ik niet. Ook was ze tegen de opwaardering van een speeltuin omdat quote: “met dat geld het gemeentebestuur beter de straat aan de rand van het dorp had heraangelegd. Want het is niet omdat er daar weinig mensen wonen, dat ze daar niet in moeten investeren”.

    Cil is vast erg ongelukkig, waarschijnlijk eenzaam daarbovenop. Ter compensatie vond ze aansluiting bij de bende mopperpotten die in de dorpsbraakbarakken elke sprankel levensvreugde met een vingerknip weten te verdampen.  Je kan het zo gek niet bedenken: de komst van een kleine supermarkt, de aanleg van een fietspad, een proefproject voor een enkelrichtingstraat, de wijziging in de huisvuilophaling, de nieuwe plaats van de jaarmarkt, noem maar op: Cil en haar kompanen verzetten zich ertegen, in de meest bittere verwoordingen.

    Niet dat ik me erin vastbeet, toch: ik ontwaarde na enige tijd (noem het voortschrijdend inzicht) een patroon in Cils opmerkingen. Het was weerstand tegen verandering. Vastberaden om niet mee te gaan met de stroming die de tijd is, verzet Cil zich tegen elke suggestie van vernieuwing. Ze schreeuwt haar virtuele stem schor uit vrees voor de onbekende toekomst en de onzekerheid die elke wijziging met zich mee zal brengen.

    Zich vastklampend aan het verleden, vergeet Cil dat ze zelf ook ooit deel was van de verandering. Stabiliteit bestaat niet. Niet in de wereld en niet in het dorp. Ook Cils straat is ooit een eerste keer geasfalteerd, ook haar ouders zijn inwijkelingen geweest in een gehucht dat een dorp is geworden. Ook haar huis is gebouwd op wat groen was: aan de rand van het dorp, voorbij het laatste huis toen. Ook zij heeft kinderen die zich ergens gesetteld hebben en op hun beurt voetafdrukken achterlaten. Dat doen we tenslotte allemaal. Cil is er zich ongetwijfeld niet van bewust: ze wil dat alles bij het oude blijft.

    Eigenlijk wilt Cil gewoon de laatste verandering zijn…

  • 4 februari 2024

    Bloempotten

    ‘Wat bijzonder!’ waren haar eerste woorden toen ze de inkomhal binnenstapte. Ik had geen idee waar ze op doelde: Mijn jurk? De voordeur? De uitnodiging? Ik liet het niet aan mijn hart komen, verwelkomde haar, boog me naar haar toe en gaf haar een zoen op de wang. ‘Intens,’ liet ze zich ontvallen. Intens? Wat was er intens? Mijn parfum? De ontvangst? Het behangpapier? Ik vroeg er niet naar, maar het beloofde wel een raadselachtige avond te worden.

    ‘Ander kapsel?’ Het was meer een vaststelling dan een vraag. Niet dat ik naar een complimentje hengelde, toch vroeg ik haar wat ze ervan vond. ‘Het staat u,’ antwoordde ze. Zonder knipoog. Dan viel haar oog op mijn oorbellen: ‘Zelf gemaakt?’ ‘Nee,’ zuchtte ik, ‘gekocht op een ambachtelijke markt.’ ‘Dat zie je,’ zei ze. ‘Artisanaal. Had je zelf ook gekund, toch?’ In dubio of dit nu een compliment was, of net niet, begon het me te dagen waarom we elkaar al zo lang niet meer gezien hadden. Toch, ik kon haar niet meteen buitenwerken. Niet alleen omdat dat buitengewoon onbeleefd zou zijn, ik had ook een berg eten klaargemaakt.

    ‘Mooi gepresenteerd,’ zei ze daarover. Tja, wat zeg je dan? Ik bedankte haar. Het oog wil tenslotte ook wat. En alsof ik erom bekend sta troep te maken vulde ze aan: ‘Verassend ook.’ Samen met een stuk bloemkool, slikte ik mijn verontwaardiging in. Want laten we eerlijk zijn: verzachtende omstandigheden waren niet langer opgewassen tegen de gemaskeerde beledigingen die in sneltempo mijn richting uitkwamen.

    Ze was nooit erg subtiel geweest, maar die avond was er toch sprake van een aantal overtreffende trappen. De mantel der liefde mocht wat mij betreft aan de kapstok gehangen worden. ‘Ik was al vergeten hoe “speciaal” de laatste keer was dat we elkaar zagen,’ zei ik en stelde in dezelfde adem voor dat ze er voortaan gewoon ook de bloempot achterna zou gooien. ‘Echt iets voor jou om te zeggen,’ antwoordde ze, maar ze had geen flauw benul wat ik bedoelde. ‘Ken je de uitdrukking dan niet?’ vroeg ik. ‘Met bloemen gooien, en de bloempot die er nog aanhangt?’ Ze schudde haar hoofd, maar vond de beeldspraak wel bijzonder.

    ‘Nu we het toch over taalkwesties hebben,’ zei ze: ‘Ik lees je blogstukjes.’ Durfal én benieuwd naar wat ze nog uit haar mouw kon schudden vroeg ik naar haar mening. ‘Ze zijn interessant,’ oordeelde ze. Waarom ik nog nooit over haar had geschreven, vroeg ze zich af. En of ik dat ooit van plan was, en over wat ik dan zou schrijven… ‘Geen idee,’ antwoordde ik met jeukende vingers…

  • 14 januari 2024

    Flarden

    Op de bus. In het park. Tussen de winkelrekken. De tafel naast me… Waar ik ook maar kon, ving ik flarden van gesprekken op. Fluisteringen van het alledaagse waren het, stemmen als ongrijpbare noten in een symfonie die nog geschreven moest worden. Want dat was het plan.

    Dromen, emoties, schampere opmerkingen bereikten mijn geoefend oor waarna ik ze neerpende in mijn notitieboekje. Zoals Roald Dahl’s Grote Vriendelijke Reus dromen ving en in glazen bokalen bewaarde, zo ving ik woorden die ik in en tussen droedels verzamelde. En zoals de GVR zijn gevangen dromen in de kamers van kinderen blies, zo bracht ik de woorden en zinnen terug tot leven in mijn stukjes. Dat is alweer even geleden.

    Ik weet niet waar de punt van mijn potlood afbrak.

    Was het zetten van de kerstversiering het begin van de impasse?

    Hopeloos op zoek welke richting ik na twee jaar uit moet met mijn stukjes, blader ik door het notitieboekje. Pagina na pagina ontspint er zich een kakafonie van onverenigbare zinnen. Het is duidelijk: hoe langer de flarden, zonder context, tussen de lijnen zweven: hoe minder bruikbaar ze worden. Want wat ik niet neerschreef zijn de nuance van de lach, de diepte van een zucht of de onuitgesproken betekenis van een pauze.

    Dus ik slijp de punt van mijn potlood, met het voornemen me vast te klampen aan elke nieuwe conversatie die me bereiken zal. Om terug fluisteraar te worden van verhalen die niet de mijne zijn en ontmoetingen in een parallel universum te delen.

    Natuurlijk; met elk goed voornemen volgt vroeg of laat de confrontatie. Het is winter, de feestdagen zijn voorbij en aan de andere kant van het venster regent het. Iedereen trekt zich terug in de cocon van de huiskamer. Er zijn geen stemmen of noten die opgevangen kunnen worden. Inspiratie blijft zoek. Kakafonie wordt voorlopig geen symfonie.

    Het wordt tijd om de kerstversiering op te bergen en dan is het wachten op die eerste krokus…

  • 24 december 2023

    Met vertraging

    Vorige zondag is het wat misgelopen, waardoor er vertraging is opgetreden, een gat is ontstaan, een overbrugging, een week zonder, ik weet niet hoe ik het benoemen moet, maar het knaagt, dat is wél zeker. Ik ben een verklaring schuldig.

    Vorige week zondag begon als een prachtige dag. De mist, opgewarmd door de eerste zonnestralen, kronkelde in slierten op uit de vallei van de Semois, hoger en hoger, tot ze uiteindelijk verdampten aan een steeds helder wordende hemel. De wandeling was uitgestippeld, de rugzak gepakt, stevige wandelschoenen aangetrokken en regenjas, muts en sjaal uit voorzichtigheidsprincipe mee. Zelfs een lijst met bossen waar er gejaagd werd. De boswachter zou ons geen tweede keer klissen.

    Dit is misschien nog het vermelden waard: de dag ervoor stonden we bij een rood bordje naast de kant van een wandelpad te twijfelen. Er stond een mannetje met een geweer op afgebeeld en twee datums: de daaropvolgende dag en de dag daarna. Het was duidelijk, er zou gejaagd worden in dat gebied. ‘Maar niet vandaag,’ zei de wederhelft en hij wandelde het bos in. Op dat moment stopte er een groene jeep, nogal bruusk. Het was de boswachter. Of we kleurenblind waren, vroeg hij. Rood betekende rood: geen doorgang dus. En al zeker niet met een jachthond.

    Terug naar die prachtige zondag; de wederhelft, de haarbal en ik wandelden Gros-Fays uit en een bos in, waar – dat hadden we nagekeken – niet gejaagd werd die dag. Of de dag erop. We volgden de aangeduide wandeling van de rode ruiten. De wandelkaart werd na een halfuur opgeborgen. Ik had de haarbal, in snuffelmodus, aangelijnd. De wederhelft wees de weg. Hier naar links. Rechtdoor. Splitsing naar rechts. Bruggetje over.

    We waren ondertussen makkelijk een uur verder. ‘Linksaf,’ zei hij. Ik zocht naar een pijl met de rode ruit. ‘Hoe weet je dat,’ vroeg ik. ‘Daar staat de pijl,’ antwoordde hij nonchalant. ‘Dat is een blauwe rechthoek,’ stelde ik vast. ‘Ja, en die blauwe rechthoek wijst naar links,’ zei hij. ‘We volgen de rode ruiten,’ zei ik. ‘Nee, we volgen de blauwe… Verdorie…’ De wederhelft zweeg. ‘Hoelang volgen we die blauwe ruiten al?’ vroeg ik. Hij had geen idee.

    We namen de kaart erbij. Verder de wandeling met de blauwe rechthoeken volgen was geen optie (te lang voor de korte pootjes van de haarbal) maar we vonden wel een alternatieve route: die bevond zich bij benadering een kleine kilometer westwaarts. Daar liep een weg, bewegwijzerd met groene kruisen die terug naar Gros-Fays leidde. We moesten gewoon even dwars het bos door. Op kompas.

    We klauterden langs bomen en door het struikgewas de heuvelkam op en daalden, zigzaggend, de braamstruiken ontwijkend, in een volgend dal af. Beneden aangekomen bleek dat we nog geeneens halfweg waren. Dus we ploeterden verder: enkeldiep door modder; naast en over een snelstromend riviertje. We bereikten een weg, een karrenspoor dat ons nergens dichterbij zou brengen, staken over, herpositioneerden ons op de kaart en bereidden ons voor op een nieuwe steile klim. Boven aangekomen hadden we een adembenemend uitzicht met in de verte de gravelweg waar we naar op zoek waren.

    ‘Verdomme!’ De wederhelft wees naar ons richtpunt. Over de hele lengte van de gravelweg zagen we  jagers die zich bij jachttorens of posten achter een schutting bij de grond positioneerden. ‘Maken dat we wegkomen! Naar het karrenspoor dat we daarnet overstaken!’ commandeerde de wederhelft. We namen dezelfde weg terug, gleden langs de flank van de bergkam naar beneden. De adrenaline joeg door mijn lijf. De haarbal vond het fantastisch, zo met z’n drieën naar beneden rennen. We spetterden door het riviertje. Wat kon het ons nog schelen dat we nat werden en klommen terug naar boven.

    Het laatste stuk was te steil voor de haarbal. ‘Klim jij voor tot op de weg, ik steek de haarbal naar boven en dan pak jij hem aan,’ zei de wederhelft. Ik klauterde de laatste meters omhoog, greep naar een stevige wortelstronk en trok me op. ‘Putain! Qu’est-ce que vous faites ici?’ Het was de boswachter. ‘Pak je… de haarbal aan? Tweeënder… tig… kilo.’ smeekte de wederhelft zwoegend onder me. ‘Ik denk dat we eerst even moeten overleggen, schat.’

    De boswachter was woedend. Natuurlijk geloofde hij niet dat we zonder het te weten zijn jacht waren binnengeslopen. We kregen alle twee een boete én een rekening voor het vervoer naar Alle, (het dichtstbijzijnde dorp) aangesmeerd. We waren dan wel veilig, maar héél ver van ons vakantiehuis. Terugkeren durfden we pas lang nadat we het laatste geweerschot hadden gehoord. Gelukkig was in het etablissement “Au Roi de la Bière” het bier fris en het eten warm. Ik kwam niets te kort, behalve tijd om een stukje te schrijven…

    Fijne feestdagen!

←Vorige pagina
1 2 3 4 5 6 … 9
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 67 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen