GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 24 november 2024

    P-e-r-i

    ‘Ik heb beslist dat ik niet meedoe,’ zei ik tegen de Wederhelft. ‘Waar heb je het over?’ vroeg die. ‘De perimenopauze,’ verduidelijkte ik. Het bleef even stil, dan antwoordde hij: ‘Ik wil nu niet de sfeerspons zijn, maar de menopauze kan je niet skippen, hoor.’ Sfeerspons. Dat woord had hij ergens opgepikt. Een collega van hem op het werk ook. Hun betrachting was om het zo vaak mogelijk te gebruiken en wijd te verspreiden zodat “sfeerspons” het woord van het jaar zou worden. Het is een echte kanshebber, wist de Wederhelft. En hij meende het.

    ‘De perimenopauze, “p-e-r-i” benadrukte ik. ‘Die bestaat niet,’ antwoordde de Wederhelft. ‘Die bestaat wél, maar ik doe dus niet mee.’ De Wederhelft bleef bij zijn standpunt: ‘Je kan niet uit een club stappen waar je niet bent bij ingeschreven.’ Hij had het wat gehad met de perimenopauzetsunami in de geschreven media en op televisie. ‘Er is werkelijk geen ontsnappen meer aan,’ zei hij. Hij had een punt. Straks schiet al die aandacht haar doel nog voorbij. Vrouwen én mannen worden bang gemaakt. Maar dat was net mijn punt: dat ik niet meedoe.

    De maandag daarop kregen we les over dialogen en hoe die uit te schrijven met tags en actiebeats en zo. De Meester zei: ‘Twee dames van in de vijftig in dialoog laten gaan over de menopauze levert weinig boeiends op. Laat een vrouw van begin de veertig dat gesprek voeren met een man van een eind in de vijftig en dan kan het interessant worden.’ Ik voelde aan mijn water dat de Wederhelft en de Meester in hetzelfde kamp zaten. ‘Geloof me vrij. Ik spreek uit ervaring: dat is niet zo,’ wierp ik op. De Meester – die getroffen door een acute aanval van brainfog vergeten was dat mijn Wederhelft een pak ouder is – liet zich door zijn verbeelding meeslepen en maakte er prompt een volgende opdracht van: ‘Zeshonderd woorden. Ik-perspectief.’

    Op veel empathie van de Wederhelft moest ik niet rekenen toen ik hem de volgende dag mijn relaas deed. Voor hem was het zo klaar als een klontje: er was een medicalisering bezig van een probleem dat er geen is, want niet elke ouderdomskwaal is “m-e-n-o” en al helemaal niet “p-e-r-i”. De Wederhelft kwam op dreef: ‘Als ik zo tegen mijn vijftigste in beweging probeerde te geraken, ging dat ook minder vlot hoor. Gewrichtspijn? Heus geen gebrek aan oestrogeen. Dat heet ouder worden. Haar dat dunner wordt op je kop? Hebben mannen ook last van hoor. En dan die befaamde brainfog! Alsof ik niet vergeet waar mijn sleutels liggen.’

    Ik gaf nog wat tegengas, toverde enkele argumenten op tafel die hij als een geoefende sfeerspons pareerde. ‘Opstaan boven de vijftig? Dat is niet opstaan met de vraag of je een pijntje zal hebben. Nee: opstaan boven de vijftig doe je met de vraag welk pijntje die dag het mééste pijn zal doen. Depressieve gevoelens? Zo onlogisch is dat toch niet wanneer je op het punt komt dat de helft van je leven al gepasseerd is? En voor dat baardhaar op je kin kan je gewoon mee naar mijn barbier gaan.’

  • 10 november 2024

    De hoofdletter

    “Dagelijks opschrijven wat mooi was aan die dag, maakt het leven mooier.” Het stond bovenaan een artikel van Maya Toebat. Eerst was er het slechte nieuws: Het is des mensen – zo citeerde ze verschillende psychologen – onze hersenen focussen op het negatieve omdat dat ons ooit een overlevingsvoordeel gaf. Daarbij komt dat “alles wat we aandacht geven in ons brein groeit”. Het verklaarde alvast veel: de zeurkousen van deze wereld konden er niets aan doen dat ze met de dag zuurder werden.

    Zoals de titel beloofde, volgde daarna het goede nieuws: Maya Toebat noteerde al geruime tijd elke avond drie dingen die haar die dag blij hadden gemaakt. Kleine dingen die haar dag kleur gaven. Zo maakte ze van dankbaarheid een “mindset”. En dat maakte haar vrolijker. Want, zo schreef ze, “door bewust dankbaar te zijn, kunnen we onze focus bijsturen en positiever in het leven staan”. ‘Jaha, zal wel,’ mompelde ik, alsof Maya mij rechtstreeks had aangesproken, ‘zo dadelijk schuift ook Phil Bosmans nog aan.’ Anderzijds, wat had ik te verliezen. Maya’s driepuntenplan had zich in mijn hoofd genesteld en liet me ook later die avond, in de auto, op weg naar de avondles, niet meer los.

    Wordt het geen tijd dat je in jouw stukjes de haarbal een hoofdletter geeft, werd er in de klas geopperd. Dat vond de Meester een terechte opmerking. Tja, maar dan moest ik samen met de Haarbal ook de wederhelft hoofdletter geven. En die “hoofdletter W” had hij vooralsnog niet verdiend. Dat begreep de Meester niet zo goed. De vrouwen in mijn klas waren wel mee: die wezen Beyoncegewijs naar hun ringvinger. Put a Ring on It, neuriede er een. ‘Zie je,’ zei ik, ‘die hoofdletters liggen momenteel wat gevoelig.’ De Meester schudde het hoofd. Vast geen top drie-momentje, dacht ik.

    Ik kwam thuis tegen een uur of elf. Naast een kwispelende haarbal stond de wederhelft me met een dampende tas jasmijnthee op te wachten. Wat waren ze toch lief, die twee. Ik vroeg de wederhelft naar zijn top drie van die dag. Die werd volledig door de haarbal ingevuld. Akkoord, ik had een hele dag gewerkt en was haastig naar school vertrokken. Een topdrieplaats zat er bijgevolg niet echt in. Daar kon nog wat goedgemaakt worden. Ik ging dicht tegen hem aan zitten, de tas thee tussen mijn handen geklemd, de vingers verstrengeld met het oor. Et voila, knus moment stond met stip op één.

    Voor de tweede en derde plaats kon nog gestreden worden. De krant die bij het ontwaken al in de bus stak. Samen met de collega’s wat plezier kunnen maken. De zon die scheen, op weg van werk naar huis. De vers gebakken speculaas die mijn vader had gebakken. De warme thuishaven die de prozales op maandagavond is geworden… Zonder alles dood te relativeren of Phil Bosmansadept te worden; dankbaarheid  is een strategie om veerkrachtiger in het leven te staan en voor iedereen iets om uit te proberen. En nee, het leven is geen Bob Ross schilderij, een baaldag is gepermitteerd. Maar zelfs op een slechte dag kan een praline lekker smaken.

    In de slaapkamer merkte ik dat de wederhelft het linnen beddengoed had vervangen door de zacht wollige flanellen dekbedovertrek. Misschien verdiende hij dan toch die hoofdletter.

  • 20 oktober 2024

    De buurvrouw

    Dat het even na zeven was wist ik zonder op de klok te kijken. Wim De Vilder leidde net zijn tweede onderwerp in. De ernst die hij daarbij aan de dag legde, deed me vermoeden dat hij de volgorde van de items een moeilijke keuze had gevonden. Een nieuwe nacht vol bommen in Beiroet of de kwestie Demir die niet kiezen kon tussen het ministerschap of de burgermeestersjerp. Net op het moment dat Demir haar non-issue voor de ene, verkiezingsbedrog voor de ander, wilde toelichten, werden haar woorden overstemd door de deurbel.

    Het was de buurvrouw. Met een pak hondenkoeken in de hand groette ze me zoals ze dat nooit eerder gedaan had. Goedlachs alsof we al jaren beste vriendinnen waren. De haarbal die kwam toegesneld rook de koeken, ik enkel argwaan. ‘Wat is hij toch een zoetje!’ kirde ze en ging daarbij door de knieën. Met haar vrije hand krabde ze de haarbal achter de oren. Op de achtergrond hoorde ik het wassende water van rivieren die in Bosnië uit hun oevers traden.

    Waarom ze aan mijn deur stond was een raadsel, maar nog voor ik haar kon vragen wat er aan de hand was keek ze moedig naar me op. ‘Ik wil je bedanken voor… voor… wel ja, dus kijk…’ Ze toonde de koeken aan de haarbal. Ik kon werkelijk niets bedenken waarvoor zij mij of de haarbal bedanken kon. We spraken elkaar amper. Ik twijfelde zelf aan haar voornaam. Gitta? Gerda? Begon haar naam überhaupt met een G? Gina? ‘Bedanken omdat we buren zijn?’ vroeg ik. ‘Dat is toch niet nodig?’ De buurvrouw aarzelde even. We hoorden Wim De Vilder de celstraffen opsommen die de Belgische militairen kregen na een uit de hand gelopen caféruzie in Noorwegen. ‘Koeken voor de hond, dus,’ zei ze. Mergpijpjes van een bekend merk. De haarbal zijn staart viel bijna van zijn gat. Hoofdschuddend zei ik: ‘Zo jammer dat hij allergisch is aan die koeken.’

    De buurvrouw forceerde in een glimlach haar tanden bloot. En alsof met zijn allergie de haarbal plots besmettelijk was geworden, stond ze recht. De koeken verdwenen in haar jaszak en uit een andere zak toverde ze een stapel verkiezingspropaganda tevoorschijn. ‘Wij komen op bij de verkiezingen,’ zei ze. Daar had je het: het geweer werd van schouder gewisseld. ‘Wie is die “wij”?’ vroeg ik. ‘Dat is mijn man. Jouw buurman. David. Dave voor de vrienden,’ antwoordde ze. ‘David?’ ‘Dave,’ verbeterde ze me en of ik al wist op wie ik volgende week zou stemmen. Dat wist ik, maar zolang Wim De Vilder bleef hangen bij de extra taks van de EU op Chinese importproducten wilde ik gerust van kromme haas gebaren. ‘Ik twijfel nog,’ antwoordde ik met gladgestreken gezicht.

    Zichtbaar opgelucht met die kans vroeg de buurvrouw of ze me een suggestie mocht doen. Ik nam de twee brochures van haar aan en scande ze vluchtig. ‘En waar stem ik dan op of voor?’ vroeg ik. ‘Op mijn man, mag ik hopen, die staat op de zeventiende plaats, daar, ziet u?’ Ze wees naar het rode vinkje naast de naam op de tweede rij in de vierde kolom. ‘En om op uw vraag te antwoorden, je stemt dan voor verandering.’ ‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘want zoals het nu gaat, gaat het…’ Ik maakte mijn zin met opzet niet af. ‘Niet goed, dus,’ zei de buurvrouw. Blij dat ik de boodschap bijna begrepen had.

    Toch, haar bezoek en het drukwerk vroegen om wat toelichting. Dat wilde de buurvrouw graag geven. De zones dertig? Afschaffen die handel.  Het bermbeleid? Gemillimeterd zoals het vroeger was. De KMO-zone? Uitbreiden. Hoe? Door subsidies te geven aan bedrijven die zich in de gemeente willen vestigen. Dus meer beton buiten de dorpskern? En in de dorpskern ook, want samen met de afgeschafte zone dertig moeten er ook meer parkeerplaatsen voor auto’s komen. Vlak bij de kerk en de winkels, want dat is goed voor de lokale middenstand. Weer gingen de tanden bloot. Achter me begon er een reportage over de wildgroei van appartementen in landelijke gemeentes en de daarbij horende mobiliteitsproblemen.  ‘Ongetwijfeld heeft de partij van je man ook daar een mening over?’ opperde ik. ‘Meer appartementen in de kern, dat is evident,’ antwoordde ze.

    Ik kuchte. Was het journaal naadloos in sport overgegaan? Nee, het ging dan wel over het WK Gravel, maar vooral ook over het natuurgebied waar ze dat weekend doorheen zouden baggeren. ‘Als je het niet erg vindt?’ Ik maakte aanstalten om terug naar binnen te gaan. ‘Natuurlijk,’ antwoordde ze en kon zich er toe brengen toch nog even over de haarbal zijn kop te wrijven. ‘Zal ik dan nog ’s terugkomen met grote-mensen-koeken?’ vroeg ze op een hoge kindse toon aan de haarbal? ‘Zal ik dat doen? Hé? Zal ik dat doen?’ ‘Zo goed als gehad,’ antwoordde ik in zijn plaats, ‘maar daar is hij ook allergisch aan.’

    Ik trok de haarbal bij zijn halsband naar binnen, wenste de buurvrouw nog veel succes, sloot de deur en bedacht me dan pas dat ze niet de haarbal maar mij wilde omkopen met de “grote-mensen-koeken”. Ik hoopte maar dat ik haar niet beledigd had. Misschien vond ze me gewoon gat-achterlijk. Dat was dan wederzijds. De brochures gingen in de papiermand en samen met de haarbal keek ik nog naar het laatste deel van het journaal: een “beestig verslag” over werelddierendag. Ik verwende de haarbal met een berg koeken zonder verkiezingsslogan en bedacht met hoeveel leute hij door het hoge gras rent en hoeveel veiliger de straat voor hem geworden was sinds die zone dertig was. Het was alleen maar te hopen dat de rest van het dorp diezelfde mening was toegedaan. Helaas.

  • 6 oktober 2024

    Plaatjes

    Voor dag en dauw (en alsnog te laat) rolde ik vorige week maandag uit bed. Snel-snel trok ik wat kleren die op de badrand lagen aan – te proper voor de wasmand, nog goed genoeg voor een dag thuiswerk. De ochtend verliep daarna net zoals alle andere dagen, repetitief met mezelf in ondergeschikte rol en volledig in het teken van de haarbal: een knuffel, een tot op de gram afgewogen trog droogvoer en een bak vers water, geschrok, gelebber, en daarna de ochtendwandeling. Het schemerde nog, dus wat deerde het: niet opgemaakt, met een rattekop en in een allegaartje van lagen kleding die onmogelijk bij elkaar konden passen, ging ik naar buiten.

    Daar bleek de schemer toch niet meer zo schemerig te zijn.

    We maakten het standaard blokje om, langs de exclusieve nieuwbouwappartementen die door de lokale projectontwikkelaar (en goede vriend van de burgemeester) op het laatste stukje groen in de straat waren neergepoot. Ik had haast. De haarbal niet. Zag ik de zon al opkomen? Inderdaad, en in die eerste zonnestralen stonden op de privéparking drie dertigers tussen hun Audi Q-GT-E-Tron 7 of 8 en een BMW X-weet-ik-hoeveel met gepersonaliseerde nummerplaten. Daartussen rende een tweeling van een jaar of drie heen-en-weer in identieke pakjes van Johny Bilfinger of Caloste of zo. Influencers. Ongetwijfeld. En van alle leeftijden.

    Natuurlijk, kromde net op dat moment de haarbal zijn rug en perste er een drol uit, zo groot dat ik betwijfelde of ik hem wel met één kakzakje kon opruimen. Dat lukte. En terwijl ik kunstig een knoop in het zakje draaide verscheen er een oranje gloed als aura rond het gezelschap op de parking. Ik ken fotografen die een vingerkootje zouden afgeven voor die lichtinval daar. Het had zo een beeld uit een reclamefolder van de A.S. kunnen zijn. ’t Zag er prachtig uit en ze wisten het.

    Doorgaans kan het me niet boeien wat anderen van me denken. Die bewustwording bleek toen ik het ontdekte behoorlijk bevrijdend te zijn. Kunnen zeggen wat ik wil. Doen wat ik wil. Waar ik wil. Niet doen waar ik geen zin in heb. Dingen mijden die mijn dag verstoren. Mensen ontwijken die mijn humeur ontwrichten. Heerlijk. Bijkomende plus: schaamtegevoel valt weg. Een vrijgeleide van jezelf is het, een vrijkaart, om buiten de lijntjes te kleuren. En toch die maandagochtend, voelde ik me een slons, dik, onverzorgd en bovenal geïntimideerd.  

    Andere dagen gunnen de bewoners van het luxevastgoed mij geen blik waardig, maar daar, in de meerderheid, bekeken ze mij alsof ik wat verderop uit een vuilnisbak was gekropen. Eentje meende ik zelf te zien kokhalzen, maar dat kon ook een oprisping geweest zijn van de ongetwijfeld koude koffie in die cup van Starbucks. God weet waar hij die gehaald had, want nergens in de wijde omtrek van ons keuterdorp kan je een Starbucksfiliaal vinden.

    We wonen op de boerenbuiten, wilde ik schreeuwen, maar ik had er de ballen niet voor. Ik stak dan maar de rug van mijn linkerhand omhoog. Vier stippen in hun richting. Allemaal samen tegen pesten! Stip It! Die is helemaal doorgedraaid, moesten ze gedacht hebben want het omhooggeschoten drietal rolde letterlijk met de ogen. Dan heb ik liever geen vrienden, mompelde ik. Voor geen geld van de wereld zou ik deel willen uitmaken van hun gesponsorde Instagramwereldje. De idylle aan het begin van de dag is ‘s middags doorprikt mocht je in hun kielzog lopen. Ze laten ons ook dat maar zien wat ze willen dat we zien. Plaatjes met filters. En zo startte de dag met wederzijdse vooroordelen. Iedereen vooringenomen.

  • 22 september 2024

    Gegijzeld

    Mijn neef (de voetballer, hij is een tiener nu) lachte me in het begin van de zomervakantie vierkant uit met het aantal likes dat ik verzamelde met mijn blogstukken. Facebook is zooo passé! Dat zijn tante een veertigplusser was, was voor hem geen excuus. Insta was hot! Tiktok ook, maar daarvoor moest je kunnen dansen of moesten meisjes zich kunnen schminken. Ik zag hem een inschatting maken. Insta, tante. JE-Moet een account op Insta maken.

    Wat later ging het tijdens een lunchpauze over blogs (foodblogs in het bijzonder) en de te volgen accounts op Instagram. Je-Moet jezelf er ’s in verdiepen! De collega die dat zei was vastbesloten me in te wijden. Ze toonde me prachtige kiekjes van eten, reizen, prestaties en creaties. Vaak zelfs gecombineerd. Pagina’s met het ene restobezoek na het andere. Blitse interieurs, kleurenfilters, terrassen met zonsondergangen. Influencers op de lekkerste en meest hippe plekken in de wereld.  Ik kreeg er honger van én goesting.

    Die goesting om er zelf mee te beginnen was er ook nog op onze laatste reis, weliswaar sluimerend in het achterhoofd. Verworden tot een idee dat met de tijd die verstreken was (en een herwonnen realiteitszin) steeds meer naar de achtergrond was verschoven. Klaar om geklasseerd te worden. Het had gewoon nog één finaal duwtje nodig. Zodus, daar, in een godvergeten streek in Frankrijk, enkele weken geleden, was het er nog steeds. Ook toen de wederhelft en ik de haarbal de hoogste heuvel in de regio opduwden. Met de belofte dat er een herberg op de top was, hadden de wederhelft en ik het aangedurfd om enkele kilometers aan de wandeling te breien. Zonder instemming van de haarbal. Dat heet overmoed. Overmoed wordt afgestraft.

    We moesten lang wachten op een garçon. Daarna nog langer op ons eten. Maar van zodra ik de karaf rosé binnen handbereik had was dat wachten al veel minder erg. In het midden van de tuin, naast de waterput, stond er een man van rond de dertig, type posterboy, met een selfiestick zichzelf en bij uitbreiding het hele terras te filmen. Vanuit alle windstreken werden er beelden geschoten. Hij zag dat het goed was en ging snel aan zijn tafeltje zitten want, in tegenstelling tot de rest van het cliënteel, had hij niet moeten wachten op zijn lunch. Wat er op zijn bord lag zag er verdraaid lekker uit. We konden ons niet herinneren dat het een keuze op de menukaart was.

    Posterboy stroopte zijn mouwen op, zette zijn baseballpet af en schikte en herschikte alles wat er op het bistrotafeltje stond. Zijn pet, het bord, de pet, de karaf water, het waterglas, de pet opnieuw, het servet, het glas rode wijn, mes, vork en zijn pet voor de vierde keer. Vervolgens maakte hij met de armen gestrekt een rechthoekje met duimen en wijsvingers. De beslissing was gemaakt: de lege stoelen die rond de tafel stonden, zette hij uit de imaginaire fotokader. Met drie verschillende toestellen filmde hij en schoot hij foto’s. De pet steeds centraal, de rest herschikte hij. En nog eens. En nog eens. Ik schonk me een tweede glas rosé in en leunde makkelijk achterover in mijn stoel. Het finale duwtje was daar. Het idee kon worden geklasseerd.

    Het was vermoeiend en op een manier eigenlijk ook triest om te zien, en niet alleen omdat zijn eten stond koud te worden. Wat een zonde, mopperde de wederhelft. Zijn maag knorde zo luid dat het oudere koppel naast ons het kon horen. Ze glimlachten begripvol, wezen naar hun lege tafel en dan schouderophalend naar het epicentrum van de actie. Posterboy had zonet bord en pet verlaten, liep op een drafje de herberg in en kwam seconden later terug naar buiten met een tweede glas rode wijn. Het glas dat nog op de tafel stond sloeg hij ad fundum achterover en verstopte hij in een bloembak. Uit beeld. Dan was het zover. Een eerste hap. Een foto. Een tweede en derde hap. Terug een foto. De baseballpet centraal. Gesponsord ongetwijfeld. Posterboy alleen aan tafel. Eten koud. Gegijzeld.

  • 8 september 2024

    De wandeling

    De wederhelft lag in de lappenmand en de haarbal lag ernaast. Als die twee al wilden wandelen dan was dat hooguit een kilometer of drie. Vier misschien, onder dwang. Ik twijfelde dus niet toen de vrouw met de snor me voorstelde om op dagtrip te gaan en de natuur in te trekken. Met de wandellaarzen stevig aangetrokken en knooppunten in de hand zetten we aarzelend onze eerste stappen. Het was weeral even geleden dat we elkaar zagen. ‘Hoe gaat het,’ werd er gevraagd.  ‘Goed,’ werd er geantwoord. Een begroeting verworden tot platitude. Want het gaat “goed” met ons. Ook als het minder goed gaat. Of ronduit slecht… Het was zinsbedrog: met enkel bomen en wat struikgewas als getuigen vielen we zo door de mand. De stilte hoefde niet lang te duren.

    ‘Het is een existentiële crisis,’ zei ik. ‘Het is de menopauze,’ zei de vrouw met de snor. We staarden naar het rimpelende wateroppervlak. Een koppel ganzen zwom voorbij met achter hen acht kuikens op een rijtje. ‘We zijn allemaal loonslaven,’ zei ik. ‘Het is het hogere echelon dat geen voeling meer heeft met de werknemers, ’ zei de vrouw met de snor. Een wolk schoof voor de zon. Het begon te druppelen en dan te stortregenen. Tien minuten later stonden we doorweekt naar een salamander te kijken die zich in een gracht tegoed deed aan muggenlarven en ander (on)gedierte.

    Je moet er geen metafoor in zien. Het was gewoon een salamander.

    ‘Ik weet niet of ik mijn job nog graag doe,’ zei ik. ‘Ik wéét dat ik mijn job niet graag meer doe,’ zei de vrouw met de snor. Ze keek naar de blauwe lucht en trok haar regenjas weer uit. Ik volgde haar voorbeeld. ‘Waar doen we het toch voor?’ vroeg ik. ‘Brood op de plank,’ zei de vrouw met de snor. ‘Dus we werken ons uit de naad gewoon om te kunnen overleven in de consumptiemaatschappij. Hoe stap je daaruit?’ ‘Kan je niet,’ antwoordde de vrouw met de snor. Een pony en een paard wandelden argwanend aan hun kant van de afsluiting achter ons aan, tot ze niet meer konden. Het paard steigerde. De pony brieste de prut uit zijn neus, draaide met de ogen en rende het paard achterna.

    ‘Had je geen groentetuin?’ vroeg de vrouw met de snor. ‘Had ik, antwoordde ik. ‘Te veel werk voor te weinig opbrengst. Het is een bloemenweide geworden.’ De vrouw met de snor knikte instemmend, plukte twee braambessen en reikte me er een aan. ‘Dus als ik het goed begrijp kan je  geen jaarvoorziening voedsel voor jou, je wederhelft en de haarbal telen.’ Ik werd gewaar dat ik in de val werd gelokt, aarzelde om te antwoordden en stak dan maar de braambes in mijn mond. De vrouw met de snor vatte dat op als een bevestiging van haar vermoeden. ‘Stel,’ zei ze, ‘dat we in de vijftiende of zestiende eeuw leefden, dan had je met dat knullige groentetuintje toch ook nog een wederdienst of twee moeten aanbieden om wat extra brood op de plank te krijgen of een dak boven je hoofd te kunnen veroorloven?’

    Daar had je het. Dienst voor wederdienst. Niet persé het ruilen van een karton eieren voor een kilo aardappelen, maar via een ingenieus systeem van waardepapieren. ‘Welke dienst zou je aanbieden in pakweg die zestiende eeuw?’ vroeg de vrouw met de snor. Die vraag moest ik laten bezinken. De scherpe, klagende roep van een roofvogel deed me halthouden. Met de hand tegen mijn voorhoofd tuurde ik de einder af. Kie-kee-kee. Het was een sperwer. ‘Ik zou brieven schrijven voor mensen die dat niet konden, denk ik. Of in een gasthuis werken of zo.’ De vrouw met de snor glimlachte en vroeg: ‘Mensen helpen, dus? Stel ik me daar dan verpleging of maatschappelijk werk bij voor?’

    Ik ging ervan uit dat dat een retorische vraag was en gromde. Dat had evengoed voor de hindernis op onze weg kunnen zijn, maar dat was het niet. We stonden voor de kruin van een omgevallen boom die het wandelpad versperde. We hadden weinig keuze. Simultaan tuurden we in de wei en besloten dat de koeien op een veilige afstand stonden te grazen. We kropen over de prikkeldraad. Drie stappen verder hoorde ik het kraken van een koeienvlaai onder mijn voet. Daar stond ik dan, in een  plavei smerige, stinkende smurrie die mijn schoen volledig omringde. De enige gedachte die nog door mijn hoofd speelde was: hoe krijg je dat in godsnaam proper. Er ontsnapte me een krachtterm. De vrouw met de snor was niet onder de indruk en zei: ‘Met stront onder je schoen relativeer je plots een pak meer, niet?’

    Exit existentiële crisis…

  • 25 augustus 2024

    Meesterwerken

    Enkele weken geleden botsten we op een oude vriend van de wederhelft. Hun wegen waren door de jaren heen eerst naast en daarna uit elkaar gelopen. Het uitdoven van de vriendschap begon toen de alternatieve kunstenaar in de vriend ontwaakte, legde de wederhelft uit. En ondanks dat de wederhelft wel tegen een stootje kan op vlak van dans- en theatervoorstellingen, werd het hem gaandeweg toch wat speciaal. Veel gesprekstof was er na de gebruikelijke beleefdheden niet. De man, de haren lang, de baard in een vlecht, vroeg of de wederhelft nog voorstellingen had bijgewoond. Die gaf zonder blozen de haarbal de schuld van de impasse. ‘Dat is geen excuus,’ zei de oude vriend. ‘Ga naar het Middelheimmuseum. Daar is er het kunstenfestival “Come Closer”. Een echte aanrader. Honden welkom,’ zei hij nog, en daarna doofde ook het gesprek uit.

    Het eerste dode moment in onze week vakantie stelde de wederhelft voor om naar het Middelheimmuseum te gaan. Daar aangekomen parkeerden we onze fietsen aan een zij-ingang en begonnen onze wandeling. Na een tiental meter passeerde er op ons pad een groep wandelaars. Stijf als een plank, de armen tegen het lichaam en de benen tegen elkaar gedrukt, hupten ze tussen twee bomen heen en weer. Wat verderop moesten we letterlijk opzij springen om een botsing te voorkomen. Zelfs de haarbal keek met verstomming naar de moeder met kind die, voorovergebogen en crawlgewijs, al wandelend voorbij kwamen gezwommen.

    Nog voor de wederhelft vragen kon wat er aan de hand was, had ik het opgezocht: We bevonden ons op de route van “A Walk In The Sculpture Park”. De deelnemers kregen bij elk kunstwerk nieuwe instructies en zo de kans om de kunstwerken uit te beelden en op een andere manier te beleven. In interactie met zichzelf en de omgeving zouden ze zo zelf ook kunstwerk worden. Veel gekker hoefde het niet te worden en omdat de haarbal graag over grasweides rent, kozen we voor de dwarse uitweg. Met z’n drieën liepen we het grote grasplein over.

    De wederhelft en de haarbal zochten daarna een plek om uit te puffen. Ik volgde hen naar een tribune die zich in sneltempo begon te vullen. De wederhelft zette zich op de onderste bank. ‘Er gaat hier dadelijk iets beginnen,’ zei ik in de hoop nog weg te geraken voordat de voorstelling effectief startte. Het maakte niet meer uit, vanuit mijn ooghoek zag ik een lange smalle spiegel dichterbij komen. De wederhelft bleef geïntrigeerd kijken. Die ging helemaal nergens heen en ook de haarbal liet de schaduw zich welgevallen. We bleven.

    Vijftien vrouwen met evenveel hoge smalle spiegels positioneerden zich op een rij. Ze schuifelden van links naar rechts, draaiden zich dan enkele graden, zetten een stap naar voren en daarna weer twee achteruit. Steeds weer opnieuw, in een licht wijzigend patroon. Ik zag mezelf in de ene, dan weer in een andere spiegel en maakte aanstalten om op te staan. De wederhelft vond dat weinig respectvol. ‘Opstaan tijdens een voorstelling doe je niet,’ keef hij. ‘Ze staan achter een spiegel. Geen van die vrouwen gaat me missen,’ antwoordde ik. ‘Je zal de andere toeschouwers storen,’ zei de wederhelft. Ik keek om me heen, zuchtte en bleef zitten.

    Na de vertoning wilde ik graag mijn menig delen met de wederhelft, maar nog voor ik mijn eerste cassante opmerking kon maken, hoorde ik de andere toeschouwers in superlatieven over de voorstelling praten. ‘Magisch,’ zei iemand. ‘Wonderlijk om zo, letterlijk en figuurlijk, een spiegel voorgehouden te worden.’ ‘Zo subtiel afstand én tegelijkertijd verbinding creëren,’ zei een man tegen zijn vrouw. Ik kromp in elkaar tot ik een moeder tegen haar zeurende dochter hoorde zeggen: ‘Als je ooit kunstonderwijs wil gaan volgen, zal je zo’n dingen dus moeten bedenken én uitvoeren. Knoop dat goed in je oren.’ Er was dan toch nog hoop.

    Met die gedachte ging ik op zoek naar het kunstwerk van Panamarenko: de Archaeopterix Lithografica (dat had ik opgezocht), een vogel die beweegt als je dichtbij komt. De weg daarnaar heen leidde langsheen pretkreten en schel kindergegil. Niet echt een leuk vooruitzicht. De bron van het gekrijs waren twee metershoge nagemaakte industriële vaten waaruit er schuim borrelde dat zich steeds verder verspreidde. De haarbal, inmiddels bijgekomen, was niet te houden en snokte in een onbewaakt moment de leiband uit mijn handen. Enthousiast sprong hij het schuim in. We zagen dan eens een staart, dan twee lange flaporen boven het schuim uitkomen en daarrond kinderen die dollend naar beneden doken. De wederhelft wees naar zijn zere knie. Hij kon geen risico’s nemen, toch? En wilde ik niet naar de vogel van Panamarenko? Met grote tegenzin dook ik de pretpoel in en kon na drie pogingen de haarbal vangen.

    Er vlogen nog steeds wolkjes schuim van me af toen ik in de verte een groepje van vier volwassenen door de knieën zag waggelen. Met hun handen onder de oksels bewogen ze de ellebogen drukdoend op en neer. Van zodra ook de haarbal hen in de smiezen kreeg, ging die koppig zitten. Niet meer vooruit te branden. Ik  kon hem geen ongelijk geven. Een ouder echtpaar dat achter ons liep, zag kans om ons in te halen. In het passeren keek de vrouw me afkeurend aan en zei tegen haar man, luid genoeg zodat ik het kon horen: ‘Die selfmade acteurs tot daar aan toe, maar als volwassenen ook nog ‘s mee in het schuim gaan springen, wordt het toch helemaal te gek!’ ‘Niet reageren, schat,’ suste de wederhelft. Hij nam de haarbal in zijn armen en ging me voor naar onze fietsen. We zouden een andere keer wel terugkomen. In de winter of zo.

  • 11 augustus 2024

    De overtreffende trap

    Maandag was de buschauffeur onthutst. Dinsdag de fans verontwaardigd. Woensdag waren er schokkende beelden. Donderdag volgde een mogelijk nooit eerder geziene waarschuwing en op vrijdag zagen we de prins nog nooit zo emotioneel. Gewaagd. Grote zorgen. In de clinch. Topje van de ijsberg. Woest! Het is maar een klein samenraapsel uit de krantenkoppen die ik deze week zag passeren. Superlatieven zijn er te kort en toch worden er elke dag andere verzonnen. Forser, straffer, zwaarder.

    Komkommernieuws is het nieuwe normaal geworden. Vaak vraag ik me af wie er beter wordt van die artikels. Hartvreterij is het. Opjutten van de lezers ook. Kritische vragen worden niet meer gesteld. Het weerwoord en de factcheck (zo eentje in de kantlijn) hebben plaatsgemaakt voor reclame. Letterlijk iedereen krijgt een platform en alles is een schandaal. Ik heb het er wat mee gehad. Het boeit me niet en tegelijkertijd kan die bladverspilling me mateloos opboeien.

    Zo stond eerder deze week in de gazet het schrijnende verhaal van de zevenentwintigjarige studente Lien. Te jong was ze om haar vader te verliezen. Ik wens haar en haar familie veel sterkte in deze moeilijk tijd. Maar daar ging het artikel niet over. Het draaide om de erfbelasting die ze moest betalen. Meer dan honderdvijftigduizend euro moest ze aan de staat. “Moet ik nu alles waar mijn vader zijn hele leven voor heeft gewerkt zomaar verkopen?” vroeg ze zich af. Wel Lien, nee: niet “alles”. Er werd een woonhuis, een studio aan zee, een autostaanplaats, twee garageboxen en nog een lap grond aan jou overgelaten. Het zal wel meevallen.

    Ik ben me ervan bewust dat de erfbelasting een discutabel onderwerp is. Want op alles waar we erfbelasting op betalen, is er eerder al eens een belasting geheven. Moet dat echt twee keer, is een terechte bedenking. Anderzijds, een erfenis is geld dat je krijgt en waar je zelf geen sikkepit voor hebt uitgevoerd. Sneu dat je niet alles krijgt, het mag altijd wat meer zijn. Toch, is het solidariteitsprincipe waarop onze maatschappij stoelt dat niet waard? Daar kan Lien zich ongetwijfeld in vinden, mag ik hopen. Zeventwintig is ze en nog altijd aan het studeren. Dankzij dat solidariteitsprincipe. Zonder studentenlening zoals in andere landen. Ik gun het haar, echt waar, maar laat ons een kat een kat noemen: veel zal Lien tot hiertoe nog niet hebben afgedragen.

    In het artikel – deze journalist had zijn werk wel gedaan – werd ook de belastingdienst aan het woord gelaten. De belastingtarieven blijken progressief te zijn en stijgen dus naarmate het inkomen groter wordt.  Er zat een voorbeeldje bij (zo eentje in de kantlijn). Ik kon het niet nalaten en vond de tijd om het even uit te rekenen. Het gaat over een erfenis van een dikke zevenhonderdduizend euro, waarvan Lien dus honderdvijftig moet laten vallen. Tja, wat kan een mens dan nog zeggen,  honderdvijftigduizend euro is veel geld. Zevenhonderdduizend ook.

    Lien had dat geld niet, liet ze opschrijven, want “banken geven geen leningen aan studenten”. Intriest was het. Daarna kwam de aap uit de mouw: Lien had een plan. Zonder blozen, de schaamte voorbij, was ze met een crowdfunding gestart. Toen ik dat las liet mijn rechtvaardigheidsgevoel mijn hersenen minutenlang zinderen tot ook mijn zenuwuiteindjes begonnen te tintelen. Ditmaal moest ik na het opwinden (hoe wereldvreemd kan je zijn?), ook terug afwinden en dat deed ik door in mijn pen te kruipen.

    Ik ook heb mijn portie superlatieven gehad deze week. Want maandag was ik onthutst te horen dat Candi, acht is ze, liever op de grond slaapt dan in het eenpersoonsbed dat ze moet delen met haar jongere zusjes. Dinsdag verontwaardigd omdat Jason, de dag dat hij achttien werd, bij zijn pleegouders is buitengezet omdat ze geen pleegvergoeding meer ontvangen. Woensdag nog was ik geschokt te zien dat de studio van Nazir eigenlijk een omgebouwde garage is die hij deelt met een man die hij niet kent. Donderdag las ik de laatste waarschuwing van een gerechtsdeurwaarder en vrijdag werd ik zowaar emotioneel bij het zien hoe een gezin oorlogsvluchtelingen onderdak had gevonden bij landgenoten van hen in onze stad.

    Dus beste Lien, stop met naar jouw navel te staren en verkoop alsjeblieft een garagebox of twee. Misschien die lap grond ook. Wandel eens een dag in mijn kielzog. Kom je blik verruimen in de voetsporen van een maatschappelijk werker in de stad. Kom kijken in welke erbarmelijke omstandigheden de mensen hier wonen. Kom mee centjes tellen. Kom een keer voedselhulp uitdelen. Want als er iemand een crowdfunding kan gebruiken, dan zijn dat één voor één: Candi, Jason, Nazir, al hun lotgenoten en alle ontheemde oorlogsvluchtelingen die over deze aardkloot ronddolen.

  • 28 juli 2024

    Een vogel in de vlucht

    Niet dat we specialisten zijn, de wederhelft en ik, maar we kregen alle twee van thuis uit een gezonde interesse voor vogels mee. Een die verder reikt dan de ekster, duif of kraai. Wanneer we de natuur induiken, dan is dat altijd met een luisterend oor en een waakzaam oog. Want niet elke kleine vogel is een Winterkoninkje. De kleinste vogel is een Goudhaantje zullen de kenners me nu ongetwijfeld verbeteren. Maar niemand zag ooit dat Goudhaantje. Zo klein is, en goedverscholen zit dat ding.

    Mijn vader bijvoorbeeld ziet overal piepers. Als hij een vogel in het gras niet meteen herkent, roept hij: Graspieper! Op vakantie aan zee: Duinpieper! In het riet naast een beekje: Rietpieper! Bij het water zonder riet: Waterpieper! In een boom: – je raadt het al – Boompieper! Alsof hij het ter plekke verzint. Een steeds terugkerende grap is het. Tot je de Petersons Vogelgids openslaat op bladzijde honderdvijvenzestig (plaatjes op tweeënzeventig). Blijkt dat die kleine, ordinair bruine vogeltjes allemaal echt bestaan.

    Mijn schoonvader, een geschoold natuurgids, nam me, lang geleden, bij een van onze eerste ontmoetingen, mee het bos in. Tot op de dag van vandaag weet ik nog steeds niet of het een test was. Voor hetzelfde geld maakte hij me blaasjes wijs, want hij zag en hoorde vogels waarvan ik niet wist of ze wel echt bestonden: de Gekraagde roodstraat, Een Grauwe vliegenvanger, Roodborsttapuiten, een Geelgors en zelfs een Kneu. Ik hoorde het in Keulen donderen. Samen met alle spechten die hij aan hun geroffel wist te herkennen. Het is daar dat ik besloot dat het een hobby mocht blijven.

    Zo wandelen de wederhelft en ik overal waar we komen rond: als twee hobbyisten met een niet vooruit te branden haarbal achter ons aan. Vorige week nog, ergens in de Ardennen, wees de wederhelft naar een silhouet in de lucht. De kleuren en patronen in het vederkleed van de vogel waren in het felle zonlicht op dat moment moeilijk van elkaar te onderscheiden. ‘Zeker geen Buizerd,’ mompelde hij. ‘Ook geen Wauw,’ vulde ik aan (want dat is het enige roofvogelsilhouet waarvan ik met absolute zekerheid kan zeggen welke vogel er in de lucht hangt).

    Terwijl we in het wilde weg wat aan het gokken sloegen (Slechtvalk, Havik, Sperwer, Torenvalk, Boomvalk, Visarend), viel ons op dat de vogel steeds opnieuw vlak achter de heuvelkam naar beneden scheerde. Vervolgens vloog hij op en weg, richting bosrand. Maar telkens weer kwam hij terug naar de heuvelkam waar hij eerst biddend bleef hangen en dan een duikvlucht nam. Na de derde keer wist de wederhelft dat daar iets moest zijn. ‘Iets bijzonders,’ zei hij vastbesloten. Dus baanden we ons een weg door het hoge gras, de zacht glooiende heuvelkam op.

    Naarmate we dichter bij ons doel kwamen, bukten we ons dieper en dieper, tot onze hoofden amper nog boven het maaiveld uitstaken. De staart van de haarbal stopte met kwispelen, zijn neus ging de lucht in en daarna naar de grond. Hij had iets geroken en maakte aanstalten om voorop te gaan lopen. Dat maakte het nog spannender, want dat deed die anders nooit. We hoorden ook een zacht gepiep dat luider klonk naarmate we dichterbij slopen, kwamen uiteindelijk bij platgetrapt gras waarvan we niet met zekerheid wisten of het mensenwerk was en dan was het daar: in elkaar gedoken: een wit konijn, met een achterpoot verstrikt in een lus henneptouw.

    Dat was een oneerlijke strijd, vond ik en wilde meteen het arme ding bevrijden. Of ik het niet vreemd vond dat het ‘een wit konijn was en geen bruin. Zoals de andere wilde konijnen,’ vroeg de wederhelft. ‘Wild of niet, verstrikt is verstrikt en dient bevrijd te worden. Toch?’ Er werd geen tegenspraak geduld. De reactie die daarop volgde, in een moeilijk verstaanbaar Frans, kon onmogelijk van de wederhelft zijn: ‘Et que pensez-vous que vous êtes en train de faire?’ Achter ons was er een valkenier opgedoken met op zijn arm een slechtvalk (nu herkende ik de vogel wel).

    Ik keek naar de wederhelft: ‘Je bedoelde dat dit geen wild konijn is, hé?’ ‘Inderdaad, schat,’ antwoordde hij, ‘Mag ik ervan uitgaan dat jij ons hieruit zal praten?’ Op dat ogenblik viel mijn oog op de haarbal. Een jachthond. Althans volgens de handleiding. Voor een vreemde die de haarbal niet kende, was het niet zo heel moeilijk om dat te geloven. Zonder schaamrood op mijn wangen, wees ik naar de haarbal en verontschuldigde me in honderdvoud bij de valkenier. Je zag dat hij twijfelde. Dat duurde net lang genoeg om het hazenpad te kiezen.

  • 7 juli 2024

    De Adviseur

    De adviseur komt in vele gedaanten. Met of zonder snor, groot, klein, in jurk soms, af en toe met baard en buik. Vaak is hij dichtbij of soms heel ver. Voor de dag ermee, zegt de adviseur ditmaal: De punt geslepen, de flarden neergepend. Zeg gewoon waar het op staat en doorbreek die verdomde schrijfkramp van je. Ik wil terug stukjes op tweewekelijkse basis. Gooi je teugels af! Laat je niet inkorten. Wie schrijft, die blijft!

    Ter mijner verdediging, dat deed ik – die flarden neerpennen dan – maar het is toch net dat ietsje ingewikkelder. Het is een writer’s block, maar dan een die er niet echt een is. Er zijn zo veel zaken waar ik eens goed over zou willen ventileren. Ze kregen allemaal hun inleiding in mijn kladboek. Een eerste zin, sommigen een titel en de meesten een alinea of zelfs twee. De tonen gezet, de denkbeeldige lezer voorbereid op onderwerpen die nooit verkend zullen worden. Het bleven onafgewerkte introducties zonder gevolg. In de kiem gesmoord door de angst om anderen tegen de schenen te schoppen. Preludes van teloorgegane ambities waren het. Proppen in de prullenbak zijn het.

    Ik maak het mezelf dan ook steeds moeilijker. Angstvallig gevoelige thema’s vermijden. Wegblijven ook van politiek en polemiek. Voor zover dat geen synoniemen zijn. En het is niet dat ik elke week onnozeliteiten uithaal. De adviseur schudt het hoofd: het wordt tijd om ofwel een andere weg te kiezen; ofwel een datum te prikken tot wanneer je het aanziet; ofwel de reden van de stroefheid op te lossen. Er is niets fout met een beslissing te nemen. Ook als het gaat om een moeilijke periode: wees dan mild voor jezelf.

    De pen wordt zo terug in mijn handen geduwd. Ik kies geen andere weg, ik wil blijven schrijven. De datum prik ik op zondag. De reden van de stroefheid los ik hier en nu op.

    Ik zal je vertellen over hoe ik vanmiddag een eerste hap deed van een tweede pistolet, zeg ik tegen de adviseur. Tegelijkertijd met die hap viel mijn oog op enkele foto’s in de krant. Verschillende uitgemergelde Palestijnse kinderen. Vel over been waren ze. Ik heb mijn pistolet opzij moeten leggen. Om meteen daarna bevangen te worden door een ander schuldgevoel. Hoe durfde ik voedsel te verspillen. Over die ver-van-mijn-bed-tragedie schrijf je maar beter niet, zegt de adviseur en ze schenkt daarbij twee glazen in. Heb je echt dan geen enkel goed idee? Ik schud het hoofd. Ze blijft me bedenkelijk aankijken. Een maatschappelijk thema van eigen bodem, dan? Dat doe je zo goed, en toch zo weinig. Dat vinden vele lezers niet zo fijn, weet ik. De adviseur is nog steeds niet akkoord. Het is niet omdat je het verzwijgt dat het er niet is. Je wilt de wensen van je lezers respecteren, maar wat doe je met die van jou?

    Misschien heeft ze gelijk, dus stel ik voor om over Hatim te schrijven, een Palestijnse vluchteling, die ik niet kon helpen. Nu schudt zij het hoofd. Het onnoemlijke verdriet op de begrafenis niet zo lang geleden? Te triest. Ik denk aan het schijtweer van de laatste acht maanden en de slakken in mijn tuin (ja, ze zijn er nog steeds). Futiliteiten, zegt ze. De modder op Graspop? Oud nieuws. De haarbal? Al lang niet grappig meer. De laatste kampeertrip? Gehad. De meester? Te gewaagd. Het wordt stil. We nippen allebei een paar keer van onze glazen. Wat stel je zelf voor, vraag ik. Ze aarzelt even en zegt dan: Niets. Helemaal niets.

←Vorige pagina
1 2 3 4 5 … 9
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 67 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen