De laatste Zwembeurt

18°c gaf de thermometer in rode digitale cijfers aan. Met enige terughoudendheid stak ik mijn grote teen in het water. Vréselijk. Waarom deden ze er geen twee of drie graadjes bij? Dat zou het zwemmen zoveel aangenamer maken. Maar kom, ik was daar om baantjes te trekken, niet om te zeuren over de watertemperatuur. Mijn spieren zouden snel genoeg opgewarmd zijn. Ik moest alleen nog de juiste baan uitkiezen.

Er waren er vier, netjes van elkaar gescheiden door aan elkaar geregen rode en witte ballen. Aan de rechterzijde was er een trage baan, waarin de iets oudere dames zelfs de haren die onder hun badmuts kwamen uitpiepen, drooghielden. Héél kunstig zwommen ze met de schouders ver boven het watervlak uit. In combinatie met de continue stroom kletspraat vergde die zwemstijl zo veel energie, dat er hen niets meer restte om iets van snelheid te maken. De file die zich achter de dames had opgehoopt was weinig aanlokkelijk, dus verschoof ik mijn focus naar de andere zwemmers. In de baan ernaast crawlden er twee jongmannen in nauw aansluitende speedo sneller dan hun schaduw en in de twee resterende banen varieerde de snelheid van gewoon rap tot héél rap. Ik zou uit mijn pijp moeten komen.

Met mijn duikbrilletje op, sloot ik – in de minst ‘rappe’ baan – achter de snelste zwemmer aan. Niet dat ik hem zou kunnen bijhouden, maar het zou lang genoeg duren voordat hij aan mijn voeten kon komen kietelen. Eén kilometer zwemmen was het doel. Veertig keer de kant aantikken. En dat binnen het halfuur.

Tik. Achttien. Tik. Negentien. Wat was ik goed bezig. Tot ik iets bizars onder water zag. Zonder vaart te minderen ontweek ik het obstakel. Had ik dat goed gezien? Tik. Twintig. Een wc-papiertje. Hoe kwam dat in hemelsnaam in het water terecht? Was het aan een voet blijven plakken? Was het gebruikt? Tussen bil en broeksrand blijven steken? En hoe kon het dat zo’n superdun velletje heel kon blijven? Tik. Eenentwintig.

Heel? Waar haalde ik het? Bij de volgende passage was het in twee gebroken. Daarna in vier. De destructie ging exponentieel door tot het papiertje niet meer was dan een wolk fijne pluche. Tik. Zesentwintig. Het angstzweet brak me uit (inderdaad, zelfs onder water kan je zweten). Zou ik van baan veranderen? Er gewoon uitstappen? Die wolk pluche was toch het zuiverste bewijs dat een zwembad een gore bak smerig water is? Tik. Zeventwintig.

Aargh! Wat voelde ik daar aan mijn voeten?  Gedver! Ik werd ingehaald. Dat stom papiertje had me doen vertragen. Ik keek achterom. De file van de twee nijlpaarden in baan één verdween in het niets bij de mijne. Een crawlzwemmer naast me, spette dan ook nog ’s hard in het water. Ik schrok op. Mijn benen zakten naar beneden en ik schakelde over van schoolslag naar baksteenslag. Lichtjes in paniek hapte ik nog naar adem. En Gulp! Daar ging een grote teug water binnen.

Elk mogelijk alarm in mijn lichaam ging af. Gelukkig, met ondersteuning van de file achter me geraakte ik aan de kant. Een iets té behulpzame hand gaf mijn achterwerk een stevige duw waardoor ik als een aangespoelde walrus proestend op het droge belandde. Daar bleef ik even liggen. De badmeester had de wellevendheid toch even te komen informeren naar wat er precies gebeurd was. Op zijn slippers kwam hij mijn kant uit gesloft. ‘Alles oké madam? Is er iets voorgevallen?’ ‘Ik… Ik… Papiertje… Stuk… Smerig…’. De badmeester trok een wenkbrauw omhoog. Hij zou nooit toegeven dat zijn water de smerigste boel in de wijde omtrek was. Ik stond op en droop af.

Eén reactie op “De laatste Zwembeurt”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: