GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 3 december 2023

    Dromen en regenbogen

    Op een stormachtige zondag gingen de vrouw met de snor en ik naar een literair festival in Sint-Niklaas. Dirk gaf er samen met andere auteurs een lezing. We waren (en blijven) fan en kochten zijn boek. Dirk en zijn kompanen stonden rond het middaguur op de bühne. Dat deden ze goed. We applaudisseerden. Intermezzo. Pauze.

    Achteraan in de zaal was er frisdrank, koffie of thee te verkrijgen. Omdat het in de zaal erg koud was nam ik thee. Ik kreeg het er niet warmer van, dus sloeg ik mijn sjaal rond de nek. We wilden Vekeman die pas laat in de namiddag stond geprogrammeerd zien en gingen terug op onze plaatsen zitten. Het waren slechte stoelen. De meester zou trots op ons zijn.

    Er was nog vier uur te gaan maar de tijd ging erg traag. Ik zag nog steeds geen cowboyhoed, dus Vekeman was nog niet gearriveerd. Het was de beurt aan twee auteurs in een niche. Niet zo mijn ding, maar over smaak valt niet te twisten. We applaudisseerden, omdat de auteurs dat verdienden, én in de hoop het zo wat warmer te krijgen. Dat hielp niet. Daarom zette ik mijn muts op. Intermezzo. Pauze.

    Terug op onze plaatsen bleek dat het aantal lege stoelen op de vier rijen voor ons was verveelvoudigd. Dat was verdacht. Ik nam er het programmablaadje bij. Wat bleek: na de niche, zou er een overtreffende niche volgen. We hadden de keuze: na de voordracht heel hard applaudisseren om de leegte van de vertrekkers te compenseren, of zelf ook het hazenpad kiezen. De vrouw met de snor en ik wogen de pro’s en contra’s af; Er was nog drie uur te gaan; Dirk werd niet meer op de bühne verwacht; Vekeman was nergens te bespeuren.

    De goesting om te blijven daalde zo naar het minpunt. Net zoals de temperatuur in de zaal, want de warmteblazer had al een tijd terug zijn laatste zucht uitgeblazen. Ik stak mijn handen in mijn wollen wanten. De vrouw met de snor keek me wat meewarig aan: Kom we gaan, zei ze.

    Buiten wisselden de winderige buien elkaar af zoals aprilse grillen dat doen. Aan de overkant van de straat plooide de paraplu van iemand dubbel. Hulp kon niet meer baten. We ondergingen aan onze kant dezelfde spelingen van het ongure weer. Met de kap ver over onze hoofden getrokken, bekenden we beurtelings onze literaire zonden: Gabaldon, Roth, Lucinda, Follet, Gregory… Als je het doorvertelt, zal ik ontkennen…

    In de auto was het wel warm. De ruitenwissers gingen een poos héél snel en hielden dan abrupt op, stand-by om de volgende bui te trotseren. Voor ons verscheen er een regenboog. Hij was fel, groot en dus héél dichtbij. Onze weg leidde naar daar waar de linkerkant van de boog de aarde raakte. De pot goud, riep ik. We kunnen rijk zijn! De vrouw met de snor moest erom lachen. Ik zwans niet, zei ik, rij naar Rood! We zullen nooit meer moeten werken. We kunnen een schrijvershol kopen. Misschien wel twee… Deze kans kunnen we niet laten liggen! Wie weet hoeveel kapers er al onderweg zijn.

    We reden door Violet, Indigo, Blauw, Groen, Geel en Oranje. En daar stond hij. De grote pot goud (beeld je dat maar in). We waren rijk! De job hadden we al opgezegd. De therapeut ook. De camper was gekocht. De bucketlist geschreven. Bloggen konden we voortaan op dagelijkse basis. De manuscripten konden uitgewerkt worden. We waren al recepten aan het uitwisselen en theaterteksten aan het instuderen. De meester zou geen werk meer hebben!

    En toen sprongen de ruitenwissers terug aan.

  • 19 november 2023

    Vogel voor de kat

    In het middelpunt van een geromantiseerd leven vertelt hij verhalen en anekdotes die niet van hem zijn. Met stijl doet hij dat. We stellen ons luidop stropdas en aktetas voor. Zijn doffe ogen lichten op. De armgebaren worden weidser. Hij heeft in mij een toeschouwer gevonden. Vanop de eerste rij mag ik getuige zijn van zijn strapatsen en zeges. Wat hij allemaal niet heeft meegemaakt…

    Goh, wat hij allemaal niet heeft meegemaakt…

    Het was malchange madame. Hij wil er niet dieper op ingaan. Beeld je maar niets in, madame. Jouw verbeelding tart de werkelijk, het is niet andersom, zegt hij. Ik weet waar hij op doelt. Hij wil groot zijn. Voornaam. Hij heeft er de hersens voor. Waarom zou ik het laatste grammetje waardigheid dat hij nog heeft van hem willen afnemen?

    Hij weet niet wat ik weet. Dat ik alles weet.

    Hij slaapt op de zetel bij een kameraad, liegt hij. Ik weet dat hij elke avond zijn tentje opslaat in het struikgewas in de berm van de autostrade. Het is maar voor even, de moeder zal snel terug zijn, stelt hij gerust. Ik weet dat ze aan de drugs zit en zich in een kraakpand schuilhoudt. Het is niet voor even. Ik weet ook dat hij vorige nacht, onder het geraas van de vrachtwagens, werd bestolen. Gevallen met de step, madame. Hij kreeg rake klappen.

    Nee madame, zo erg is het niet.

    Instellingsverleden: het is een stempel die we gebruiken. Een dik, vet, allesomvattend onderscheidingsteken dat symbool staat voor een miserabele jeugd zonder kansen. Zonder liefde. Dat staat voor een ellenlange lijst van pleeggezinnen en instellingen, kriskras verspreid over het land. Het staat voor schooljaren die nooit zijn afgemaakt. Het staat voor verliezen en afgeven. Steeds opnieuw. Totdat je achttien bent. Vanaf dan sta je er alleen voor. Zonder kansen. Zonder liefde. Met een ellenlange lijst van adressen waar je even op de zetel kon crashen. Kriskras verspreid over het land. Het staat voor werk dat je nooit hebt kunnen volhouden. Het staat voor verliezen en opgeven. Want dat doe je…

    Uiteindelijk geef je op.

    Kinderen kiezen niet uit welke broek ze geschud worden. Hier zit ik tegenover een jongen, machteloos, want er zijn geen middelen. Uit wanhoop glimlach ik naar hem. Hij ziet iets. Zijn houding verandert. Hij weet wat ik weet. Er verschijnt paniek in zijn ogen. Waarom zou ik dat laatste grammetje waardigheid van hem willen afnemen? Hij wil weglopen.

    Vluchten, de strategie die het minst pijn doet.

    Ik herpak me. Blijf je, vraag ik, en vertel nog eens van die keer dat je je prof voor de gek hield bij de presentatie van jouw eindwerk. Dat verhaal ken je, antwoordt hij. Ik ken er een beter. Heb ik je ooit verteld van onze reis naar de Côte d’Azur? Mijn vader reed er in één trek naar toe. In de cabrio. Ik zat met mijn zusje op de achterbank. Mijn moeder haar lange haren wapperden in onze gezichten. Mijn zusje zong de hele tijd liedjes van K3. Vréselijk was het. Maar toen we daar aankwamen…

    Goh, toen we daar aankwamen…

  • 5 november 2023

    De afwasser

    De wederhelft had een exquis restaurant uitgekozen. We hadden iets te vieren. Met witte tafelkleden, porselein in aardetinten, zilveren bestek, kaarsen en verse bloemen waren er kosten, noch moeite gespaard om een intieme sfeer te creëren. Het geroezemoes van de andere klanten werd evenwichtig overstemd door een speellijst Franse chansons in een jazzy uitvoering. We zaten vlakbij de passe, maar dat stoorde niet. Het was zelfs een genoegen om, zo nu en dan, een blik in de keuken te kunnen werpen. Als ik me een beetje naar links boog, kon ik zelfs tot helemaal achteraan kijken. Buitengewoon plezierig voor iemand zo nieuwsgierig als ik.

    We waren nog aan het nagenieten van de amuse-gueule wanneer er een bulderlach door de keuken galmde en vervolgens langsheen het keukenpersoneel, over de schouders van de chef – die aan de passe stond – de gelagzaal in golfde. Twee tafels verder liet een kokette dame een vork uit haar handen glippen, net op het moment dat er een collectieve ingehouden zucht de ruimte vulde. Het luide gekletter van zilver op porselein versterkte de stilte die daarop ontstond. Niemand durfde nog te spreken. Iedereen keek vragend om zich heen, benieuwd naar wie – of wat – zulk geluid kon produceren. De maître d’ hotel, die net bij onze tafel was komen staan, zuchtte, greep met duim en wijsvinger naar zijn wenkbrauwen en draaide op zijn hielen honderdtachtig graden: linea recta naar de pass. De twee obers en de sommelier haasten zich van tafel naar tafel om de klanten te sussen. Het was de afwasser maar. Iedereen kon rustig verder eten. Geen zorgen, mevrouw. Wenst u nog wat wijn meneer? De wederhelft bedankte de ober, maar ik… ik kon niet meer van de passe en de keuken wegkijken.

    ‘Wie liet er een pot aanbranden?’ brulde de chef op aandringen van de maître die met beide handen de passe zo hard vastgreep dat zijn kneukels er wit van wegtrokken. ‘Dat was de braadmeester chef!’ werd er naar hem teruggeroepen. De maître vloekte: ‘Waarom ontsla je die kwast niet? In de gelagzaal denken ze dat er een levend zwijn gevild wordt.’ ‘Welke kwast bedoel je?’ vroeg de chef. ‘De braadmeester of de afwasser?’ ‘De afwasser, natuurlijk,’ antwoordde de maître, ‘Heb je de braadmeester ooit zulk geluid horen voortbrengen? Die man is een pink dik.’ De chef reageerde gepikeerd: ‘Denk jij nu echt dat we met een vingerknip een vervanger kunnen vinden? De afwassers staan echt niet in de rij hoor.’ ‘Hou-die-mislukte-circusartiest-dan-weg-van-aangebrande-kookpotten-en-schuurborstels!’ siste de maître met de tanden op elkaar geklemd. ‘Wij zijn het in de zaal beu om telkens opnieuw de gemoederen te bedaren. Dit is een gerenommeerde zaak, in hemelsnaam!’

    Ik boog me zo ver naar links dat de wederhelft er lastig van werd. ‘Laat me,’ zei ik, ‘ik vertel je dadelijk wat er te zien valt.’ En inderdaad, helemaal achteraan, voorbij de garnituren, de koude keuken en patissier, stond hij, de afwasser, wijdbeens, met een kookpot tegen de borst gedrukt. Hij gromde en kirde van opwinding. De braadmeester had zijn vlees blijkbaar heel lang laten stoven. De randen en de bodem van de oude kookpot waren door het gasvuur zwartgeblakerd. Dat kon ik zien vanop de plek waar ik zat. Je had geen verbeeldingskracht nodig om te weten hoe de binnenkant van de pot er aan toe was. In zijn rood-zwart gestreepte onderhemd zag de afwasser eruit als een gewezen gewichtheffer. De dikke krulletjes borsthaar die onder zijn lijfje uitpuilden liepen zonder onderbreking door naar armhaar, nekhaar en rughaar. Hij glimlachte zijn spierwitte tanden bloot en zette de pot in de gootsteen, draaide zijn snor in twee fijne puntjes, nam de schuurborstel en begon aan zijn taak.

    Ik had de hele avond kunnen en willen kijken, ware het niet dat een zwarte schort met erboven een wit hemd en strik mijn zicht belemmerde. Ik ging nog wat meer naar links hangen. Het witte hemd volgde mijn beweging. Ik keek naar boven om de eigenaar vriendelijk te vragen opzij te stappen,  maar beet op mijn tong van zodra ik doorhad wie er voor me stond. ‘Aan het genieten van het uitzicht?’ vroeg de maître en richtte zich zonder een antwoord af te wachten tot de wederhelft: ‘Misschien dat u graag een tafeltje achterin de zaal prefereert, mijnheer? Eentje waar wat minder “afleiding” is?’ stelde hij voor. ‘Als dat voor u niet al te veel moeite is, ga ik graag op uw aanbod in,’ antwoordde de wederhelft fijntjes. Ik schudde mijn hoofde nog, maar twee paar ogen maanden me aan tot zwijgen.  Bij het opstaan wierp ik nog snel een blik op de voormalige gewichtheffer en zijn kookpot en volgde dan de maître en de wederhelft naar achteren, waar ik tussen twee grote ficussen mocht gaan zitten. ‘Wat fijn dat ik op deze bijzondere dag van jouw volle aandacht kan genieten,’ sneerde de wederhelft. Op de achtergrond werd de muziek een beetje luider gezet. Verbeeldde ik het me? Of hoorde ik daar in de verte een diepe bariton neuriën?

  • 22 oktober 2023

    De krant

    Alsof het universum er mee gemoeid was – of de postbode had mijn blog gelezen, dat kan ook – werd de krant vorige week maandag en dinsdag niet bezorgd. Toegegeven, ik weet dat ik schreef dat ik mijn abonnement op de krant zou stopzetten. Maar zo letterlijk bedoelde ik het ook niet. Die eerste maandag had ik mijn probleem nog netjes via de website gemeld. Dinsdag belde ik de klantendienst. De dame aan de andere kant van de lijn zag het probleem niet. Ik kon de krant die gemiste dagen toch ook gewoon digitaal lezen? Zo’n drama hoefde ik er niet van te maken, toch? In volgorde: nee, en jawel: het is een wereld van verschil! De letters van de stukjes van Dalilla of Hans Cottyn bijvoorbeeld die als suikerkristallen ’s morgens mijn koffie zoeten. De bladzijden die zich bij de eerste keer omslaan moeilijk laten temmen. Het geknisper. De geur van vers gedrukte inkt. Fuck néé! Niet dezelfde beleving op een schermpje van 16 op 7!

    Mijn tirade legde weinig zoden aan de dijk want na woensdag – veel te laat – werd donderdag de krant niet geleverd. Tegen vrijdagmiddag kon ik wel uit mijn vel springen.  De (banale – ik weet het) stress die gepaard ging met de onwetendheid over de bezorging van mijn dagelijkse dosis letters deed me besluiten om de krant definitief op te zeggen. Ik werd er toch alleen maar ziek van. Als het niet van het nieuws in de krant was, dan wel van het nieuws dat ik miste. Vastbesloten belde ik opnieuw naar de klantendienst. Ik was het beu, zei ik, en beëindigde daar, voor eens en voor altijd, het tijdperk van de papieren krant. Althans dat was de bedoeling. De dame aan de andere kant van de lijn wist me ervan te overtuigen dat niet te doen. Wat had ik aan een abonnement als de krant niet bezorgd werd, opperde ik. Ze vroeg een week om het probleem uit te pluizen. Die tijd kreeg ze nog.

    Diezelfde namiddag werd er aangebeld. De buurman van nummer vierentachtig stond er met een stapel gelezen kranten onder zijn arm. Hij had zijn queeste al opgegeven, was overal gaan aanbellen, totdat zijn vrouw voorstelde om toch ’s op de tweeëntachtig te proberen. Het was een wanhoopspoging. Ik wilde niet weten waar hij allemaal al was gaan informeren, zei hij. Dat hoefde ik inderdaad niet te weten. Toch somde hij zijn stappen op: bij de Duitse buren van nummer zessentachtig, bij de Turken, de gepensioneerden van de tweedehandswinkel wat verderop, zelfs aan de overkant van de straat (de oneven nummers!) bij de Viking en de Vertegenwoordigster. Dat het niet in hen opkwam dat wij, zijn naaste buren, mogelijks een kwaliteitskrant lazen, zegt veel over hoe hij over ons denkt. Of wat hij van de Standaard vindt, kan ook. Flutgazet.

    De dag erna werd de weekendkrant met alle bijlagen geleverd. In welke staat ga ik niet uitleggen. Laat ons het erop houden dat er plakband aan te pas kwam. Toch, ik was gelukkig. Voor even, want daarna begon de mallemolen gewoon opnieuw. Maandag te laat. Dinsdag niet. Van de klantendienst hoorde ik niets meer. Dus ging ik op vinkeslag liggen. De postbode zou later op de dag nog een weekblad bezorgen, wist ik.

    Van zodra ik de brievenbus hoorde klepperen, stormde ik naar de voordeur. De postbode was op dat moment al enkele huizen verder. Postbode! Riep ik. Ik moet iets vragen! Op mijn sokken ging ik hem achterna en deed mijn verhaal. De postbode, vriendelijk en uiterst begripvol haalde zijn notitieboekje boven. Er scheerde een loslopende hond langs mijn been. Welke onverlaat laat er hier zijn hond loslopen, dacht ik, en huh? Die viervoeter lijkt verdacht hard op onze haarbal. Fuck! Het is de onze! Ik had de voordeur open laten staan.

    Zonder halsband, naakt, liep de haarbal zijn vrijheid tegemoet. Ik ging erachteraan, dook naar beneden. Greep naar zijn loshangend vel. De postbode kon niet wachten. Hij was gehaast. Hij wilde nog wel het telefoonnummer van het kantoor meegeven. Met beide handen vol hondenvacht, zonder balpen, zonder papier, hoe kon ik in godsnaam iets noteren? De postbode zag het dilemma. Haalt u me in, stelde hij voor. Ik knikte, worstelde met de haarbal tot bij de voordeur. Duwde hem het deurgat in, griste het weekblad van de vloer en zette op mijn kousenvoeten de achtervolging op de postbode in. Een balpen was ik vergeten. Desnoods noteer ik het nummer in bloed op de achterzijde van het weekblad, dacht ik. Zo ver heen was ik. Dat ik de deur had toegetrokken met de sleutel aan de binnenkant in het slot was een probleem voor later. Ik bleef rennen. Gelukkig kon ik de balpen van de postbode gebruiken. Bloed kwam er niet aan te pas. Nog niet.

  • 8 oktober 2023

    Triviaal

    Het schrijven van een stuk waarvan ik zelfs de grote lijnen nog niet uitdacht is moeilijk. Laat het humoristisch zijn, dat zijn je beste stukken echoot er door mijn hoofd. De duimpjes omhoog. Het aantal reacties groter. Kappersbeurten, vakanties, rommelmarkten, boswandelingen, verdronken geiten. Hoe leuk het allemaal is. Ik kan me vandaag niet tot vrolijkheid dwingen. Triviaal is het. In een wereld die op stelten staat.

    Een expert, aan het woord in de krant, vertelt dat er geen enkel model is waaruit de hoop gepuurd kan worden dat Oekraïne de oorlog zal winnen. Rusland, noch Oekraïne heeft een overmacht voldoende groot om de ander terug te dringen. De oorlog zal er nog jaren duren. Rusland schakelde over op een oorlogseconomie. Daar telt enkel nog het produceren van wapens en het indoctrineren van kanonnenvlees. Aan Westerse zijde worden de landen steeds terughoudender. Geen enkele regeringsleider zal bereid gevonden worden om nog jaren geld te pompen in een oorlog die niet te winnen valt. Slik.

    Ondertussen op Belgische bodem. Feestvierders pissen tegen een combi: land op stelten. Zatte partijvoorzitter verkoopt racistische praat: land op stelten. Rijke politiekers die zich nog meer verrijken: land op stelten (en ondertussen alweer vergeten). Gebakkelei, opgepookt door de media, rechts en links. Politiekers die beurtelings zeggen het “gekissebis en gehakketak” beu te zijn maar een dag later gewoon weer verder redetwisten met hun concullega’s, omdat het navelstaren makkelijker is dan naar de horizon te kijken. Twaalf bladzijden tel ik in de krant. Twaalf: gewijd aan binnenlands politiek gezwets. Bullshit.

    Terzelfdertijd vallen er duizend bommen op Israël. De wraak zal niet te overzien zijn. Waarom schieten die klojo’s van Hamas duizend raketten af? Ze zitten aan de knoppen maar geven geen hol om hun landgenoten. De teller tikt aan beide zijden van de grens genadeloos. Het aantal gewonden en doden stijgt er met het uur. Het leed is niet te overzien. Niet in het beloofde land, niet in Oekraïne, niet in Nagaro-Karabach (waar?), niet in Congo, Jemen, Afghanistan of Ethiopië en alle andere vergeten conflicten op aard. Lijdzaam ondergaat de bevolking er de beslissingen van een stelletje nozems die in hun fijne kantoortjes Stratego spelen. Oneerlijk is het.

    “Wenst u dat de gemeente Borsbeek gefuseerd wordt met de stad Antwerpen? Ja of nee?” Kan je je inbeelden dat de burgerbevolking in die conflictgebieden iets gevraagd wordt? Kan je je het voorstellen? De inwoners van Gaza die de vraag krijgen: Wenst u dat Hamas duizend rakketen op Israël afschiet? Ja of nee? De inwoners van Rusland die de vraag krijgen: Wenst u dat Rusland overschakelt op een oorlogseconomie? Ja of nee? De inwoners van Nagaro-Karabach die de vraag krijgen: Wenst u dat Azerbeidzjan u uit uw geboorteland verjaagt? Ja of nee? Alle duimpjes naar beneden. Zucht.

    Ik beloof je lezer, plechtig, op mijn communiezieltje (dat heb ik nog, ja): volgende keer krijg je een leuker stukje. Ik zeg mijn krantenabonnement op. Lees enkel nog Jommeke-strips, of Tiny. Ik kijk de volgende twee weken niet meer naar televisie, enkel nog naar Arjen Lubach en kattenfilmpjes op YouTube. Ik zal naar ABBA luisteren en naar CCR (daar word ik vrolijk van). Ik zal alleen maar lekkers en comfortfood eten (de extra kilo’s pak ik erbij, speciaal voor jou)… Mijn navel wordt het middelpunt van het universum en zo komt het goed. Ik beloof het je: het komt goed.

  • 24 september 2023

    Vier generaties

    Mijn kapster is niet zo lang geleden bevallen. Langs deze weg wens ik haar veel geluk toe. Het heugelijke nieuws vernam ik daags voor mijn afspraak. Onder normale omstandigheden ga ik er elke vier weken naar toe. Voor die snit – die als gegoten zat – was dat een vereiste. Ze was niet duur. De kwantiteit en kwaliteit lagen mooi in balans. Iedereen gelukkig. Tot de dag van haar bericht, althans. Met de handen in het haar belde ik alle coiffeuses in het dorp af. Bij kapperszaak ‘de Vierde Generatie’ kon ik diezelfde dag al langskomen. De volgende dag ook en desgevallend alle dagen van de daaropvolgende week. Elke mogelijke alarmbel had op dat moment moeten afgaan. Ik weet het, ik had verder moeten rondbellen, maar de opluchting was groot. Heel groot.

    Ik stemde in met de eerste vrije afspraak die dag. Geen uur later zat ik al in de kappersstoel, met een donkerbruin vermoeden dat de juffrouw die achter me stond de vierde generatie was. Ze bestudeerde mijn kruin met gefronste wenkbrauwen. ‘Dit is met de schaar gedaan,’ stelde ze na enige tijd vast. ‘Verwacht je van mij dat ik je ook met de schaar knip?’ Dat was een vraag die ik niet had zien aankomen in een kapperszaak. Ze zag in de spiegel de verwarring op mijn gezicht en verduidelijkte zich: ‘De tondeuse is ook een optie. Ziet u, mijn vingers zijn te dik om je korte haren nog korter te knippen.’ Ze ondersteunde haar argument door met twee vingers een knipbeweging naast mijn rechteroor te maken.

    Ik stemde in met de tondeuse. Die werd gebracht door een dame van achter in de tachtig. ‘Wat heb je een prachtige dikke haardos,’ complimenteerde zij me. ‘Dank je,’ zei ik tegen de eerste generatie. ‘Die haardos mag uitgedund en de bles mag een beetje ingekort worden,’ zei ik tegen de vierde. Met de tondeuse in de hand vroeg die vierde generatie: ‘Welke stand wenst u dat ik gebruik?’ Drie overlangse pezen in mijn hals begonnen ongecontroleerd samen te trekken. ‘Excuseer?’ antwoordde ik, ‘verwacht u dat ik weet op welke lengte u die tondeuse moet instellen?’ Ze glimlachte zuur, stelde voor om hoog te beginnen en dan in “wederzijdse consensus” de goede stand te bepalen.

    Ik stemde in met haar tactiek. Drie kamwissels later zaten we op een aanvaardbare lengte. De tondeuse bromde luid op mijn schedel. In een wip was ze rond. Alle haren op mijn kop exact even lang. Behalve mijn bles. Daar was ze gelukkig afgebleven. Ondertussen was ook de derde generatie erbij komen staan. Een dame van rond de veertig. Ze prees de vierde generatie met een schouderklopje. Ik zag dat ze trots was. ‘Moet er nog uitgedund worden?’ vroeg ze en duwde de vierde generatie zacht opzij.

    Ik stemde in en wees naar de dikke dot haar rechtsachter. Ze begon daar met haar speciale uitdunschaar. Knip. Knip. Knip-knip. Steeds sneller. En sneller… tot ze, abrupt, ophield. ‘Uit balans,’ mompelde ze, waarna ze ongevraagd ook de linkerkant begon uit te dunnen. Snel deed ze dat en opnieuw steeds sneller. Haar handen vonden hun weg tot bij mijn bles. In extase en met een diabolische glimlach op haar mond bleef ze knippen tot er niets meer van de bles overschoot. ‘Wat doet u nu?’ riep ik uit. Ze versteende. De ontbrekende tweede generatie kwam toegesneld. Met vier bestudeerden ze mijn kop. Rechtsvoor stond er nog een bol plukje haar. Ze keken naar het dotje en fezelden wat onder elkaar. Uiteindelijk nam de tweede generatie het woord. ‘Het is geen zicht,’ zei ze en in één adem stelde ze voor om ook daar nog even de schaar in te zetten. Dat wilde ze graag zelf doen.

    Ik stemde in.

  • 10 september 2023

    Rommelmarkt

    Het is een stilzwijgende afspraak. Vergelijkbaar met Monopolie. Eén keer per jaar gaat de wederhelft mee over een rommelmarkt. Eén keer. Net zoals Monopolie. Dat spelbord wordt ook maximaal één keer per jaar opengevouwen. Dat maakt dat ik – wat de rommelmarkt betreft toch – elk jaar een strategische keuze moet maken. Binnenland versus buitenland. De bereikbaarheid. De grootte versus de reputatie van de markt. Het weer. De tijd van het jaar. De randanimatie… Je kan je niet voorstellen welke parameters er bij zo’n keuze van tel zijn. Dit jaar koos ik voor nabijheid, zonder gedoe. De dorpsrommelmarkt op wandelafstand en de haarbal mocht mee.

    Bij de eerste stand werden verroeste stukken verkocht die, volgens de wederhelft, allemaal oude gereedschappen waren. Hij bleef lang gefascineerd staan kijken. Er kon zowaar iets bruikbaars tussen liggen. Mijn oog viel op een bak gebruikte vijzen. Ik wilde verder gaan. De haarbal wilde rechtsom keren. Toen wist ik al dat ik een verkeerde keuze had gemaakt. Ik wachtte geduldig – dat had ik toen nog – en was opgetogen wanneer de wederhelft de pijptang terug op zijn plaats legde. ‘Die zie je ook niet vaak meer,’ zei een voorbijganger doelend op de haarbal. Zijn vrouw draaide zich om met een emmertje wasspelden in haar hand. ‘Wat is ie dik!’ zei ze al lachend. ‘Hij is niet dik,’ repliceerde ik, ‘hij is zo gebouwd.’ ‘Ja, hoor…’ zei ze en begon af te bieden op het emmertje.

    De haarbal had succes. Om de haverklap werden we aangesproken. Alle kinderen wilden hem aaien. Haast iedereen was aardig. De haarbal vond het geweldig! We waren natuurlijk niet de enige bezoekers die hun viervoeter hadden meegenomen. Onze haarbal wilde ze allemaal dag zeggen. Wat onmogelijk was in de mensenzee, die op zijn ooghoogte het dubbele aan benen telde. Bij de minste afleiding zou hij verstrikt kunnen geraken. Ik had geen zin in gedoe. Daarom moest de haarbal “aan de voet” lopen. Dat deed hij door al de afleiding daar met tegenzin en alleen in ruil voor snoep, dus hield ik de ene na de andere koek voor zijn neus. We wandelden zo redelijk vlot voorbij een tafel waarop twee vrouwen, druk keuvelend, hun oude garderobe hadden uitgestald. Alles aan twee euro. De jurken kostten er vijf.

    Ik bleef staan bij een kraam met tweedehands boeken. Het koppel marktkramers – ze waren  te goed georganiseerd om hobbyisten te zijn – had ook een hond. Dat bemoeilijkte het snuisteren. Onze haarbal dook steeds weer de tafel onderdoor. Ik vond het irritant. Het koppel niet, de man had altijd al dat model van hond gewild. Hij vroeg me de pieren uit de neus. Dat bemoeilijkte het snuisteren nog meer. Van de wederhelft was er geen spoor meer te bekennen. Ik wierp nog een laatste blik op de gekreukte boekomslagen. Het beloofde nog vermoeiend te worden. We waren nog geeneens halfweg.

    Met het koekiemonster ter hoogte van mijn knie baande ik me een weg tussen het volk, op zoek naar de wederhelft. Ik zag hem bij een tafel met glazen, servies, plastiek potjes en andere huis-tuin-keuken-rotzooi staan. ‘Wat sta je hier bij deze hoop brol te doen,’ vroeg ik. ‘Brol?’ onderbrak de man aan de andere kant van de tafel me. Ik kreeg geen tijd om te verontschuldigen, ik had de lijn van de haarbal gelost. Die was tot bij het kraam ernaast geraakt en stond kwijlend bij een berg knuffels. Hij had er maar een uit te kiezen. Maar nee, die waren niet goed genoeg. De haarbal hapte naar de gele Minion van een meisje dat bij de berg stond. ‘Die was toch te koop?’ vroeg ik aan de moeder van het in huilen uitgebarsten kind. De moeder schudde traag het hoofd en stak, met de palm naar boven gericht, haar hand naar me uit. ‘Dat is dan twintig euro,’ zei ze met een gladgestreken gezicht.

    ‘Kijk, wat een dikke hond,’ fezelde er iemand achter mijn rug. ‘Mijn-hond-is-niet-dik!’ gilde ik. De wederhelft kwam toegesneld om me te helpen. Althans, dat dacht ik. ‘Heb je een zak bij?’ vroeg hij en toonde daarbij trots een gigantische berg Tupperware potjes van Chinese makelij die hij tussen zijn ellebogen, onderarmen en beide handen ingeklemd hield. ‘Ben je helemaal gek geworden? Wat heb je voor die brol betaald?’ schreeuwde ik. ‘Ik verkoop geen brol!’ riep de man vanachter zijn tafel terug. Ik kan niet meer zeggen hoe, of in welke volgorde, ik het kind heb gekalmeerd, haar moeder afkocht, de haarbal in toom hield en een plastiek zakje uit mijn handtas toverde. Ook niet hoe, of langs waar ik de markt ben afgeraakt. Wel dat ik in de ene hand een gele Minion vasthield en met de andere de haarbal net niet wurgde.

    Volgend jaar pak ik het anders aan. Dan ga ik zelf achter een vouwtafel of twee staan. En bij een goed idee, horen notities. Ik neem pen en papier:  De publiekstrekker op vier poten bind ik vast aan een tafelpoot aan de straatzijde. Ik zie de opstopping al voor me. Laat ze dan maar zeggen dat de haarbal dik is. Iedereen zal halt moeten houden bij mijn kraam. Ik zet er de lelijkste borden en glazen op waar ik thuis geen set meer van kan maken. Ik hang de kledij waar we niet meer in kunnen aan een kledingrek. 2 euro ’t stuk. Noot: misschien een tweede rek voorzien.  Uit de garage neem ik het oudste en meest verroeste gereedschap. Een bak met kromgeslagen nagels en gebruikte vijzen ook. Namaak Tupperware kan erbij en misschien dat ik het bordspel Monopolie verkoop: zo goed als nieuw. Amper gebruikt.

  • 27 augustus 2023

    Het huis van de burgemeester

    ‘De deur naar de keuken moest van de burgemeester vanaf valavond altijd toe. Dat staat me heel helder bij: Porte arrière toujours fermée.’ Ik geef de wederhelft gelijk: dat had de burgemeester inderdaad gezegd. Uitdrukkelijk zelfs. Iets met everzwijnen die hier ’s nacht rondstruinen en zomaar in de keuken durven te belanden. Over vleermuizen had hij niets gezegd. ‘Maar nood breekt wet, toch? Of een heleboel porseleinen borden…’ zeg ik en wijs naar de antieke wandkast waar de burgemeester zijn mooiste servies heeft uitgestald.  Fijn beschilderde witte borden, elk bord een eigen tafereel. ‘Ik wed dat ze handgeschilderd zijn. Hebben we een goede verzekering?’ vraag ik aan de wederhelft. ‘Maak het niet erger dan het al is,’ antwoordt die. Een constructieve oplossing heeft hij nodig.

    Hoe waren we in deze benarde situatie verzeild geraakt? Impulsief. De wederhelft en ik boekten vorige maand een reis naar het Zuiden van Frankrijk. We hadden toen nood aan een streepje zonneschijn. Bij de start van onze zoektocht naar een vakantiehuis was het al meteen duidelijk: de toplocaties waren allemaal verhuurd. Of toch niet? We vonden een “charmante” alleenstaande woning. Pal tussen de Lot en de Dordogne, waarvan ik niet wist dat ze zo dicht bij elkaar lagen. Te mooi om waar te zijn? Natuurlijk…

    Aangekomen, verwittigden we de burgemeester en wachtten bij de voordeur. Ik klappertandde en nam alvast een fleecetrui uit mijn reistas. Het “charmante” huis bevond zich namelijk op een hoogplateau dat tussen de twee rivieren oprees. Ver beneden onder ons, aan de oevers van de Lot en de Dordogne, was het lekker warm. Boven op de berg mochten we er tien graden afdoen. De woning had in het Franse Bokrijk niet misstaan. Gebouwd nog voor de eeuwwisseling. Die van 1900, bedoel ik. Dat stond niet op de website van de verhuurmaatschappij. Het was de burgemeester die tijdens de rondgang door het huis met trots vertelde dat zijn grootmoeder in 1899 op Maria-Lichtmis in een tobbe in deze keuken het levenslicht zag.

    De burgemeester was nostalgisch ingesteld. Hij had spijt van zijn verhuis naar een comfortabeler appartement in het dorp twee kilometer verderop. Dat geloofde ik niet. Zijn vrouw was wat ziekjes geworden. Dat geloofde ik dan weer wel: iedereen zou ziek worden tussen die vochtige muren. De burgemeester bleef in de stoffige woonkamer lang stilstaan bij de staande klok die niet stilstond en ons daar elk kwartier aan zou herinneren. ‘Antiquité précieuse,’ zei hij. Moesten we afblijven. Aan de inrichting en de kleuren van de tegels konden we ervan uit gaan dat er in de jaren zestig een nieuwe badkamer was geplaatst. Dat was meteen het enige “moderne” lichtpuntje. Tenslotte kwamen we via de keuken en haar achterdeur uit in een tuin die sinds de jaren 80 niet meer was onderhouden. Het doorgeschoten onkruid was een bos geworden. Dat trok wilde dieren aan. Everzwijnen. Over vleermuizen had hij niets gezegd. En zo komen we uit bij de discussie waarmee ik dit stuk begon.

    De wederhelft en ik staan voor een stoefkast waarin makkelijk vijftig porseleinen bordjes staan te pronken. Allebei zonder benul achter welk bordje de vleermuis zich verschuilt. De wederhelft klimt op een wankele stoel met een dubbelgevouwen badhanddoek in zijn hand. Heel voorzichtig neemt hij een bordje weg. Nog voorzichtiger neem ik het aan en zet het op de tafel. Zo gaan we door. Bij het vijfde bordje fladdert de vleermuis weg. Ik gil en duik onder de tafel. De wederhelft springt met de handdoek in de lucht naar het beest en belandt naast me op de grond. Zonder vleermuis. Het wordt stil. ‘Zou ze naar buiten gevlogen zijn?’ vraag ik. ‘Of zou hij zich achter een ander bordje hebben verstopt?’ vraagt de wederhelft. We maken het stil en luisteren naar de geluiden van de nacht. Aanvankelijk horen we alleen de bosuil. Daarna ook geritsel in de wandkast. ‘We laten de deur openstaan. Zo kan ie vannacht naar buiten vliegen,’ zegt de wederhelft beslist. ‘En de everzwijnen dan?’ vraag ik. ‘Dat is een gok die we dan maar nemen,’ antwoordt hij.

    De volgende ochtend vinden we de keuken zoals we ze hadden achtergelaten. Vijf bordjes op een stapeltje op de tafel. De andere onaangeroerd in de stoefkast.  We blijven lang staan luisteren, maar horen niets meer. Ik zet de bordjes terug in de kast. De wederhelft maakt warme chocomelk. Dan verschijnt de burgemeester met een verlepte krop sla uit zijn moestuin in de achterdeur. We bieden hem een kop aan en houden de schijn op. Er is niets gebeurd. Over vleermuizen had hij niets gezegd, toch?

  • 13 augustus 2023

    Na regen komt zonneschijn

    Het was de eerste zonnige dag na een periode waarin je spontaan begon te grienen wanneer je ’s morgens de gordijnen opentrok. Niemand die dat had opgemerkt trouwens, want iedereen zat binnen: te schuilen voor de onophoudelijke regen. De weetjes die de nationale weervrouwen- en mannen op het volk afvuurden, konden me de eerste dagen nog troosten. Toch, na drie weken bezorgden de zuiverste lucht sinds jaren, de weinige muggen en het genormaliseerde niveau van het grondwaterpeil me zure oprispingen. Ik had het gehad. Telkens ik mijn kop buiten stak was het aan het regenen. Of het begon gewoon opnieuw. De bosbranden en de recordtemperaturen in de rest van de wereld konden me gestolen worden; ik verlangde naar mooi weer.

    Natuurlijk was ik niet alleen, die eerste zonnige dag. Het volk arriveerde in drommen bij het terras van onze staminee. Alle tafeltjes waren bezet. Walter – waar we anders wel bij hadden kunnen aanschuiven – zat geprangd tussen twee maten, met zijn stoel half op de stoep. Hij haalde verontschuldigend zijn schouders op en trok nog ’s van zijn sigaar. Net op het moment dat ik met de teleurgestelde wederhelft en de tegenstribbelende haarbal – want die verwachte een koekje van de waard – wilde afdruipen, zag ik een hand de lucht in gaan. Ik keek in het rond, op zoek naar de persoon die op het uitnodigende gebaar zou reageren. Maar er was niemand die toehapte. Dus vroeg ik de wederhelft of hij de dame, die steeds wilder begon te zwaaien, herkende. ‘Ben je zeker dat ze geen wesp probeert weg te slaan?’ mompelde de wederhelft en vervolgens iets vastberadener: ‘Ze wuift naar jou, toch? Er is nog plaats aan haar tafeltje. Vooruit. Je bedenkt wel iets.’ Met zachte dwang duwde hij me in haar richting. Ik trok mijn kaken bol in een geforceerde glimlach en stapte op de dame af.

    Ze stelde zich niet voor, feliciteerde me wel met de haarbal (wat is ie mooi) en bood ons een stoel aan. Ik wist absoluut niet wie ik voor me had. Ze was ouder dan ik. En verzorgd: de haren geföhnd, nagels gelakt, sjaaltje om de hals gedrapeerd en fijne hakjes onder een lange jurk. Ze had zo veel over me gehoord. Ik moest het me allemaal niet te veel aantrekken. Ik was goed bezig, hoor. Wist ik dat dan niet? Ik knikte, fronste wenkbrauwen, schudde het hoofd en hapte naar adem. Waar had ze het in hemelsnaam over? Een volle tien minuten praatte ze zo vol en dan kwam de hamvraag; ‘Wat was jouw naam nu ook al weer?’ vroeg zíj. Aan míj. ‘Els,’ antwoordde ik. ‘Hoe toevallig! Ik heet ook Els,’ zei ze. ‘Wat was het fijn om met je te praten, maar nu moet ik er vandoor. Misschien zie ik je nog wel eens.’ En weg was ze.

    Ik zakte murwgepraat onderuit in mijn stoel. ‘Wat voor onzin kraamde dat mens uit?’ vroeg ik de wederhelft. ‘Trek het je toch niet aan, we zitten op het terras. Wat wil je nog meer?’ Hij wenkte de waard. Ik aaide de haarbal over de kop. Het zou een gezellige avond worden. Dat zag je aan de bewegingen op het terras. Als puzzelstukjes werden tafels, stoelen, stam- en andere gasten tot een perfect geheel in elkaar geschoven. Wij schonken met plezier twee vrije stoelen en een halve tafel aan twee vrouwen op leeftijd. Uit dankbaarheid wilden ze ons daarvoor trakteren. Dat hoefde niet. We weigerden beleefd.

    Ik had niet de intentie om te luistervinken. Echt niet. Maar de twee vrouwen praatten over een vreemd voorval niet zo lang geleden. Een van hen was in gesprek geraakt met iemand waarvan ze niet wist waar ze haar eerder had ontmoet. Misschien dat haar vriendin haar wel op het juiste spoor kon zetten. De vreemde dame in kwestie was jonger dan hen, had een verzorgd voorkomen met de haren geföhnd, nagels gelakt, sjaaltje om de hals gedrapeerd en fijne hakjes onder een lange jurk. Dat kon geen toeval zijn. De wederhelft had het ook gehoord. ‘Vraag het dan,’ fluisterde hij. Dat ging ik doen ook. Ik boog me naar de vrouwen toe. ‘Excuseer,’ onderbrak ik hen, ‘ik hoorde u toevallig praten. Ik denk dat ik dezelfde dame zonet ook heb gesproken. En het daagt me niet waar ik haar eerder heb ontmoet. Heette die dame Els?’ vroeg ik. ‘Els, zei je?’ antwoordde de vrouw. ‘Nee hoor, ze heette Marie. Zal ik nooit vergeten, want zo heet ik ook.’

  • 30 juli 2023

    Souvenir

    ‘Wat is dat?’ vraagt de kleine bezoeker. Het korte vingertje wijst naar een houten beeld op de dressoir. ‘Dat is een beeld van Boeddha,’ antwoord ik. ‘Wie is Boeddha?’ Die vraag is moeilijker. Hoe leg je in godsnaam het concept “verlichting” uit aan een zesjarige? ‘Ken je Jezus?’ vraag ik. Hij knikt. ‘Wel, Boeddha is zo’n beetje als Jezus, maar dan hélemaal aan de andere kant van de wereld.’ Hij steekt zijn vinger in de neus. Dat doet hij altijd als hij iets niet begrijpt. ‘Waarom zit hij dan hier in jouw huis?’ Ik glimlach. ‘Dit is niet dé enige Boeddha, hoor. Dit is één beeld, en zo zijn er veel meer.’ Zijn moeder is er komen bij staan. De kleine haalt zijn vinger uit de neus, loopt naar de haarbal en trekt aan zijn staart. De moeder kijkt sceptisch. Waarom koop je zoiets en waarom zet je zoiets prominent in het midden van de woonkamer? zie ik haar denken. Wel…

    De reis in Thailand zat er bijna op. Na een rondreis waren we terug in Bangkok aangekomen. ‘Een souvenir… We moeten een souvenir mee naar huis,’ zei ik. De wederhelft die zijn zinnen op een frisse pint had gezet, zuchtte: ‘Wat had je in gedachten misschien?’ ‘Kom, we duiken deze winkel in,’ antwoordde ik en duwde hem een deuropening in. Met hangende schouders baande de wederhelft zich een weg tussen hopen op elkaar gestapelde brol, tot hij en ik hem zagen. Het Boeddhabeeld. We hielden halt, schouder tegen schouder. ‘Hoeveel kost hij?’ vroeg de wederhelft. ‘Het is niet geprijsd,’ constateerde ik. We waren met andere woorden aan de grillen van de verkoper overgeleverd. En als je over de duivel sprak… Ik gaf de wederhelft een stomp en knikte in de richting van een jonge winkelbediende die op ons af kwam gestesseld. Zonder het beeld nog een blik waardig te gunnen, schuifelden de wederhelft en ik verder, ongeïnteresseerd, en maakten rechtsomkeer bij een rek T-shirts, richting uitgang.

    We zetten ons op een terras aan de overkant van de straat. Het was duidelijk: we wilden dat beeld, maar omdat het niet geprijsd stond, zou de verkoper kunnen vragen wat hij wilde. Wat was het waard? En wat wilde we er voor betalen? We namen alles in overweging, spraken een plafond af en klonken de glazen. Naarmate de tijd verstreek, geraakten de wederhelft en ik er steeds meer van overtuigd dat de verkoper ons ging stropen. Hij wist dat we geïnteresseerd waren. Dus bedachten we een plan. Ik zou informeren naar het beeldje dat ik heel erg graag wilde. De wederhelft zou de prijs vragen, wat lacherig reageren en doen alsof hij de winkel verliet. Ik moest daarop beginnen huilen, en de verkoper zou, overdonderd door het drama, het beeld verkopen aan de prijs die wij ervoor wilden geven.

    Zo gezegd, zo gedaan. De wederhelft en ik stapten haast fluitend de winkel binnen, slenterden nonchalant voorbij de sarongs, magneten, draagtassen, houten beeldjes van allerlei en bleven uiteindelijk staan bij het Boeddhabeeld. Ik wees. De wederhelft schudde het hoofd. ‘Toe,’ zei ik op een universele smeektoon. Hij wreef zijn duim op niet mis te verstane wijze over middel- en wijsvinger. Het werkte. De verkoper kwam op ons af. ‘Kan ik helpen?’ vroeg de jonge man. ‘Graag,’ zei de wederhelft wijzend naar het beeld: ‘Hoeveel kost dat ding?’ De verkoper taxeerde ons van kop tot teen. ‘Hoeveel wil je er voor geven?’ vroeg hij. De wederhelft en ik maakten kort oogcontact. We waren het eens en gaven een onmogelijk lage prijs. ‘Vierhonderd Bath,’ antwoordden we in koor. Omgerekend: tien euro. Het afbieden kon beginnen. Hoe hoog zou zijn tegenbod zijn? De jongeman grinnikte, zei: ‘oké,’, nam het beeld mee naar zijn toonbank, wikkelde het in papier en stak het in een plastiek zakje. ‘Wil je een betaalbewijs?’ De wederhelft en ik stonden perplex. ‘Verdorie,’ siste ik. ‘Dat beeldje is geeneens tien euro waard!’ De wederhelft reageerde niet. De bergruimte achter de verkoper had zijn aandacht getrokken. Daar stonden ontelbaar vele houtsneden van identiek dezelfde Boeddha op een schab op elkaar gepropt. Onze Boeddha was industrieel seriewerk… Maar wie op het thuisfront zou dat merken?

←Vorige pagina
1 … 3 4 5 6 7 … 9
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 67 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen