Spring naar inhoud
GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 25 februari 2024

    Verandering

    Ik lees dat Cil boos is, voor de zoveelste keer. Ik ken Cil niet, althans: toch niet persoonlijk. Cil woont aan de rand van het dorp. Dat weet ik. En dat ze er alleen woont, dat weet ik ook. Haar huis ligt op een van de vaste wandelroutes van de haarbal. Ik passeer er vaak. Soms zie ik haar in de voortuin, of uit haar wagen stappen, of bij de brievenbus. Nooit zegt ze dag. Ik denk niet dat ze veel vrienden heeft. Bezoek heb ik er nog nooit gezien. Jaja: curieuze neus die ik ben, waar bemoei ik me mee.

    Wel: “Cil” is niet zomaar “Cil”. Cil is heel erg actief op het sociale netwerk “Hoplr” en de Facebookgroep “Ge zijt van…”. Hierdoor is Cil, al dan niet moedwillig, een (niet aanspreekbaar) publiek figuur geworden. Cil heeft meningen, over alles en iedereen. Die meningen moeten gespuid worden, zoals een beerkar in de lente overvloedig stront uitspuwt op de uitgeputte akkerlanden. Zo sprong ze op de kar van een jager die boos was op het feit dat de bevers met hun dam een weide blank hadden gezet waardoor de konijnen en fazanten uit hun natuurlijke biotoop verdreven werden. Dit verzin ik niet. Ook was ze tegen de opwaardering van een speeltuin omdat quote: “met dat geld het gemeentebestuur beter de straat aan de rand van het dorp had heraangelegd. Want het is niet omdat er daar weinig mensen wonen, dat ze daar niet in moeten investeren”.

    Cil is vast erg ongelukkig, waarschijnlijk eenzaam daarbovenop. Ter compensatie vond ze aansluiting bij de bende mopperpotten die in de dorpsbraakbarakken elke sprankel levensvreugde met een vingerknip weten te verdampen.  Je kan het zo gek niet bedenken: de komst van een kleine supermarkt, de aanleg van een fietspad, een proefproject voor een enkelrichtingstraat, de wijziging in de huisvuilophaling, de nieuwe plaats van de jaarmarkt, noem maar op: Cil en haar kompanen verzetten zich ertegen, in de meest bittere verwoordingen.

    Niet dat ik me erin vastbeet, toch: ik ontwaarde na enige tijd (noem het voortschrijdend inzicht) een patroon in Cils opmerkingen. Het was weerstand tegen verandering. Vastberaden om niet mee te gaan met de stroming die de tijd is, verzet Cil zich tegen elke suggestie van vernieuwing. Ze schreeuwt haar virtuele stem schor uit vrees voor de onbekende toekomst en de onzekerheid die elke wijziging met zich mee zal brengen.

    Zich vastklampend aan het verleden, vergeet Cil dat ze zelf ook ooit deel was van de verandering. Stabiliteit bestaat niet. Niet in de wereld en niet in het dorp. Ook Cils straat is ooit een eerste keer geasfalteerd, ook haar ouders zijn inwijkelingen geweest in een gehucht dat een dorp is geworden. Ook haar huis is gebouwd op wat groen was: aan de rand van het dorp, voorbij het laatste huis toen. Ook zij heeft kinderen die zich ergens gesetteld hebben en op hun beurt voetafdrukken achterlaten. Dat doen we tenslotte allemaal. Cil is er zich ongetwijfeld niet van bewust: ze wil dat alles bij het oude blijft.

    Eigenlijk wilt Cil gewoon de laatste verandering zijn…

  • 4 februari 2024

    Bloempotten

    ‘Wat bijzonder!’ waren haar eerste woorden toen ze de inkomhal binnenstapte. Ik had geen idee waar ze op doelde: Mijn jurk? De voordeur? De uitnodiging? Ik liet het niet aan mijn hart komen, verwelkomde haar, boog me naar haar toe en gaf haar een zoen op de wang. ‘Intens,’ liet ze zich ontvallen. Intens? Wat was er intens? Mijn parfum? De ontvangst? Het behangpapier? Ik vroeg er niet naar, maar het beloofde wel een raadselachtige avond te worden.

    ‘Ander kapsel?’ Het was meer een vaststelling dan een vraag. Niet dat ik naar een complimentje hengelde, toch vroeg ik haar wat ze ervan vond. ‘Het staat u,’ antwoordde ze. Zonder knipoog. Dan viel haar oog op mijn oorbellen: ‘Zelf gemaakt?’ ‘Nee,’ zuchtte ik, ‘gekocht op een ambachtelijke markt.’ ‘Dat zie je,’ zei ze. ‘Artisanaal. Had je zelf ook gekund, toch?’ In dubio of dit nu een compliment was, of net niet, begon het me te dagen waarom we elkaar al zo lang niet meer gezien hadden. Toch, ik kon haar niet meteen buitenwerken. Niet alleen omdat dat buitengewoon onbeleefd zou zijn, ik had ook een berg eten klaargemaakt.

    ‘Mooi gepresenteerd,’ zei ze daarover. Tja, wat zeg je dan? Ik bedankte haar. Het oog wil tenslotte ook wat. En alsof ik erom bekend sta troep te maken vulde ze aan: ‘Verassend ook.’ Samen met een stuk bloemkool, slikte ik mijn verontwaardiging in. Want laten we eerlijk zijn: verzachtende omstandigheden waren niet langer opgewassen tegen de gemaskeerde beledigingen die in sneltempo mijn richting uitkwamen.

    Ze was nooit erg subtiel geweest, maar die avond was er toch sprake van een aantal overtreffende trappen. De mantel der liefde mocht wat mij betreft aan de kapstok gehangen worden. ‘Ik was al vergeten hoe “speciaal” de laatste keer was dat we elkaar zagen,’ zei ik en stelde in dezelfde adem voor dat ze er voortaan gewoon ook de bloempot achterna zou gooien. ‘Echt iets voor jou om te zeggen,’ antwoordde ze, maar ze had geen flauw benul wat ik bedoelde. ‘Ken je de uitdrukking dan niet?’ vroeg ik. ‘Met bloemen gooien, en de bloempot die er nog aanhangt?’ Ze schudde haar hoofd, maar vond de beeldspraak wel bijzonder.

    ‘Nu we het toch over taalkwesties hebben,’ zei ze: ‘Ik lees je blogstukjes.’ Durfal én benieuwd naar wat ze nog uit haar mouw kon schudden vroeg ik naar haar mening. ‘Ze zijn interessant,’ oordeelde ze. Waarom ik nog nooit over haar had geschreven, vroeg ze zich af. En of ik dat ooit van plan was, en over wat ik dan zou schrijven… ‘Geen idee,’ antwoordde ik met jeukende vingers…

  • 14 januari 2024

    Flarden

    Op de bus. In het park. Tussen de winkelrekken. De tafel naast me… Waar ik ook maar kon, ving ik flarden van gesprekken op. Fluisteringen van het alledaagse waren het, stemmen als ongrijpbare noten in een symfonie die nog geschreven moest worden. Want dat was het plan.

    Dromen, emoties, schampere opmerkingen bereikten mijn geoefend oor waarna ik ze neerpende in mijn notitieboekje. Zoals Roald Dahl’s Grote Vriendelijke Reus dromen ving en in glazen bokalen bewaarde, zo ving ik woorden die ik in en tussen droedels verzamelde. En zoals de GVR zijn gevangen dromen in de kamers van kinderen blies, zo bracht ik de woorden en zinnen terug tot leven in mijn stukjes. Dat is alweer even geleden.

    Ik weet niet waar de punt van mijn potlood afbrak.

    Was het zetten van de kerstversiering het begin van de impasse?

    Hopeloos op zoek welke richting ik na twee jaar uit moet met mijn stukjes, blader ik door het notitieboekje. Pagina na pagina ontspint er zich een kakafonie van onverenigbare zinnen. Het is duidelijk: hoe langer de flarden, zonder context, tussen de lijnen zweven: hoe minder bruikbaar ze worden. Want wat ik niet neerschreef zijn de nuance van de lach, de diepte van een zucht of de onuitgesproken betekenis van een pauze.

    Dus ik slijp de punt van mijn potlood, met het voornemen me vast te klampen aan elke nieuwe conversatie die me bereiken zal. Om terug fluisteraar te worden van verhalen die niet de mijne zijn en ontmoetingen in een parallel universum te delen.

    Natuurlijk; met elk goed voornemen volgt vroeg of laat de confrontatie. Het is winter, de feestdagen zijn voorbij en aan de andere kant van het venster regent het. Iedereen trekt zich terug in de cocon van de huiskamer. Er zijn geen stemmen of noten die opgevangen kunnen worden. Inspiratie blijft zoek. Kakafonie wordt voorlopig geen symfonie.

    Het wordt tijd om de kerstversiering op te bergen en dan is het wachten op die eerste krokus…

  • 24 december 2023

    Met vertraging

    Vorige zondag is het wat misgelopen, waardoor er vertraging is opgetreden, een gat is ontstaan, een overbrugging, een week zonder, ik weet niet hoe ik het benoemen moet, maar het knaagt, dat is wél zeker. Ik ben een verklaring schuldig.

    Vorige week zondag begon als een prachtige dag. De mist, opgewarmd door de eerste zonnestralen, kronkelde in slierten op uit de vallei van de Semois, hoger en hoger, tot ze uiteindelijk verdampten aan een steeds helder wordende hemel. De wandeling was uitgestippeld, de rugzak gepakt, stevige wandelschoenen aangetrokken en regenjas, muts en sjaal uit voorzichtigheidsprincipe mee. Zelfs een lijst met bossen waar er gejaagd werd. De boswachter zou ons geen tweede keer klissen.

    Dit is misschien nog het vermelden waard: de dag ervoor stonden we bij een rood bordje naast de kant van een wandelpad te twijfelen. Er stond een mannetje met een geweer op afgebeeld en twee datums: de daaropvolgende dag en de dag daarna. Het was duidelijk, er zou gejaagd worden in dat gebied. ‘Maar niet vandaag,’ zei de wederhelft en hij wandelde het bos in. Op dat moment stopte er een groene jeep, nogal bruusk. Het was de boswachter. Of we kleurenblind waren, vroeg hij. Rood betekende rood: geen doorgang dus. En al zeker niet met een jachthond.

    Terug naar die prachtige zondag; de wederhelft, de haarbal en ik wandelden Gros-Fays uit en een bos in, waar – dat hadden we nagekeken – niet gejaagd werd die dag. Of de dag erop. We volgden de aangeduide wandeling van de rode ruiten. De wandelkaart werd na een halfuur opgeborgen. Ik had de haarbal, in snuffelmodus, aangelijnd. De wederhelft wees de weg. Hier naar links. Rechtdoor. Splitsing naar rechts. Bruggetje over.

    We waren ondertussen makkelijk een uur verder. ‘Linksaf,’ zei hij. Ik zocht naar een pijl met de rode ruit. ‘Hoe weet je dat,’ vroeg ik. ‘Daar staat de pijl,’ antwoordde hij nonchalant. ‘Dat is een blauwe rechthoek,’ stelde ik vast. ‘Ja, en die blauwe rechthoek wijst naar links,’ zei hij. ‘We volgen de rode ruiten,’ zei ik. ‘Nee, we volgen de blauwe… Verdorie…’ De wederhelft zweeg. ‘Hoelang volgen we die blauwe ruiten al?’ vroeg ik. Hij had geen idee.

    We namen de kaart erbij. Verder de wandeling met de blauwe rechthoeken volgen was geen optie (te lang voor de korte pootjes van de haarbal) maar we vonden wel een alternatieve route: die bevond zich bij benadering een kleine kilometer westwaarts. Daar liep een weg, bewegwijzerd met groene kruisen die terug naar Gros-Fays leidde. We moesten gewoon even dwars het bos door. Op kompas.

    We klauterden langs bomen en door het struikgewas de heuvelkam op en daalden, zigzaggend, de braamstruiken ontwijkend, in een volgend dal af. Beneden aangekomen bleek dat we nog geeneens halfweg waren. Dus we ploeterden verder: enkeldiep door modder; naast en over een snelstromend riviertje. We bereikten een weg, een karrenspoor dat ons nergens dichterbij zou brengen, staken over, herpositioneerden ons op de kaart en bereidden ons voor op een nieuwe steile klim. Boven aangekomen hadden we een adembenemend uitzicht met in de verte de gravelweg waar we naar op zoek waren.

    ‘Verdomme!’ De wederhelft wees naar ons richtpunt. Over de hele lengte van de gravelweg zagen we  jagers die zich bij jachttorens of posten achter een schutting bij de grond positioneerden. ‘Maken dat we wegkomen! Naar het karrenspoor dat we daarnet overstaken!’ commandeerde de wederhelft. We namen dezelfde weg terug, gleden langs de flank van de bergkam naar beneden. De adrenaline joeg door mijn lijf. De haarbal vond het fantastisch, zo met z’n drieën naar beneden rennen. We spetterden door het riviertje. Wat kon het ons nog schelen dat we nat werden en klommen terug naar boven.

    Het laatste stuk was te steil voor de haarbal. ‘Klim jij voor tot op de weg, ik steek de haarbal naar boven en dan pak jij hem aan,’ zei de wederhelft. Ik klauterde de laatste meters omhoog, greep naar een stevige wortelstronk en trok me op. ‘Putain! Qu’est-ce que vous faites ici?’ Het was de boswachter. ‘Pak je… de haarbal aan? Tweeënder… tig… kilo.’ smeekte de wederhelft zwoegend onder me. ‘Ik denk dat we eerst even moeten overleggen, schat.’

    De boswachter was woedend. Natuurlijk geloofde hij niet dat we zonder het te weten zijn jacht waren binnengeslopen. We kregen alle twee een boete én een rekening voor het vervoer naar Alle, (het dichtstbijzijnde dorp) aangesmeerd. We waren dan wel veilig, maar héél ver van ons vakantiehuis. Terugkeren durfden we pas lang nadat we het laatste geweerschot hadden gehoord. Gelukkig was in het etablissement “Au Roi de la Bière” het bier fris en het eten warm. Ik kwam niets te kort, behalve tijd om een stukje te schrijven…

    Fijne feestdagen!

  • 3 december 2023

    Dromen en regenbogen

    Op een stormachtige zondag gingen de vrouw met de snor en ik naar een literair festival in Sint-Niklaas. Dirk gaf er samen met andere auteurs een lezing. We waren (en blijven) fan en kochten zijn boek. Dirk en zijn kompanen stonden rond het middaguur op de bühne. Dat deden ze goed. We applaudisseerden. Intermezzo. Pauze.

    Achteraan in de zaal was er frisdrank, koffie of thee te verkrijgen. Omdat het in de zaal erg koud was nam ik thee. Ik kreeg het er niet warmer van, dus sloeg ik mijn sjaal rond de nek. We wilden Vekeman die pas laat in de namiddag stond geprogrammeerd zien en gingen terug op onze plaatsen zitten. Het waren slechte stoelen. De meester zou trots op ons zijn.

    Er was nog vier uur te gaan maar de tijd ging erg traag. Ik zag nog steeds geen cowboyhoed, dus Vekeman was nog niet gearriveerd. Het was de beurt aan twee auteurs in een niche. Niet zo mijn ding, maar over smaak valt niet te twisten. We applaudisseerden, omdat de auteurs dat verdienden, én in de hoop het zo wat warmer te krijgen. Dat hielp niet. Daarom zette ik mijn muts op. Intermezzo. Pauze.

    Terug op onze plaatsen bleek dat het aantal lege stoelen op de vier rijen voor ons was verveelvoudigd. Dat was verdacht. Ik nam er het programmablaadje bij. Wat bleek: na de niche, zou er een overtreffende niche volgen. We hadden de keuze: na de voordracht heel hard applaudisseren om de leegte van de vertrekkers te compenseren, of zelf ook het hazenpad kiezen. De vrouw met de snor en ik wogen de pro’s en contra’s af; Er was nog drie uur te gaan; Dirk werd niet meer op de bühne verwacht; Vekeman was nergens te bespeuren.

    De goesting om te blijven daalde zo naar het minpunt. Net zoals de temperatuur in de zaal, want de warmteblazer had al een tijd terug zijn laatste zucht uitgeblazen. Ik stak mijn handen in mijn wollen wanten. De vrouw met de snor keek me wat meewarig aan: Kom we gaan, zei ze.

    Buiten wisselden de winderige buien elkaar af zoals aprilse grillen dat doen. Aan de overkant van de straat plooide de paraplu van iemand dubbel. Hulp kon niet meer baten. We ondergingen aan onze kant dezelfde spelingen van het ongure weer. Met de kap ver over onze hoofden getrokken, bekenden we beurtelings onze literaire zonden: Gabaldon, Roth, Lucinda, Follet, Gregory… Als je het doorvertelt, zal ik ontkennen…

    In de auto was het wel warm. De ruitenwissers gingen een poos héél snel en hielden dan abrupt op, stand-by om de volgende bui te trotseren. Voor ons verscheen er een regenboog. Hij was fel, groot en dus héél dichtbij. Onze weg leidde naar daar waar de linkerkant van de boog de aarde raakte. De pot goud, riep ik. We kunnen rijk zijn! De vrouw met de snor moest erom lachen. Ik zwans niet, zei ik, rij naar Rood! We zullen nooit meer moeten werken. We kunnen een schrijvershol kopen. Misschien wel twee… Deze kans kunnen we niet laten liggen! Wie weet hoeveel kapers er al onderweg zijn.

    We reden door Violet, Indigo, Blauw, Groen, Geel en Oranje. En daar stond hij. De grote pot goud (beeld je dat maar in). We waren rijk! De job hadden we al opgezegd. De therapeut ook. De camper was gekocht. De bucketlist geschreven. Bloggen konden we voortaan op dagelijkse basis. De manuscripten konden uitgewerkt worden. We waren al recepten aan het uitwisselen en theaterteksten aan het instuderen. De meester zou geen werk meer hebben!

    En toen sprongen de ruitenwissers terug aan.

  • 19 november 2023

    Vogel voor de kat

    In het middelpunt van een geromantiseerd leven vertelt hij verhalen en anekdotes die niet van hem zijn. Met stijl doet hij dat. We stellen ons luidop stropdas en aktetas voor. Zijn doffe ogen lichten op. De armgebaren worden weidser. Hij heeft in mij een toeschouwer gevonden. Vanop de eerste rij mag ik getuige zijn van zijn strapatsen en zeges. Wat hij allemaal niet heeft meegemaakt…

    Goh, wat hij allemaal niet heeft meegemaakt…

    Het was malchange madame. Hij wil er niet dieper op ingaan. Beeld je maar niets in, madame. Jouw verbeelding tart de werkelijk, het is niet andersom, zegt hij. Ik weet waar hij op doelt. Hij wil groot zijn. Voornaam. Hij heeft er de hersens voor. Waarom zou ik het laatste grammetje waardigheid dat hij nog heeft van hem willen afnemen?

    Hij weet niet wat ik weet. Dat ik alles weet.

    Hij slaapt op de zetel bij een kameraad, liegt hij. Ik weet dat hij elke avond zijn tentje opslaat in het struikgewas in de berm van de autostrade. Het is maar voor even, de moeder zal snel terug zijn, stelt hij gerust. Ik weet dat ze aan de drugs zit en zich in een kraakpand schuilhoudt. Het is niet voor even. Ik weet ook dat hij vorige nacht, onder het geraas van de vrachtwagens, werd bestolen. Gevallen met de step, madame. Hij kreeg rake klappen.

    Nee madame, zo erg is het niet.

    Instellingsverleden: het is een stempel die we gebruiken. Een dik, vet, allesomvattend onderscheidingsteken dat symbool staat voor een miserabele jeugd zonder kansen. Zonder liefde. Dat staat voor een ellenlange lijst van pleeggezinnen en instellingen, kriskras verspreid over het land. Het staat voor schooljaren die nooit zijn afgemaakt. Het staat voor verliezen en afgeven. Steeds opnieuw. Totdat je achttien bent. Vanaf dan sta je er alleen voor. Zonder kansen. Zonder liefde. Met een ellenlange lijst van adressen waar je even op de zetel kon crashen. Kriskras verspreid over het land. Het staat voor werk dat je nooit hebt kunnen volhouden. Het staat voor verliezen en opgeven. Want dat doe je…

    Uiteindelijk geef je op.

    Kinderen kiezen niet uit welke broek ze geschud worden. Hier zit ik tegenover een jongen, machteloos, want er zijn geen middelen. Uit wanhoop glimlach ik naar hem. Hij ziet iets. Zijn houding verandert. Hij weet wat ik weet. Er verschijnt paniek in zijn ogen. Waarom zou ik dat laatste grammetje waardigheid van hem willen afnemen? Hij wil weglopen.

    Vluchten, de strategie die het minst pijn doet.

    Ik herpak me. Blijf je, vraag ik, en vertel nog eens van die keer dat je je prof voor de gek hield bij de presentatie van jouw eindwerk. Dat verhaal ken je, antwoordt hij. Ik ken er een beter. Heb ik je ooit verteld van onze reis naar de Côte d’Azur? Mijn vader reed er in één trek naar toe. In de cabrio. Ik zat met mijn zusje op de achterbank. Mijn moeder haar lange haren wapperden in onze gezichten. Mijn zusje zong de hele tijd liedjes van K3. Vréselijk was het. Maar toen we daar aankwamen…

    Goh, toen we daar aankwamen…

  • 5 november 2023

    De afwasser

    De wederhelft had een exquis restaurant uitgekozen. We hadden iets te vieren. Met witte tafelkleden, porselein in aardetinten, zilveren bestek, kaarsen en verse bloemen waren er kosten, noch moeite gespaard om een intieme sfeer te creëren. Het geroezemoes van de andere klanten werd evenwichtig overstemd door een speellijst Franse chansons in een jazzy uitvoering. We zaten vlakbij de passe, maar dat stoorde niet. Het was zelfs een genoegen om, zo nu en dan, een blik in de keuken te kunnen werpen. Als ik me een beetje naar links boog, kon ik zelfs tot helemaal achteraan kijken. Buitengewoon plezierig voor iemand zo nieuwsgierig als ik.

    We waren nog aan het nagenieten van de amuse-gueule wanneer er een bulderlach door de keuken galmde en vervolgens langsheen het keukenpersoneel, over de schouders van de chef – die aan de passe stond – de gelagzaal in golfde. Twee tafels verder liet een kokette dame een vork uit haar handen glippen, net op het moment dat er een collectieve ingehouden zucht de ruimte vulde. Het luide gekletter van zilver op porselein versterkte de stilte die daarop ontstond. Niemand durfde nog te spreken. Iedereen keek vragend om zich heen, benieuwd naar wie – of wat – zulk geluid kon produceren. De maître d’ hotel, die net bij onze tafel was komen staan, zuchtte, greep met duim en wijsvinger naar zijn wenkbrauwen en draaide op zijn hielen honderdtachtig graden: linea recta naar de pass. De twee obers en de sommelier haasten zich van tafel naar tafel om de klanten te sussen. Het was de afwasser maar. Iedereen kon rustig verder eten. Geen zorgen, mevrouw. Wenst u nog wat wijn meneer? De wederhelft bedankte de ober, maar ik… ik kon niet meer van de passe en de keuken wegkijken.

    ‘Wie liet er een pot aanbranden?’ brulde de chef op aandringen van de maître die met beide handen de passe zo hard vastgreep dat zijn kneukels er wit van wegtrokken. ‘Dat was de braadmeester chef!’ werd er naar hem teruggeroepen. De maître vloekte: ‘Waarom ontsla je die kwast niet? In de gelagzaal denken ze dat er een levend zwijn gevild wordt.’ ‘Welke kwast bedoel je?’ vroeg de chef. ‘De braadmeester of de afwasser?’ ‘De afwasser, natuurlijk,’ antwoordde de maître, ‘Heb je de braadmeester ooit zulk geluid horen voortbrengen? Die man is een pink dik.’ De chef reageerde gepikeerd: ‘Denk jij nu echt dat we met een vingerknip een vervanger kunnen vinden? De afwassers staan echt niet in de rij hoor.’ ‘Hou-die-mislukte-circusartiest-dan-weg-van-aangebrande-kookpotten-en-schuurborstels!’ siste de maître met de tanden op elkaar geklemd. ‘Wij zijn het in de zaal beu om telkens opnieuw de gemoederen te bedaren. Dit is een gerenommeerde zaak, in hemelsnaam!’

    Ik boog me zo ver naar links dat de wederhelft er lastig van werd. ‘Laat me,’ zei ik, ‘ik vertel je dadelijk wat er te zien valt.’ En inderdaad, helemaal achteraan, voorbij de garnituren, de koude keuken en patissier, stond hij, de afwasser, wijdbeens, met een kookpot tegen de borst gedrukt. Hij gromde en kirde van opwinding. De braadmeester had zijn vlees blijkbaar heel lang laten stoven. De randen en de bodem van de oude kookpot waren door het gasvuur zwartgeblakerd. Dat kon ik zien vanop de plek waar ik zat. Je had geen verbeeldingskracht nodig om te weten hoe de binnenkant van de pot er aan toe was. In zijn rood-zwart gestreepte onderhemd zag de afwasser eruit als een gewezen gewichtheffer. De dikke krulletjes borsthaar die onder zijn lijfje uitpuilden liepen zonder onderbreking door naar armhaar, nekhaar en rughaar. Hij glimlachte zijn spierwitte tanden bloot en zette de pot in de gootsteen, draaide zijn snor in twee fijne puntjes, nam de schuurborstel en begon aan zijn taak.

    Ik had de hele avond kunnen en willen kijken, ware het niet dat een zwarte schort met erboven een wit hemd en strik mijn zicht belemmerde. Ik ging nog wat meer naar links hangen. Het witte hemd volgde mijn beweging. Ik keek naar boven om de eigenaar vriendelijk te vragen opzij te stappen,  maar beet op mijn tong van zodra ik doorhad wie er voor me stond. ‘Aan het genieten van het uitzicht?’ vroeg de maître en richtte zich zonder een antwoord af te wachten tot de wederhelft: ‘Misschien dat u graag een tafeltje achterin de zaal prefereert, mijnheer? Eentje waar wat minder “afleiding” is?’ stelde hij voor. ‘Als dat voor u niet al te veel moeite is, ga ik graag op uw aanbod in,’ antwoordde de wederhelft fijntjes. Ik schudde mijn hoofde nog, maar twee paar ogen maanden me aan tot zwijgen.  Bij het opstaan wierp ik nog snel een blik op de voormalige gewichtheffer en zijn kookpot en volgde dan de maître en de wederhelft naar achteren, waar ik tussen twee grote ficussen mocht gaan zitten. ‘Wat fijn dat ik op deze bijzondere dag van jouw volle aandacht kan genieten,’ sneerde de wederhelft. Op de achtergrond werd de muziek een beetje luider gezet. Verbeeldde ik het me? Of hoorde ik daar in de verte een diepe bariton neuriën?

  • 22 oktober 2023

    De krant

    Alsof het universum er mee gemoeid was – of de postbode had mijn blog gelezen, dat kan ook – werd de krant vorige week maandag en dinsdag niet bezorgd. Toegegeven, ik weet dat ik schreef dat ik mijn abonnement op de krant zou stopzetten. Maar zo letterlijk bedoelde ik het ook niet. Die eerste maandag had ik mijn probleem nog netjes via de website gemeld. Dinsdag belde ik de klantendienst. De dame aan de andere kant van de lijn zag het probleem niet. Ik kon de krant die gemiste dagen toch ook gewoon digitaal lezen? Zo’n drama hoefde ik er niet van te maken, toch? In volgorde: nee, en jawel: het is een wereld van verschil! De letters van de stukjes van Dalilla of Hans Cottyn bijvoorbeeld die als suikerkristallen ’s morgens mijn koffie zoeten. De bladzijden die zich bij de eerste keer omslaan moeilijk laten temmen. Het geknisper. De geur van vers gedrukte inkt. Fuck néé! Niet dezelfde beleving op een schermpje van 16 op 7!

    Mijn tirade legde weinig zoden aan de dijk want na woensdag – veel te laat – werd donderdag de krant niet geleverd. Tegen vrijdagmiddag kon ik wel uit mijn vel springen.  De (banale – ik weet het) stress die gepaard ging met de onwetendheid over de bezorging van mijn dagelijkse dosis letters deed me besluiten om de krant definitief op te zeggen. Ik werd er toch alleen maar ziek van. Als het niet van het nieuws in de krant was, dan wel van het nieuws dat ik miste. Vastbesloten belde ik opnieuw naar de klantendienst. Ik was het beu, zei ik, en beëindigde daar, voor eens en voor altijd, het tijdperk van de papieren krant. Althans dat was de bedoeling. De dame aan de andere kant van de lijn wist me ervan te overtuigen dat niet te doen. Wat had ik aan een abonnement als de krant niet bezorgd werd, opperde ik. Ze vroeg een week om het probleem uit te pluizen. Die tijd kreeg ze nog.

    Diezelfde namiddag werd er aangebeld. De buurman van nummer vierentachtig stond er met een stapel gelezen kranten onder zijn arm. Hij had zijn queeste al opgegeven, was overal gaan aanbellen, totdat zijn vrouw voorstelde om toch ’s op de tweeëntachtig te proberen. Het was een wanhoopspoging. Ik wilde niet weten waar hij allemaal al was gaan informeren, zei hij. Dat hoefde ik inderdaad niet te weten. Toch somde hij zijn stappen op: bij de Duitse buren van nummer zessentachtig, bij de Turken, de gepensioneerden van de tweedehandswinkel wat verderop, zelfs aan de overkant van de straat (de oneven nummers!) bij de Viking en de Vertegenwoordigster. Dat het niet in hen opkwam dat wij, zijn naaste buren, mogelijks een kwaliteitskrant lazen, zegt veel over hoe hij over ons denkt. Of wat hij van de Standaard vindt, kan ook. Flutgazet.

    De dag erna werd de weekendkrant met alle bijlagen geleverd. In welke staat ga ik niet uitleggen. Laat ons het erop houden dat er plakband aan te pas kwam. Toch, ik was gelukkig. Voor even, want daarna begon de mallemolen gewoon opnieuw. Maandag te laat. Dinsdag niet. Van de klantendienst hoorde ik niets meer. Dus ging ik op vinkeslag liggen. De postbode zou later op de dag nog een weekblad bezorgen, wist ik.

    Van zodra ik de brievenbus hoorde klepperen, stormde ik naar de voordeur. De postbode was op dat moment al enkele huizen verder. Postbode! Riep ik. Ik moet iets vragen! Op mijn sokken ging ik hem achterna en deed mijn verhaal. De postbode, vriendelijk en uiterst begripvol haalde zijn notitieboekje boven. Er scheerde een loslopende hond langs mijn been. Welke onverlaat laat er hier zijn hond loslopen, dacht ik, en huh? Die viervoeter lijkt verdacht hard op onze haarbal. Fuck! Het is de onze! Ik had de voordeur open laten staan.

    Zonder halsband, naakt, liep de haarbal zijn vrijheid tegemoet. Ik ging erachteraan, dook naar beneden. Greep naar zijn loshangend vel. De postbode kon niet wachten. Hij was gehaast. Hij wilde nog wel het telefoonnummer van het kantoor meegeven. Met beide handen vol hondenvacht, zonder balpen, zonder papier, hoe kon ik in godsnaam iets noteren? De postbode zag het dilemma. Haalt u me in, stelde hij voor. Ik knikte, worstelde met de haarbal tot bij de voordeur. Duwde hem het deurgat in, griste het weekblad van de vloer en zette op mijn kousenvoeten de achtervolging op de postbode in. Een balpen was ik vergeten. Desnoods noteer ik het nummer in bloed op de achterzijde van het weekblad, dacht ik. Zo ver heen was ik. Dat ik de deur had toegetrokken met de sleutel aan de binnenkant in het slot was een probleem voor later. Ik bleef rennen. Gelukkig kon ik de balpen van de postbode gebruiken. Bloed kwam er niet aan te pas. Nog niet.

  • 8 oktober 2023

    Triviaal

    Het schrijven van een stuk waarvan ik zelfs de grote lijnen nog niet uitdacht is moeilijk. Laat het humoristisch zijn, dat zijn je beste stukken echoot er door mijn hoofd. De duimpjes omhoog. Het aantal reacties groter. Kappersbeurten, vakanties, rommelmarkten, boswandelingen, verdronken geiten. Hoe leuk het allemaal is. Ik kan me vandaag niet tot vrolijkheid dwingen. Triviaal is het. In een wereld die op stelten staat.

    Een expert, aan het woord in de krant, vertelt dat er geen enkel model is waaruit de hoop gepuurd kan worden dat Oekraïne de oorlog zal winnen. Rusland, noch Oekraïne heeft een overmacht voldoende groot om de ander terug te dringen. De oorlog zal er nog jaren duren. Rusland schakelde over op een oorlogseconomie. Daar telt enkel nog het produceren van wapens en het indoctrineren van kanonnenvlees. Aan Westerse zijde worden de landen steeds terughoudender. Geen enkele regeringsleider zal bereid gevonden worden om nog jaren geld te pompen in een oorlog die niet te winnen valt. Slik.

    Ondertussen op Belgische bodem. Feestvierders pissen tegen een combi: land op stelten. Zatte partijvoorzitter verkoopt racistische praat: land op stelten. Rijke politiekers die zich nog meer verrijken: land op stelten (en ondertussen alweer vergeten). Gebakkelei, opgepookt door de media, rechts en links. Politiekers die beurtelings zeggen het “gekissebis en gehakketak” beu te zijn maar een dag later gewoon weer verder redetwisten met hun concullega’s, omdat het navelstaren makkelijker is dan naar de horizon te kijken. Twaalf bladzijden tel ik in de krant. Twaalf: gewijd aan binnenlands politiek gezwets. Bullshit.

    Terzelfdertijd vallen er duizend bommen op Israël. De wraak zal niet te overzien zijn. Waarom schieten die klojo’s van Hamas duizend raketten af? Ze zitten aan de knoppen maar geven geen hol om hun landgenoten. De teller tikt aan beide zijden van de grens genadeloos. Het aantal gewonden en doden stijgt er met het uur. Het leed is niet te overzien. Niet in het beloofde land, niet in Oekraïne, niet in Nagaro-Karabach (waar?), niet in Congo, Jemen, Afghanistan of Ethiopië en alle andere vergeten conflicten op aard. Lijdzaam ondergaat de bevolking er de beslissingen van een stelletje nozems die in hun fijne kantoortjes Stratego spelen. Oneerlijk is het.

    “Wenst u dat de gemeente Borsbeek gefuseerd wordt met de stad Antwerpen? Ja of nee?” Kan je je inbeelden dat de burgerbevolking in die conflictgebieden iets gevraagd wordt? Kan je je het voorstellen? De inwoners van Gaza die de vraag krijgen: Wenst u dat Hamas duizend rakketen op Israël afschiet? Ja of nee? De inwoners van Rusland die de vraag krijgen: Wenst u dat Rusland overschakelt op een oorlogseconomie? Ja of nee? De inwoners van Nagaro-Karabach die de vraag krijgen: Wenst u dat Azerbeidzjan u uit uw geboorteland verjaagt? Ja of nee? Alle duimpjes naar beneden. Zucht.

    Ik beloof je lezer, plechtig, op mijn communiezieltje (dat heb ik nog, ja): volgende keer krijg je een leuker stukje. Ik zeg mijn krantenabonnement op. Lees enkel nog Jommeke-strips, of Tiny. Ik kijk de volgende twee weken niet meer naar televisie, enkel nog naar Arjen Lubach en kattenfilmpjes op YouTube. Ik zal naar ABBA luisteren en naar CCR (daar word ik vrolijk van). Ik zal alleen maar lekkers en comfortfood eten (de extra kilo’s pak ik erbij, speciaal voor jou)… Mijn navel wordt het middelpunt van het universum en zo komt het goed. Ik beloof het je: het komt goed.

  • 24 september 2023

    Vier generaties

    Mijn kapster is niet zo lang geleden bevallen. Langs deze weg wens ik haar veel geluk toe. Het heugelijke nieuws vernam ik daags voor mijn afspraak. Onder normale omstandigheden ga ik er elke vier weken naar toe. Voor die snit – die als gegoten zat – was dat een vereiste. Ze was niet duur. De kwantiteit en kwaliteit lagen mooi in balans. Iedereen gelukkig. Tot de dag van haar bericht, althans. Met de handen in het haar belde ik alle coiffeuses in het dorp af. Bij kapperszaak ‘de Vierde Generatie’ kon ik diezelfde dag al langskomen. De volgende dag ook en desgevallend alle dagen van de daaropvolgende week. Elke mogelijke alarmbel had op dat moment moeten afgaan. Ik weet het, ik had verder moeten rondbellen, maar de opluchting was groot. Heel groot.

    Ik stemde in met de eerste vrije afspraak die dag. Geen uur later zat ik al in de kappersstoel, met een donkerbruin vermoeden dat de juffrouw die achter me stond de vierde generatie was. Ze bestudeerde mijn kruin met gefronste wenkbrauwen. ‘Dit is met de schaar gedaan,’ stelde ze na enige tijd vast. ‘Verwacht je van mij dat ik je ook met de schaar knip?’ Dat was een vraag die ik niet had zien aankomen in een kapperszaak. Ze zag in de spiegel de verwarring op mijn gezicht en verduidelijkte zich: ‘De tondeuse is ook een optie. Ziet u, mijn vingers zijn te dik om je korte haren nog korter te knippen.’ Ze ondersteunde haar argument door met twee vingers een knipbeweging naast mijn rechteroor te maken.

    Ik stemde in met de tondeuse. Die werd gebracht door een dame van achter in de tachtig. ‘Wat heb je een prachtige dikke haardos,’ complimenteerde zij me. ‘Dank je,’ zei ik tegen de eerste generatie. ‘Die haardos mag uitgedund en de bles mag een beetje ingekort worden,’ zei ik tegen de vierde. Met de tondeuse in de hand vroeg die vierde generatie: ‘Welke stand wenst u dat ik gebruik?’ Drie overlangse pezen in mijn hals begonnen ongecontroleerd samen te trekken. ‘Excuseer?’ antwoordde ik, ‘verwacht u dat ik weet op welke lengte u die tondeuse moet instellen?’ Ze glimlachte zuur, stelde voor om hoog te beginnen en dan in “wederzijdse consensus” de goede stand te bepalen.

    Ik stemde in met haar tactiek. Drie kamwissels later zaten we op een aanvaardbare lengte. De tondeuse bromde luid op mijn schedel. In een wip was ze rond. Alle haren op mijn kop exact even lang. Behalve mijn bles. Daar was ze gelukkig afgebleven. Ondertussen was ook de derde generatie erbij komen staan. Een dame van rond de veertig. Ze prees de vierde generatie met een schouderklopje. Ik zag dat ze trots was. ‘Moet er nog uitgedund worden?’ vroeg ze en duwde de vierde generatie zacht opzij.

    Ik stemde in en wees naar de dikke dot haar rechtsachter. Ze begon daar met haar speciale uitdunschaar. Knip. Knip. Knip-knip. Steeds sneller. En sneller… tot ze, abrupt, ophield. ‘Uit balans,’ mompelde ze, waarna ze ongevraagd ook de linkerkant begon uit te dunnen. Snel deed ze dat en opnieuw steeds sneller. Haar handen vonden hun weg tot bij mijn bles. In extase en met een diabolische glimlach op haar mond bleef ze knippen tot er niets meer van de bles overschoot. ‘Wat doet u nu?’ riep ik uit. Ze versteende. De ontbrekende tweede generatie kwam toegesneld. Met vier bestudeerden ze mijn kop. Rechtsvoor stond er nog een bol plukje haar. Ze keken naar het dotje en fezelden wat onder elkaar. Uiteindelijk nam de tweede generatie het woord. ‘Het is geen zicht,’ zei ze en in één adem stelde ze voor om ook daar nog even de schaar in te zetten. Dat wilde ze graag zelf doen.

    Ik stemde in.

←Vorige pagina
1 … 3 4 5 6 7 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 66 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen