GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 27 april 2025

    Eiland

    De werken naderden gestaag. Een maand geleden kwamen ze met vertraging in de verte de hoek om: Rundvoortstraat uit en Achterstraat in. Schepkranen en bulldozers. Rioolbuizen en collectorputten. En daarna steeds dichterbij. Beetje bij beetje: van legoblokjes aan de einder tot verpletterend gebrul op geen twintig meter van de eerste tafel. Van amper hoorbare grondwaterpompen op de achtergrond tot de rookwolken dieseldamp van tractoren die op een steenworp voorbij het terras donderden. De Waard was er niet gerust op. Het zou niet lang meer duren vooraleer zijn Boerenhof een eiland in graafwerken werd.

    De Waard overwoog om zijn zaak tijdelijk te sluiten. Meer dan de helft van zijn cliënteel is zeventig jaar en ouder. Bouwputten en broze botten blijven een slechte combo, wist hij. Geen van hen die haar of zijn leven waagt voor een filterkoffie. Slijk bij slecht weer, stof bij droog weer. Het zou altijd gedoe zijn. Bovendien: niet alleen de Achterstraat, het hele Torenplein moest er nog aan. Inclusief de stoep. Totaal onbereikbaar zou het café worden. Weken. Misschien wel maanden. Niemand die het wist. Broodroof, zuchtte de Waard.

    Goed dat mijn maat dit niet meer moet meemaken, dacht ik toen een rupsband rakelings voorbijschoof. Hij had niet meer in het Boerenhof geraakt. Verstoken van vriend, pint en zo af en toe een stevige knuffel, want ook al woonde hij maar vier huizen verder in de straat – vlak naast de blauwe grondwaterpomp die als een fitte slagader elke zes seconden een straaltje water tuft – de opengebroken straat had zijn doodsteek geweest. Daar was geen chemokuur of radiotherapie tegen opgewassen. Nu was hij tenminste gestorven op de plaats waar hij het liefste was. Zijn staminee. De werken waren toen nog niet begonnen. Wat zou hij gevloekt hebben op het nooit opdrogende plasje water voor zijn oprit.

    En zo schoven de werken op en zo bleef de waard zijn beslissing uitstellen tot het uur der waarheid daar écht was. Vorige week maandag ging het straatmeubilair op het Torenplein eraan. Dinsdag volgden de kasseien en de boordstenen. Hekken werden geplaatst en linten gehangen. Er moest maar eens een dronkenlap met zijn zatte botten in de bouwput sukkelen. Toen ik er dinsdagavond langsging om wat morele steun te geven, was ik niet alleen. De Waard pinkte net geen traan weg. Mogelijks van ontroering voor de massale steun, meer waarschijnlijk van blijdschap omwille van de uitzonderlijke recette…

    Er werd gezegd dat het terras die dag al voor openingstijd volstond met cliënteel. Schouder aan schouder stonden ze. Het terras van het Boerenhof bleek de beste plek om de werken op het Torenplein te overschouwen. Alle stoelen waren bezet en er stond een haag van kijklustigen bij de dranghekken. Met kinderlijke verwondering keken de mannen én vrouwen naar de haarfijne kunsten van de twee kraanmannen. Oh’s en Ah’s klonken onder de golfplaten van het overdekte terrasgedeelte en bij het begin van het schof volgde er zelfs een zuinig applausje. Na de matinée, wanneer het gebrul was stilgevallen en het stof neergedwarreld, volgde er nog een uitgebreide nabespreking. Op het terras van het Boerenhof, natuurlijk. ’t Zou allemaal wel meevallen…

  • 13 april 2025

    Plaats maken

    Ik kijk, onbewogen, naar de papieren die door mijn handen gaan. Meestal voel ik hartzeer als ik op het punt sta om spullen weg te doen. Gevolg van mijn zwak voor nostalgie. Zelfs de doos met oude knuffeldieren heb ik om die reden tot vér na mijn dertigste bewaard. En deze cursussen: Gezondheidseconomie, Financieel beheer, Kwaliteitsbeleid… Ik probeer bewust wat gewaar te worden. Het is geen hartzeer dit keer. Eerder een berusting die ik voel.

    Dingen verkopen op tweedehands is niet aan mij besteed. Het geld dat dat opbrengt is me de tijd en het gedoe niet waard. Misschien ben ik rijk genoeg. Misschien voel ik me rijk genoeg. Bovendien, wat hier door mijn handen gaat, valt ook niet te verkopen. Het lesmateriaal is verouderd, de theorieën zijn gedateerd en de professoren van toen uitgerangeerd. Cursus en handboek worden gedegradeerd tot oud papier. Dat is altijd hun lot geweest.

    Waarom ik tot nu gewacht heb?

    Nostalgie dus, en nooit genoeg. Boeken. Souvenirs. Erfstukken. Een voor een hebbedingen. Blijkbaar verzamel ik – jaar in, jaar uit – maar het huis wordt niet groter en de opbergplaats steeds krapper. Een nieuwe tent, maar de oude gooide ik niet weg. Spijt komt ook altijd te laat, dus bewaarde ik ook de oude gordijnen, minstens vier bureaulampen, een doos met restjes wol, de oude fm-radio… Je weet maar nooit wanneer ze nog van pas kunnen komen, toch?

    Op een aantal bijzondere stukken na, vallen alle hebbedingen uiteindelijk ten prooi aan het watervalsysteem. Van een prominente plaats in de stoefkast verhuizen ze naar een niet zichtbare plek – nog steeds in de woonkamer wel – om daarna te verkassen naar de kast op de zolderkamer en uiteindelijk in een doos terecht te komen en nooit nog daglicht te zien. Gedegradeerd tot brol.

    Eerder deze week werd het echt wat krap in de stoefkast. De wederhelft stelde voor om enkele boeken te verplaatsen naar een minder prominente plaats. Die degradatie zou niet zonder slag of stoot doorgaan. Ik wees naar zijn stripboeken en cd’s. Hij naar Philippa Gregory en Lucy Riley. We bereikten een consensus. De strips en boeken van Riley en Gregory zouden naar de kast op de zolderkamer verhuizen. Maar de ene verplaatsing had een andere tot gevolg, want die kast puilde net zo goed uit. Zo kwamen de vier curverboxen in het vizier.

    Vijftien jaar staan de curverboxen hier en in al die jaren zijn ze nooit geopend geweest. Tot nu. Een voor een haal ik de classeurs met de zorgvuldig aangeduide hoofdstukken uit de boxen. Kilo’s lesmateriaal, cursussen, samenvattingen en handboeken. Ik kan het bloed, het zweet en de tranen ruiken. Voor de laatste keer want de vier jaar werkstudent aan de Universiteit gaan definitief de vuilbak in.

    Dertig was ik toen ik mijn diploma kreeg. Er wordt me vaak gevraagd of ik het niet zuur vind dat ik er nooit wat mee gedaan heb. Maar dat is niet zo. Nee; Ik ben met dat diploma op teleurstellingen en een burn-out gebotst. Ik heb er mensenkennis mee opgedaan. Ik ben keihard met mijn kop tegen de muur geknald en heb me leren oprapen. Ik heb leren doorzetten. Ik schrijf. Ik weet wat belangrijk is in het leven. Ik heb keuzes gemaakt, berusting gevonden, en… plaats gemaakt op de zolderkamer.

  • 30 maart 2025

    Goed bedoeld

    Wrang eerlijk. Zo kennen veel mensen me. Zonder rond de pot te draaien, recht voor de raap, maar nooit (of toch zelden) slecht bedoeld. Het is me, denk ik, om de efficiëntie te doen en dat doe ik door geen tijd te verliezen met de werkelijkheid in een mist van woorden te hullen. Zonder gedoe dus, wat soms resulteert in net iets te veel gedoe. En dat geldt niet enkel voor mezelf.

    Zo herkende ik mezelf vorige week zondag erg in mijn neef, de Gamer. Vijftien is hij. We zaten met de familie aan de tafel en maakten ons vrolijk over de vlaag van brainfog die mijn moeder overviel. Zelfs vér voorbij de menopauze, blijven de symptomen, stelde mijn schoonzus vast. De gamer zette de pot choco neer. Hij begreep het niet zo goed. Excuus, dat heb ik verkeerd verwoord. De gamer is slim genoeg, hij begrijpt het allemaal wél goed, maar het rijmt soms niet in zijn hoofd.

    Hij stelde zich luidop de vraag waarom alleen de mannen rekening moeten houden met de vrouw in menopauze. Het is toch de schuld van de vrouw dat er van alles verandert. Het werd meteen stil aan tafel en zijn jongere broer sloeg een hand voor de ogen. Zich bewust van het ongemak dat hij creëerde, verduidelijkte de Gamer zich. Wat hij bedoelde was dat hij niet begreep waarom de man en de zonen zich “alleen” moesten aanpassen? De vrouw – zijn moeder dus – kon toch ook wat moeite doen?

    ‘Zwijg gewoon, bro,’ riep zijn broer, de handen ondertussen al in de lucht gestoken. ‘Wat heb ik verkeerd gezegd?’ vroeg de Gamer oprecht. ‘Dat was vrouwonvriendelijk, bro!’ ‘Maar nee, de waarheid is toch niet vrouwonvriendelijk. Dat is gewoon zo!’ Mijn broer schudde zijn hoofd en fluisterde: ‘Dat maakt geen sikkepit uit.’

    De Gamer pruttelde nog wat tegen, want als hij last had van zijn puberhormonen, moest hij er zelf mee dealen. ‘Niemand past zich dan aan.’ Zo omstandig mogelijk probeerde ik hem uit te leggen dat de menopauze in niets te vergelijken is met de op hol geslagen hormonen van een puber en dat hij zich op delicaat terrein bevond. De Gamer antwoordde dat hij helemaal niet vrouwonvriendelijk is, en als iets de waarheid is, er geen reden is om zich gekwetst te voelen.

    Ik kan de Gamer onmogelijk beschuldigen van een gebrek aan empathie, want daar heeft hij tonnen van. Hoe het komt dat hij de emotionele impact van zijn woorden dan onderschat is volgens mij terug te brengen naar de waarheid. Die is voor hem minstens even belangrijk dan dat efficiëntie dat voor mij is. Dat we met onze uitspraken anderen beledigen en soms respectloos overkomen, besef ik altijd te laat en de Gamer gewoon nog niet…

    De Gamer werd vergeven, de tassen thee ingeschonken, en het gesprek aan tafel kabbelde verder langs films en streamingsdiensten, via de kwaliteit van beeldschermen en werd daarna Koeterwaals. Er is een verschil tussen gewone beeldschermen en die van gaming pc’s, wist de Gamer. Het ging over de verversingssnelheid en dat er een groot prijsverschil was. Iets van duizenden euro’s. En dat als je echt, écht wil gamen dat zo’n duurder scherm te verkiezen was boven een gewoon scherm. De wederhelft kon niet overtuigd worden en zei dat het verschil tussen beide onmogelijk met  het blote oog zien was.

    ‘Dat komt omdat jouw ogen trager zijn,’ antwoordde de Gamer, waarop er opnieuw een ongemakkelijke stilte viel. De gamer dacht dat hij niet begrepen werd en verduidelijkte zich: ‘Omdat je oud bent,’ voegde hij eraan toe. ‘Bro, nu doe je het weer!’ riep zijn broer. ‘Ouder, bedoelde ik, en met ouder bedoel ik vijftig plus of zo,’ verbeterde de Gamer zich. Het bleef stil aan tafel en zijn jongere broer sloeg een hand voor de ogen. De Gamer vroeg oprecht wat hij verkeerd had gezegd. ‘Dat was beledigend, bro!’ antwoordde zijn broer. ‘Maar nee, ’t is toch de waarheid. Vanaf je veertig gaan de ogen er op achteruit. Dat is gewoon zo!’ Mijn broer schudde zijn hoofd: ‘Dat maakt geen sikkepit uit.’

    De Gamer had, zichzelf en zijn broer uitgezonderd, onbedoeld iedereen aan de tafel geconfronteerd met het feit dat we ouder zijn geworden. Kunstig geconstrueerde illusies om onszelf tegen die harde realiteit te beschermen, werden daar ongebalanceerd door de jongeman neergekegeld. Dat was natuurlijk niet zijn bedoeling, maar de waarheid was voor de Gamer heilig, ook als hij daarvoor enkele sociale conventies moest negeren.

    ‘Jij zegt toch ook altijd de waarheid. Hoe zou jij dit oplossen dan?’ vroeg hij mij. Ik moest toegeven dat ik het weinig anders aangepakt zou hebben en dat hij en ik niet zo heel erg verschillen op dat vlak. ‘Zwijgen is ook een optie. Dat kan je leren. Maar dan moet je je non-verbale communicatie ook onder bedwang kunnen houden.’ ‘Kan jij dat?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik val achtennegentig procent van de tijd door de mand.’ ‘Spreek je daarom altijd de waarheid?’ vroeg hij. Ik knikte bevestigend, ‘En omdat ik zo verdomd veel van efficiëntie hou…’

    ‘Dan maakt de rest geen sikkepit uit,’ besloot de Gamer.

  • 16 maart 2025

    Complimentenweek

    ’t Was echt niet de bedoeling dat het zo uit de hand zou lopen. Dat is het natuurlijk nooit, en met een goede dosis gezond verstand en het hanteren van het voorzichtigheidsprincipe had het zelfs vermeden kunnen worden. Dat het niet met kwade intenties gebeurde, valt niet meer uit te leggen. Geen kat die het gelooft en maart kan best wel een leuke vakantiemaand zijn.

    Het begon tijdens mijn week vakantie, die samenviel met de complimentenweek op het werk. Die week werden er post-its uitgedeeld onder alle collega’s met opschriften zoals, “Jij verdient een trofee want …” of “Jij doet me glimlachen …” of “Sterk bezig!” en “Wat ben je goed in wat je doet!” Bedoeling was dat je met een kleine persoonlijke boodschap de post-its op de werkplek van een collega kleefde. Er was zelfs een post-it met vijf sterren die je, zoals een recensie, naar goedkeuren kon inkleuren. Beter was geweest dat alle sterren van tevoren al ingekleurd waren.

    ’t Was ook zeker niet de bedoeling dat het uitwisselen van de post-its anoniem gebeurde. Maar onder een halve ingekleurde ster zet niemand zijn naam. Ook niet als het als grap bedoeld is. Dus toen ik die maandag op het werk toekwam, kleefde mijn werkplek en beeldscherm vol post-its. Op één na, allemaal anoniem. Ik geef het je op een briefje: ’s morgens op een nuchtere maag, na een week vakantie, werd ik daar niet echt vrolijk van.

    ‘Blij dat je in mijn team zit … nooit een rustig moment.’

    ‘Sterk bezig … bedilal – zoek dát maar op.’

    ‘Jij doet me glimlachen … met je cassante opmerkingen.’

    ‘Jij bent goed in wat je doet … en nog beter in dat wat je niet doet!’

    ‘Sterk bezig … maar slappe koffie.’

    Mijn chef vroeg me om nog aan te haken bij dit leuke initiatief en zelf ook enkele (goedbedoelde, Els!) complimenten uit te delen. Ik vroeg haar of ze de post-its had bekeken die op mijn bureau lagen. Dat had ze niet, omwille van de privacy, en dat ze zich daar echt niet mee ging bezighouden. Toch, collegialiteit was een basiswaarde van het bedrijf, dus ze verwachtte dat ik er op z’n minst enkele zou terugschrijven.

    Ondanks de anonimiteit van de post-its, had ik bij de meeste wel een vermoeden wie de auteur was. Die ‘slappe koffie’ was van de hand van mijn eilandbewoner. De ‘cassante opmerkingen’ kwamen van een eiland verderop. En die halve ster en andere complimenten kwamen zonder twijfel van de ex-collega’s die aan de andere kant van het gebouw werkten. Met tegenzin ging ik aan de slag. Achteraf gezien had ik beter gewacht tot maandagmiddag, of dinsdag of zo…

    Ik kleurde een heleboel sterrenpost-its in met één, maximaal twee sterren, schreef mijn pen (anoniem) leeg op de andere post-its die de chef me gegeven had en trok op pad door het gebouw waarbij ik stiekem en volledig willekeurig post-its op werkplekken, brooddozen en verlaten laptops kleefde.

    Jij doet me glimlachen … met de excuses die je zo goed kan verzinnen.

    Vijf sterren … voor de grootste roddelaar.

    Jij verdient een trofee want … jij hebt je lat dit jaar nog lager kunnen leggen.

    Jij doet me glimlachen … wanneer je beweert dat je hard aan het werken bent.

    Sterk bezig … met collega’s tegen elkaar op te zetten.

    Het duurde niet lang voordat het nieuws van hoogoplopende emoties, verwijten en verwensingen onze kant van het gebouw bereikte. Mijn chef wist ook meteen hoe de vork aan de steel zat. ‘Ik had het kunnen weten dat complimentenweek niet aan jou besteed was,’ zei ze. Ik antwoordde dat het niet mijn bedoeling was dat het zo uit de hand zou lopen. Maar zoals ik schreef in het begin: dat geloofde ze niet. Bovendien verwacht ze nu dat ik volgend jaar in maart minimaal twee weken vakantie neem. Ik ben alvast op zoek naar een ideale vakantiebestemming dan.

  • 23 februari 2025

    De Dromer

    Toen de Dromer nog de Klusser heette, praatte hij al met chatGPT, lang voordat het een ding werd. Hij was zijn tijd voor met de chatbots en nu was hij de eerste die sprak over de revival van het lucide dromen (ter zijde: dat doe je zonder drugs te gebruiken). De Zeebonk zat erbij en zei dat hij nooit droomde. Dat hij zich zijn dromen niet kon herinneren, verbeterde de Dromer hem. Want iedereen droomt. Bovendien kan iedereen leren om zich zijn dromen te herinneren. Het is een vaardigheid die oefening vereist. De Zeebonk moest geduldig zijn.

    De Dromer duwde ter illustratie met de rechterwijsvinger in de palm van zijn linkerhand. Als die erdoor gaat, zei hij, dan zit ik in een lucide droom en dan begint de pret. Dromen sturen, de omgeving veranderen, vliegen, onder water zwemmen zonder zuurstof, noem maar op. Zoals de vertegenwoordiger van bovenmenselijk dromen liet hij zich door zijn enthousiasme voeren. De Zeebonk dacht er het zijne van en vroeg of we hem de Vrouwenbehager wilden noemen. Dat vond zijn vrouw geen goed idee.

    We waren een weekend weg met vrienden. Huisje in de Ardennen. Met uiteenzettingen over het hammondorgel, de tafel van Gert, drie-D-printers, darkweb, Marianne Faithfull, menopauzes, antiek en aandelen tussen het wandelen en koken door. De Haarbal nestelde zich voor de open haard met de stemmen van het gezelschap als achtergrond van zijn dromen. Ik vroeg me af of de Haarbal ook lucide kon dromen en hoe zijn gids dan zou heten en of dat die gids een hond zou zijn of een mens. Daar moest de Dromer navraag naar doen.

    De ontslagbrief van het geweten was de rode draad doorheen de gesprekken de eerste dag. Wanneer (en hoe) bedanken we voor uitnodigingen op feestjes waar we niet naar toe willen gaan? Trekken we ons nog iets aan van wat anderen misschien van ons denken? En als ons dat niet lukt, maakt ons dat dan pleasers? En is dat dan goed of slecht?  De Dromer stelde voor om dat lucide dromen toch een kans te geven. De Zeebonk had “moetjes” afgezworen. Daar was zijn vrouw niet mee akkoord.

    Telefoon van het thuisfront. Ik werd om raad gevraagd. De rode draad van de dag trok zich door in het telefoongesprek. Doe je het voor jezelf? vroeg ik. Nee, zei de vriendin. Doe je het graag? Nee, werd er geantwoord. Levert het je iets op? Voltrekt er zich een ramp als je het niet doet? Er volgde nog twee keer een nee.  Dus je doet het voor iemand anders? Twijfel… misschien… waarschijnlijk… ja. Stoppen is een legitieme keuze, zei ik. Een keuze uitstellen ook. ‘Maar we blijven vrienden. Alles is vanaf nu win-win.’

    Die avond liepen de meningen over liefde en romantiek uit elkaar. Van rozenblaadjes op het bed, tot samen naar de sterren kijken. Is romantiek niet gewoon gezellig samenzijn met de partner, best nog die van je leven? Of is het meer? Mijn jeugd is iets wat ze niet meer afpakken, zei de Dromer. Wat was het een tijd, beaamde mijn Wederhelft. Zalig, zei de Zeebonk. Romantiek maakte plaats voor nostalgie. En zoals nostalgie het verleden romantiseert, zo zal romantiek verleden en toekomst idealiseren. Ze voedden elkaar en vullen elkaar aan, zei er iemand, ik weet al niet meer wie. Dat vonden de heren te zweverig, dus begon de Dromer het vervolg van zijn uiteenzetting over het lucide dromen.

    Later, zo is me verteld, botste de Dromer in zijn vlucht tegen een verlichtingspaal die op paars stond te knipperen. De Zeebonk, nog steeds sceptisch, riep dat hij voorrang van linksachter had. De Wederhelft zwom onder water naar hen toe en begon in zijn droomdagboek te kribbelen. Dat moet je doen als je wakker bent, zei de Dromer. De Zeebonk bleef herhalen: als ik droom, zal ik me herinneren dat ik droom, als ik droom, zal ik me herinneren dat ik droom…  De les lucide dromen begon zijn vruchten af te werpen.

  • 9 februari 2025

    De verdwaalde reiziger

    Verstoken tussen andere boeken was hij als een verdwaalde reiziger bij ons terecht gekomen. Die andere boeken waren afkomstig uit de nalatenschap van mijn grootvader. Stapsgewijs – begonnen op de zolder – was men, langs kinder- en slaapkamers, de keuken en het salon, bij de boekenkast aanbeland. Zoals pluisjes van een paardenbloem verspreiden zijn boeken zich nu onder het nageslacht. Dat de verdwaalde reiziger, samen met boeken van Louis Paul Boon, Willem Elschot en Spinoza mijn richting mocht uitkomen, had mijn grootvader waarschijnlijk geplezierd. Ik ben de familie daar alvast ontzettend dankbaar voor.  

    Mijn grootvader had een voorliefde voor Turkije. Hij heeft er deel van zijn leven gewoond en heeft een deel terug mee naar huis genomen. Met kruiken en tapijten, maar ook in taal, in literatuur, wijs- en wetenswaardigheden. Toch, het is ondenkbaar bijna, Turkije sijpelde niet door naar zijn keuken. Die bleef oer-Vlaams. Dat verklaart ongetwijfeld de onberispelijke staat van de verdwaalde reiziger: een Turks kookboek. Ik vermoed dat mijn grootvader, met zijn liefde voor de Turkse taal, het boek meermaals heeft doorbladerd, gniffelend en likkebaardend. Want naast de foto’s staat er bij elk gerecht de authentieke Turkse naam die daaronder letterlijk vertaald wordt. Iman Bayildi, de imam viel in onmacht, of ezo gelin çorbasi, Soep van de bruid Ezo, of çoban salatasi, herderssalade, of kazandibi, aangebrande panbodem.

    De verdwaalde reiziger had zich een plaats op de eettafel toegeëigend en werd dagelijks ook door ons ter hand genomen. Recepten werden bestudeerd, herinneringen gedeeld en onmisbare ingrediënten van de Turkse keuken opgelijst. Post-its duidden de gerechten aan die met voorrang bereid zouden worden. Moest er geoefend worden? Konden we meteen gasten uitnodigen? De eerste brainstormsessie duurde zo onverwacht een uur. Het water liep uit onze mond. Het was zaak om zo snel mogelijk de ontbrekende ingrediënten in huis te halen.

    Daar zorgde de wederhelft voor. Trots als een kind met een geslaagd knutselwerk voor Vaderdag stalde hij vrijdag de waren uit die hij in de Turkse supermarkt was gaan kopen. Hoe hij alles op zijn fiets had kunnen vervoeren is mij nog steeds een raadsel. Piment, nigella- en sesamzaad, fenegriek, sumac, kummel, bulger, linzen en Turkse yoghurt die met niets te vergelijken zou zijn… Er moest plaats gemaakt worden. De kruiden van de Thaise keuken, de mediterrane keuken en de Indische keuken kregen gezelschap. De wereld in een kruidenrek.

    En zo begint er een nieuw avontuur in onze keuken. Met de verdwaalde reiziger die ons de weg zal wijzen, staan we klaar om de smaken van de Turkse keuken te ontdekken. Een eerbetoon wordt het: aan mijn grootvader, zijn uitzonderlijke doorzettingsvermogen (dat ik ook nodig zal hebben bij sommige gerechten) en aan het Turkije van zijn herinneringen. Het is enkel nog wachten op die eerste zongerijpte tomaten en aubergines.

  • 26 januari 2025

    Vooroordelen

    Ze stapten vlak voor me de bakker binnen. Een moeder, sjofel, in afgedragen kleren, en haar zoon, die duidelijk gehaast was. In trainingspak en hippe sneakers, leek hij recht uit een videoclip van een Amerikaans rapperscollectief weggelopen te zijn. Inclusief blingbling: gouden kettingen en ringen aan zo goed als elke vinger. ‘Kies maar,’ zij hij tegen zijn moeder. Die stond bedremmeld naar de grond te kijken in de ijdele hoop dat ze erdoor zou kunnen zakken.

    Ik voelde een plaatsvervangende schaamte en terwijl ik dat gevoel probeerde te verwerken werd er op mijn schouder getikt. Het was Lieve, de “vriendin” die ik na het debacle op de kerstmarkt liever nooit meer tegen het lijf was gelopen. Ook dat was ijdele hoop als je allebei in hetzelfde dorp woont. Een dorp met één bakker en één frietkot. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg ze. ‘Een brood kopen,’ antwoordde ik. Daarop verschoof Lieves aandacht naar de moeder en haar zoon.

    De moeder kende ik van ziens. Ze woont in een van de armetierige woningen wat verderop in onze straat, waarvan ik – elke keer als ik er voorbijkom – denk: wat moet het er koud zijn. Of vochtig. Kil. Treurig. Ik denk niet dat de vrouw daarvoor ooit al ‘s bij de bakker was binnengestapt. Een brood kost er vier euro zestig en een pistolet anderhalve euro. Ik kom er omdat het de enige bakker is in het dorp. Schaarste doet vreemde dingen met mensen. Geld ook. Dat zou de jongeman bewijzen.

    ‘Kies dan Ma,’ zei hij ongeduldig. Ik zag dat zijn moeder zich kapot schaamde. Ze koos een lang wit brood. Dat was niet naar zijn zin. ‘We komen hier pistolets kopen, Ma. Koffiekoeken en taart en van die shit. Geen brood.’ Hij nam uit de koelkast achter me zes pakjes charcuterie en vroeg de bakkerin een mengeling pistolets te nemen, én vier koffiekoeken, én die appeltaart én die doos chocolaatjes. ‘Wat doe je?’ vroeg de moeder. ‘Ik trakteer, Ma.’ En dat deed hij. Cash.

    Katholiek opgevoed  schoot me daar de parabel van de verloren zoon te binnen. Maar die kwam volgens mij berooid thuis terug aankloppen. Deze jongen had tonnen geld en alle cliché’s opgeteld – incluis de gepimpte bmw die voor de deur verkeerd geparkeerd stond – had hij de publieke opinie ongetwijfeld tegen zich. Drugs, fezelde Lieve in mijn oor. Bitcoins, fluisterde ik terug. Bendelid, repliceerde ze. Rijk getrouwd, wierp ik tegen. Mensenhandel – Producer. Diefstal – Beleggingen. Je bent naïef, zei Lieve. En jij vooringenomen, antwoordde ik.

    ’t Is allemaal makkelijk te verklaren wist de docent sociale psychologie, lang geleden. Zoals water de weg van de minste weerstand kiest, zo zijn wij voorgeprogrammeerd om de dingen rondom ons heen te interpreteren op manieren die onze eigen overtuigingen bevestigen. Het is een evolutionair feit dat het makkelijker is de slechte dingen in mensen te zien dan de goede. Iedereen met zijn eigen bias. Oordelen over die vooroordelen maakt me in hetzelfde bedje ziek.

    Terwijl ik de Haarbal losmaakte viel mijn oog op de zestal jonge gastjes die kwamen toegesneld. ‘Hij was hier hé,’ zei de jongen met het skatebord. ‘Ja, ik heb hem gezien,’ antwoordde de kleinste. ‘Welke kant is hij uitgereden?’ vroeg er een ander. ‘Was dat die rapper?’ ‘Jaha, je weet wel die ene die in de gevangenis heeft gezeten.’ Lieve had het ook gehoord. Ze keek naar me met een veelbetekenende blik die zowel afkeuring als triomf verraadde. Ik glimlachte alleen maar, zag dat het verhaal complexer was dan alle voorbarige conclusies bij elkaar opgeteld en dacht: is het niet mooier om gewoon te kijken… zonder…

  • 5 januari 2025

    Voornemens

    Niet dat het een doodsvonnis was, maar het lijstje voornemens van begin 2024 leek er aardig op. En het was ook niet dat ik met het mes op de keel gedwongen werd ze neer te schrijven (en na te leven jongedame), toch waren er enkele niet te negeren waarschuwingen. De huisarts onder andere, die had me geklist met te hoge cholesterolwaarden toen ik met een veel te lange winterdip bleef rondlopen. En de jeansbroek die weerspannig werd deed ook een duit in het zakje. Zo heb ik me tegen het einde van 2024 behoorlijk klemgereden, want afgevallen ben ik niet.

    Net zoals vele anderen heb ik een haat-liefde verhouding met goede voornemens. Half Vlaanderen zegt tegenwoordig dat ze niet meer aan goede voornemens doen. Het is dat ik me ooit eens heb voorgenomen ze te blijven maken. Daarnaast heb ik zo’n donkerbruin vermoeden dat al die andere “ik-doe-niet-aan-goede-voornemens-schreeuwers” stiekem wél voornemens blijven maken, alleen schreeuwen ze het niet meer van de daken. Want als je het aan niemands neus hangt, kan je op het einde van de rit alleen maar jezelf teleurstellen. Of net niet.

    Gelukkig ben ik half Vlaanderen niet want anders zou mijn blogstuk hier al eindigen.

    Het lukt me niet altijd om goede voornemens tot een goed einde te brengen. Het paar jogschoenen (het voornemen van 2022) zat te snel terug in de originele verpakking en van de weegschaal (het voornemen van 2020) is de batterij al heel lang plat en niet meer vervangen. De app van de Weightwatchers (het voornemen van 2024) is – ondanks dat ik er een heel jaar voor moest betalen – uit zichzelf gestopt met tips en aanmaningen te verzenden. Geen gepor meer, verloren zaak moeten ze daar gedacht hebben. Zo is door de jaren heen de ronde lijn een ronde lijn gebleven.

    Natuurlijk geloof ik dat ik met een kleine inspanning die ronde vorm ovaal zou kunnen krijgen. Het zijn gewoon eigenliefde en naastenliefde die me ertoe noopten dat niet te doen. Dat zit zo:  ik kan ontzettend droef worden van vies eten én honger kan me onaangenaam hangry maken. Slechte combinatie, ik weet het – maar ik zie mezelf te graag om met een rauwe wortel in de hand ongelukkig door het leven te gaan en voor het welzijn van naasten en collega’s is het best dat ik niet hangry wordt.

    Zodoende gooi ik het dit jaar over een andere boeg: in navolging van de voornemens van 2021 (minder stress) en 2023 (stoppen met roken) denk ik dat ik dit jaar begin met positieve vibes en haalbare voornemens. Zo is er is wel een vriendschap of twee die gereboot kan worden, de smartphone gaat op grijs en er zal geschreven worden. Véél geschreven worden.

    Spoiler: hét voornemen van 2024 blijft noodgedwongen nog even doorlopen (sorry collega’s). De huisarts gaf me uitstel tot mei van dit jaar; dan moet ik opnieuw mijn bloed laten analyseren op de vermaledijde cholesterolwaarden. Nu meen ik mij te herinneren ergens gelezen te hebben – of misschien heb ik het gehoord van Tine Embrechts en co – dat samen met de (peri-)menopauze ook cholesterolwaarden de hoogte kunnen inschieten. Zie je, mijn haar wordt ook dunner en mijn huid droger. Het idee om bij de huisarts de “peri”-kaart te trekken krijgt zo steeds meer vorm, maar weet: ik kies rond-uit voor naastenliefde.

  • 22 december 2024

    De Kreuner

    De buurman staat niet meer voor dag en dauw op. Dat deed die vroeger wel. Toen liet hij vanaf een uur of vijf (’s nachts!) de motor van zijn camionette onder ons slaapkamerraam draaien omdat zijn verf niet mocht afkoelen. De buurman is een binnenhuisschilder en binnenhuisschilders zijn blijkbaar elke ochtend lang in de weer met het nemen, verplaatsen, terugzetten, inladen, verdraaien en verschuiven van werkmateriaal. Ik heb hem daar ’s over aangesproken – niet over hoe hij zijn werk efficiënter zou kunnen organiseren – wel over dat laten draaien van die camionette en het gestommel onder het slaapkamerraam. Hij ging “zien wat hij er aan kon doen”. Drie maanden later waren onze gordijnen vervangen door een licht- en geluidswerend rolluik.

    Nu hoor ik de buurman vanaf een uur of zeven ’s morgens. Niet meer onder ons slaapkamerraam, maar door de muren heen. Het is weeral even geleden dat hij zijn camionette nog heeft ingeladen. Misschien is hij uiteindelijk wél aan de slag gegaan met mijn opmerking over het ochtendlijke gestommel. Misschien is hij ziek. Niet dat het er veel toe doet, want nu ligt de focus op het ophoesten van rochels in de ochtend en daarna is er gekreun, de hele dag lang. Het is een gekreun dat ik niet associeer met die ochtendlijke rokersreutel, maar wel met zijn Thaise vriendin die nog steeds in Thailand woont en waar hij naar toe wil. Dat hoor ik hem zeggen in de vurige telefoongesprekken die hij zo een keer per week met haar voert. ‘I Come to You. Soon,’ roept hij dan in Apu-Engels.

    Ik loop niet hoog op met Kreuners. Kreuners bezorgen me rillingen en ik hou niet van rillingen. Rillingen heb je niet onder controle. Ze zijn een van de (zichtbare) lichamelijke reacties verbonden aan emoties die ik niet voelen wil: schrikreacties bijvoorbeeld, empathische pijn is er ook eentje, en dan wat de Kreuners in me teweeg brengen: afschuw. Ik kan er niet mee om. Niet met de man die zich op de camping in een douchecabine kreunend afdroogt, niet met de werkman die kreunend een nieuwe kabel door het plafond trekt en niet met de buurman die zich kreunend naar een hoogtepunt toewerkt.

    Natuurlijk heb ik de buurman zo langs mijn neus weg gevraagd naar zijn gezondheid. Uit compassie, eigenbelang, en bezorgdheid ook, maar die was: ‘tiptop, behalve dan een klein rokershoestje zo ’s morgens af en toe’. Dat ik hem kon horen hoesten, wilde ik antwoorden, maar ik zweeg. Net zoals ik zweeg over de niet-zo-dikke gemeenschappelijke muur en over het gekreun dat ik de hele dag hoor. Toch was het een gamechanger: de wetenschap dat het kreunen van de buurman niet gezondheidsgerelateerd was maakte dat de empathische pijn uitgeschakeld kon worden. Daartegenover stond wel dat de plaatsvervangende emotie afschuw in uitvergrote proporties het haar op mijn armen deed rechtkomen, telkens ik de rukker, excuus, de rakker hoorde kreunen.

    Dus liet ik de radio heelder dagen opstaan. Ik praatte ook luider, in de hoop dat de buurman zou doorhebben dat wanneer hij mij, vice versa ik hem ook, horen kon. ‘Brengt geen zoden aan de dijk,’ zei de wederhelft terwijl hij het volume van de radio lager zette. Hij wist dat de buurman niet meer zo goed hoort en dat de man een sportfanaat is. Met name dan van cafésporten. Nu beeld ik me in dat buurman thuis in zijn zetel met een blik carapils en een koude pizza naar dartswedstrijden kijkt op een of andere sportzender. En dat de vele dartscompetities héél intens zijn om te volgen. En dat er héél veel pijltjes doel missen… En dat de buurman dan héél erg kreunt van de empathische pijn… De arme rakker.

  • 8 december 2024

    Kerstmarkt

    Mijn geloofwaardige-excuses-trommel was vorig jaar al leeg. Maar toen kon ik tenminste nog corona veinzen. Nu liggen de mondmaskers ergens onderaan in de kast en word je uitgelachen als je een verkoudheid ervan verdenkt een laatste stuiptrekking van de pandemie te zijn. Uiterst zelden zeg ik toe op dingen die ik niet graag doe. Daar is het leven te kort voor. Ook hou ik niet van drukte, temperatuurverschillen, duisternis, knisperende vuurkorven en ik lust al hélemaal geen jenever. Maar Lieve liet uitschijnen dat dit wel ‘s mijn laatste kans kon zijn. Je kan niet eeuwig uitnodigingen blijven afslaan, zei ze. Dus stemde ik in om met haar naar de kerstmarkt te gaan. Nog een keer passen zou betekenen dat Lieve me nergens nog voor zou vragen. Misschien was dat haar bedoeling, dacht ik nog, want ze wist donders goed dat ik kerstmarkten haat.

    Drie dagen lang rekende ik erop dat het voorspelde stormweer de organisatie ertoe zou nopen om de bazaar te annuleren. Helaas, wanneer de eerste foorkramers door de straat reden kon ik alleen nog op een afzegging van Lieve hopen. Niemand wil bij vijf graden Celsius voor zijn plezier regen en wind trotseren, ook Lieve niet. Ik besloot het lot een duwtje te geven en vroeg haar in een bericht of ze het weerbericht al bekeken had. Dat had ze, en dat ik het ook positief kon bekijken: door het slechte weer was de kans klein dat het er druk zou worden. De smiley die ze erachteraan plakte was voor weinig interpretatie vatbaar: ze dreef de spot met me en daar had ik een hekel aan.

    Klokslag acht uur stond ik naast de kerststal op het dorpsplein in de dikke, donkergrijze rook van smeulende vuurkorven te wachten op Lieve. Mijn paraplu, stukgewaaid, had ik onderweg in een vuilnisbak achtergelaten. Met afgunst keek ik naar de ezel,  de geit en de kippen die knus in het droge stro naast Jozef en Maria wel konden schuilen voor de rukwinden en de slagregen. Lieve (status: vrolijk) kwam meer dan een kwartier te laat. Ze had het einde van de hevigste regen afgewacht en zei dat ze echt wel gedacht had dat ik dat ook zou doen. Een verontschuldiging kwam er niet. Het was de tweede keer dat het door mijn hoofd flitste dat een einde van onze vriendschap misschien niet zo heel erg zou zijn. Maar vrienden waren we daar op dat moment vooralsnog wel, dus probeerde ik te glimlachen.

    Omdat het mij geen bal uitmaakte welke kramen we zouden bezoeken – en al helemaal niet in welke volgorde – liet ik het initiatief aan Lieve. Ze ging doelgericht langs de jeneverkramen van de scouts, de molengilde en de KLJ waar ze achtereenvolgens appeljenever, meloenjenever en oude Bols achteroversloeg. Bij het hamburgerkraam stelde ze vast dat ik weinig appetijt had. Je weet dat ik geen jenever lust en geen hamburgers eet, zei ik. Daar was ze het niet mee eens; hoe kon zij dat weten, want we waren in geen eeuwigheid nog samen uit geweest. De gedachte aan een (nabije) toekomst zonder haar, begon er vanaf dan steeds appetijtelijker uit te zien.

    Er waren al een paar rukwinden over het dorpsplein gescheerd maar een welgekomen pittig exemplaar bracht Lieve uit haar evenwicht. De hamburger kwakte tegen de grond, maar niet voordat het ding eerst een lang ketchupspoor over haar jas had getrokken. Vriend of vijand, behulpzaam als ik ben, liep ik naar het hamburgerkraam om extra servetten te gaan halen. Daar botste ik op een bullenbak (status: hongerig) die niet wilde dat ik voorstak. Ik probeerde nog te verduidelijken dat het mij enkel om de servetten te doen was, maar het wilde niet doordringen. De discussie ontaardde in een verbale krachtmeting waar ik me niet van mijn beste kant liet zien. Hij kon de boom in.

    Op de terugweg zag ik mijn buurman (status: strontzat) op me afkomen. Het was me ter oren gekomen dat hij nog een eitje met me te pellen had na het propagandakoekjesdebacle dat ik had met zijn vrouw. In poging hem te ontwijken liep ik in een grote boog rond de kerstmarkt heen. Bij Lieve aangekomen bleek dat het ketchupspoor verdwenen was. Dat ik traag was, zeurde ze, en dat haar broer al te hulp was geschoten. Broer, vroeg ik, maar ik zag hoe laat het was. De bullenbak van het hamburgerkraam keek me smalend aan. Ik wist niet hoe ik me daar nog kon uitpraten, en eerlijk gezegd: ik had er ook geen zin meer in. Mijn besluit was genomen en samen met dat besluit blies een rukwind de lichten van de kerstmarkt uit.

←Vorige pagina
1 2 3 4 … 9
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 67 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen