Lierisch Hoorspel

Het eindwerk werd ingediend. Er is terug tijd om te bloggen. Gelukkig was er het hoorspel, waardoor er wat te bloggen valt. Maar toegegeven: dat er een gelukje inzat, is iets wat op het moment zelf niet tot me doordrong. Kort samengevat: Lierische Kunsten is de opendeurdag van de Podiumacademie Lier, waar ik nu vier jaar les volg. Het is een dag vol optredens, doe-dingen en toonmomenten van leerlingen. Zo ook van onze klas (scenario schrijven) dat gevraagd werd een hoorspel te schrijven. Gestoeld op een sprookje dat bovendien niet langer dan tien minuten mocht duren.

Na een brainstormsessie of twee werd duidelijk: er was geen bruikbaar sprookje kort genoeg. Er zou met een ferme plottwist afgeweken moeten worden van het origineel: Een wolf met het prikkelbare darmsyndroom die Roodkapje niet durft op te eten; De boze Koningin die met cosmetische chirurgie terug de mooiste van het land wordt, waardoor Sneeuwwitje de zeven dwergen nooit ontmoet. Of Assepoester die helemaal niet naar het bal van de prins wil omdat het een klier van vent is. Het werd die laatste.

Onnoemlijk groot was het plezier dat mijn medestudenten en ik hadden bij het schrijven van het scenario. Gegierd hebben we met het verzinnen van dubbele bodems. Gehuild van het lachen met het uitwerken van alternatieve personages; hongerige tweelingzussen, een spirituele schoonmoeder en een wellustige machoprins. De voorpret was niet te drukken en het verhaal niet meer te herkennen. We zouden het “Toonmoment Schrijven” afsluiten met een hilarische knaller en met die instelling zaten ik en mijn medestudenten op de achterste rij (geflankeerd door wederhelften en familie) al te gniffelen nog voor het toonmoment van start ging.  

De wederhelft gniffelde niet mee. Hij zat naast me, ongeïnteresseerd onderuitgezakt. Pas bij het binnengaan had hij in het programmaboekje de volgorde van de stukken bekeken. De studenten van de klassen Poëzie, Non-fictie en Proza zouden ons voorgaan. Ik vroeg hem wat rechter te gaan zitten. Want zelfs al was hij het niet, het kon geen kwaad wat interesse te veinzen. Dat deed hij, met lichte tegenzin, en samen met de andere toehoorders applaudisseerde hij beleefd bij de introductie en de voorstelling van de drie dichters die voorlazen uit eigen werk.

De eerste, een man met verwrongen gezicht, bracht drie gedichten over pijn. De tweede, een dame met pekzwarte haren en grote rode bril, debiteerde drie verzen over een niet zo mooi Japan. De laatste, een jonge vrouw met droevig uiterlijk, kwam aanzetten met een drieluik over stukgelopen relaties. Tijdens het bescheiden applaus zei de klasgenoot rechts van me ‘dat poëzie zich moeilijk leent tot humor’ en links van hoorde ik ‘dat er nog voldoende kansen tot kentering zouden komen.’ Maar die werden alvast niet gebracht door de twee leerlingen van het departement Non-fictie.

De eerste, een man van rond de zeventig, bracht een uiteenzetting over Trump, Poetin en andere slechteriken. En de ander, een fragiele dame, vertelde een verhaal over Auschwitz en een hoofdpersonage dat op het einde sterft van ontbeering. Ze had het stuk vanbuiten geleerd en bracht het doorleefd, met weidse armgebaren en hartroerende dramatiek. Het applaus dat daarop volgde bewees dat ze of een héél grote familie had meegebracht of dat de zaal gevuld zat met liefhebbers van het genre. Wat het ook was, de hoop van onze klas was gevestigd op die van de klas Proza.

De klas Proza bracht stukken waar je evenmin vrolijk van werd en de laatste, voor het onze beurt zou zijn, bracht een hoofdstuk uit een verhaal waar een hulpverlener landt op de luchthaven van een regio, getroffen door een verwoestende aardbeving. Ze had niet op details bespaard. Je kon een speld horen vallen. Daar waar wij, de scenaristen in spe, op de achterste rij, bij aanvang van de voorstelling alvast klaar zaten om lachsalvo’s aan te steken die als golven op de eerste rij zouden stranden, zaten we bij het applaus voor de klas Proza zo ver onderuit geschoven dat niemand ons nog kon zien.

Alle hoop op een goede uitkomst was gesmoord. Onze juf, met angstzweet op haar voorhoofd, deed bij de introductie van ons hoorspel nog een verdienstelijke poging om te redden wat er te redden viel. Dat het een humoristisch stuk was en dat ze hoopte dat er gelachen zou worden. Ik dacht de zaal te horen snuiven en vanaf de eerste voetstappen in het hoorspel wisten we dat het om zeep was. Er was niemand die lachte. Of zelfs maar glimlachte. Tien minuten lang. Het was gênant. En wanneer de laatste noten van Queens ‘Another one bites the dust’– pijnlijk goed van toepassing – wegstierven was er niemand die wist wat ze van het hoorspel moesten denken.

Er volgde niet meteen applaus, maar dat was buiten de wederhelft gerekend. Die veerde op, luid applaudisserend.  ‘Zet je recht. Veins tenminste wat beroepseer,’ zei hij. ‘Ten ondergaan doe je met het hoofd opgeheven.’ Doe hem ophouden! De gedeelde blikken van mijn klasgenoten waren niet mis te begrijpen. Dus trok ik de wederhelft aan zijn broek naar beneden, maar het kwaad was geschied: de makers van het stuk ontmaskerd.

Eén reactie op “Lierisch Hoorspel”

Plaats een reactie