Het is zo’n drie maanden geleden gebeurd. De getuigen zullen niet meer weten dat ze überhaupt van iets getuige zijn geweest. Ook niet op welke plek dat was. Mijn gezicht zal in al die herinneringen vervaagd zijn. Net zoals de lange rode zomerjurk, de bruine haren onder de muts, de vreemd gevulde fietstassen en de rieten mand aan het stuur. Ze hebben helemaal niets gezien. Geen drama. Geen paniek. Geen noodgeval. Misschien een vrouw, van middelbare leeftijd, die (te licht gekleed voor de tijd van het jaar) naast haar fiets stond. Heel gewoon op misschien een ongewone plaats, maar verder niets bijzonders. En zo werd het voorval vergeten.
Ik zat nog niet aan de hormonen. Dwaasheden, stommiteiten en debiele voorvallen waren nog de orde van de dag. Dagen konden een aaneenrijging van pech zijn. Alsof de hele wereld tegen me was. De mist in mijn hoofd en de continue vermoeidheid, die zich als een irritante levensgezel onder mijn vel hadden genesteld, waren altijd aanwezig, nooit behulpzaam. De afzonderlijke delen van mijn lichaam werkten nog wel, maar duidelijk niet meer samen. Mijn leven en lichaam voelden alsof de spelregels waren veranderd. Zonder overleg, of zonder me de nieuwe spelregels uit te leggen. Elke dag was balen. En de ene wat meer dan de andere.
Die bewuste dag, had ik – geluk bij een ongeluk – een redelijk goede dag. Ik was op tijd én voorbereid de fiets opgesprongen. Voorbereid wil zeggen dat ik een leuke zomerse jurk en lange vest aanhad, omdat de koukleumen op kantoor in de meerderheid waren en niet compatibel met mijn vapeurs. Niet zo heel ver van huis werd ik een weerstand gewaar. Nog voor ik me kon afvragen wat er aan de hand was, kwam mijn fiets abrupt tot stilstand. Bovendien hadden de vest en jas me op het zadel vastgeschroefd, waardoor ik – als in een cocon – kwam vast te zitten. Het daagde meteen: een van de kunstige stroplintjes onderaan mijn vest, was verstrikt geraakt in het draaiende achterwiel. Ik kon geen kant meer uit, laat staan met de voeten aan de grond.
Helemaal tot stilstand gekomen moest ik wachten tot ik langzaam opzij zou beginnen vallen. Dat gebeurde in slow motion tot ik met het puntje van mijn linkervoet de grond raakte. Ik haalde opgelucht adem, maar zat dan nog wel steeds vastgesnoerd op het zadel van de fiets. Als een vlinder heb ik me uit de lange cocon kunnen wriemelen: eerst de schouders, dan de kop en daarna de armen. Om vervolgens, bij een temperatuur zo rond het vriespunt, in mijn zomerse rode jurk, het debacle te maskeren. Met de grootst mogelijke nonchalance probeerde ik de vest en jas (nog steeds verstrikt in het achterwiel) in mijn fietstassen te proppen, in de hoop dat niemand zou merken wat er gebeurd was.
Daar blijven staan tot de ochtendspits voorbij was, was natuurlijk ook geen optie. Dus begon ik te prullen. De jas kon ik redden maar de lintjes en de vest waren een verloren zaak. Er zat niets anders op dan de wederhelft op te trommelen (Breng een schaar mee!) en hem daarna terug naar huis te sturen om het fietsenrek te halen. Dat ik dat niet had zien aankomen, fulmineerde hij, maar dat het al zo lang goed is blijven gaan, repliceerde ik. Mijn redder in nood leende me, met enig wantrouwen, zijn fiets uit, maar was tegelijkertijd onverbiddelijk: het zadel ging zo laag mogelijk en er mochten op de fiets enkel nog broeken (met broekklem!) gedragen worden. De wederhelft opperde nog iets over veterloze schoenen, maar ik deed alsof ik hem niet kon horen, was al terug op weg, er was geen tijd meer te verliezen.



Eén reactie op “Zonder getuigen”
😵💫🥴😂
LikeLike