De trap

Ik zat al terug op de fiets, op weg naar het volgende onaangekondigde huisbezoek, toen ik iemand hoorde roepen: ‘Ja? Ja?’  Ik keek om me heen. Er was verder geen ziel te bespeuren, dus de kans dat er op mij geroepen werd was bijzonder groot. Maar ik zag dus niemand, ook niet in de deur waar ik zonet vruchteloos aangebeld had. ‘Ja?’ De stem galmde tussen de rijhuizen en kwam duidelijk van hogerop. Ik richtte mijn blik naar boven. En inderdaad: boven de garagepoort van makkelijk vier meter hoog stak een man met een warrige grijze haardos zijn hoofd uit het raam. ‘Komt ge voor mij?’

‘Denk ik wel,’ riep ik terug en voor alle zekerheid gooide ik de naam van de man die ik zocht erachteraan.

‘Dat is mijn naam!’ riep hij terug.

‘Wel, dan wil ik u spreken!’

‘Gaat het over die veertienduizend euro?’

‘Nee, niet over veertienduizend euro,’ stelde ik hem gerust.

‘Ik kom naar beneden, riep hij. Moet ik iets meebrengen?’

Moet ik iets meebrengen. De woorden zullen me nog lang achtervolgen, maar daar, op dat moment, zag ik er geen graten in. Ik maakte me ervanaf met een kwinkslag: ‘Een goed humeur, meneer.’

‘Watte?’ De man had me niet gehoord. Misschien was dat maar goed zo. De grap zou op een koude steen gevallen zijn, nog voor die het raam van die hele hoge eerste verdieping bereikt had.

‘Niets, meneer.’

De man sloot het raam en deed na lang wachten de voordeur open. Op zijn pantoffels en in zijn oude velours kamerjas leek hij weggelopen te zijn uit een aflevering van Columbo. Ik legde hem uit dat er een achterstal was bij de watermaatschappij waarvoor ik samen met hem een oplossing wilde zoeken om zo een begrenzing te voorkomen (want dat is wat ik doe tussen negen en vijf: afsluitingen en begrenzingen van nutsvoorzieningen voorkomen).

‘Vierhonderd tweeënvijftig komma zessendertig, om precies te zijn,’ specifieerde ik.

‘Maar, ik heb gisteren alles betaald,’ zei hij, en: ‘Wacht, ik zal ’t u laten zien.’

Héél traag zag ik hem zich een weg banen – tussen dozen, kapotte stoelen en een afgedankte compressor – naar de steile trap, en nóg trager zag ik hem die trap opgaan. Vijf minuten duurde zijn queeste. Terug in de deuropening foeterde hij op de tablet die niet wilde meewerken.

‘Kijk,’ zei hij na een hele tijd en hij duwde een bewijs van zijn betaling onder mijn neus.

 ‘U draaide twee getallen om,’ constateerde ik.

‘Watte?’

‘Zie daar, meneer: de vijf en de twee. U betaalde vierhonderd vijfentwintig. Geen vierhonderd tweeënvijftig.’

‘Dat is juist.’

‘Dus u betaalde te weinig.’

‘Maar nee, meiske! Ik betaalde exact het gevraagde bedrag,’ zei hij en ‘Wacht, ik zal ’t u laten zien.’

En nog voor ik hem kon tegenhouden, baande hij zich een weg tussen de rommel en ging hij de trap op. Vijf minuten later stond de man terug beneden. ‘Kijk, meiske. Hier staat het: in deze brief.’ Hij duwde een vodje papier in mijn handen.

‘Hier staat vierhonderd tweeënvijftig. Geen vierhonderd vijventwintig, meneer.’

‘Watte?’

‘Zwart op wit, meneer. Vergelijkt u de twee. Kijk: hier in de brief… en daar op je tablet… De vijf en de twee…’

‘Die zijn omgedraaid, meiske.’

‘Dat kan de besten overkomen, meneer.’

De man keek op, zijn leesbril schoof naar het puntje van zijn neus. ‘Ik zen awen tijd aan ’t verdoen, hé.’

‘Het is oké, meneer. Dit is mijn job. Ik maak graag tijd voor u.’

‘Hoe gaan we dit oplossen, meiske?’

Ik nam een pen en de stapel dossiers met het zijne bovenaan en antwoordde: ‘Ik zal me informeren bij de watermaatschappij en u dan laten weten hoeveel u nog exact moet betalen. Doe ik dat via mail of wilt u dat ik u opbel?’

‘Ik ben ne ouwen vent, meiske. Kunt ge bellen?’

‘Natuurlijk. Wat is uw telefoonnummer.’

Hij gaf zijn nummer, begon te twijfelen en zei dan: ‘Wacht, ik ben niet zeker.’

Weer baande hij zich een weg tussen de rommel, weer klom hij zijn trap op en weer duurde het vijf minuten voordat hij terug beneden stond. Ik was ondertussen al in de weer met het voorbereiden van mijn volgende huisbezoeken in de hoop zo wat tijd te kunnen inhalen en daar was ik mee bezig toen hij in de deuropening verscheen met zijn gsm in de hand.

‘Amai, ge hebt precies nog veel werk.’

‘Dat is maar een gedacht, meneer,’ glimlachte ik.

Na even scrollen in zijn contactenlijst vond hij zijn nummer en verwisselde twee cijfers.

‘Misschien dat u voor alle zekerheid ook uw gsm-nummer opgeeft?’

‘Dat heb ik niet.’

Maar u heeft uw gsm in uw handen.’

‘Ja, het toestel mevrouw, maar dat nummer ken ik niet vanbuiten. Dat ligt boven. Zal ik…?’

‘Laat maar,’ zei ik in de stelligste overtuiging dat de man niet vaak zijn huis verlaat.

‘Ik zen awen tijd aan ’t verdoen, hé.’ Ik begon te vermoeden dat hij dat wel vaker zei.

‘Geen probleem, meneer. Ik zal u op de hoogte houden.’ Ik overhandigde hem een kaartje met mijn contactgegevens. ‘Als u nog vragen heeft, aarzel niet en bel me op dit nummer.’

Dat deed hij nog diezelfde dag, en de dagen erna…

Eén reactie op “De trap”

Plaats een reactie