Garageverkoop

Samen met het bericht dat er een garageverkoop werd georganiseerd bij ons in de straat, kwam ik mijn notities tegen die ik nam na ons bezoek aan de rommelmarkt vorig jaar. Toen ontstond het idee dat wij ook een slag konden slaan. Onze garage staat namelijk vol met brol die daar verkocht wordt. We zouden echt een serieuze cent kunnen bijverdienen. Het idee van een garageverkoop was dus geniaal: geen gedoe met bananendozen of vouwtafels, nee: dat was allemaal niet nodig. Ik zou de rommel, zonder al te veel moeite, gewoon kunnen uitstallen op de oprit. Ik zag het geld al binnenstromen en beloofde de wederhelft om met de opbrengst op restaurant te gaan. Hoe groter die opbrengst; hoe chiquer het restaurant.

De dag van de verkoop stond ik vroeg op en ging meteen aan de slag met vier schragen en twee oude schilderdeuren die dienst zouden doen als tafel. Met de reclame die er gemaakt was, verbaasde het me niet dat er in alle vroegte al een auto met aanhangwagen traag voorbijgereden kwam. ‘Te koop?’ vroeg de man vanachter zijn stuur. ‘Ik heb nog niets uitgestald,’ zei ik en wees daarbij naar de lege tafel.  Dat interpreteerde hij anders dan dat ik bedoeld had. Hij stapte uit en kwam de deuren bekijken. ‘Hoeveel kosten ze?’ ‘Deze gebruikte deuren? Die verkoop ik niet. Dit is mijn tafel.’ ‘Alles is te koop,’ antwoordde hij, alsof hij de uitdrukking daar ter plekke had uitgevonden. Omdat ik zelden een opportuniteit uit de weg ga, vroeg ik wat hij er voor wilde geven. ‘Tien euro,’ zei hij. ‘Veertig,’ antwoordde ik. ‘Twintig,’ zei hij. ‘Dertig of vertrekken.’ Hij ging akkoord. Mijn eerste verkoop was een feit.

De wederhelft kon er niet mee lachen. Hij moest snel-snel een veel te grote betonplexplaat transformeren tot nieuw tafelblad. Die plaat koste meer dan het dubbele van wat ik voor de deuren had gekregen. De dertig euro die ik had verdiend kon ik dus al meteen afgeven. Daarna stapte hij het boos af. Met een kleine knoop in mijn maag begon ik de spullen die ik verzameld had toch uit te stallen en bond ik de haarbal vast aan de tafel. Dat had ik vorig jaar ook genoteerd. Hij zou mijn publiekstrekker zijn. Als het meezat kon hij een opstopping veroorzaken. Iedereen zou halt houden ter hoogte van nummer tweeëntachtig. Of op z’n minst moeten vertragen.

Rond tien uur begon er aardig wat volk samen te troepen bij de haarbal. Een dame die haar dochter er had naast gezet, bestudeerde enkele van mijn oude jurken. ‘Zijn die van jou geweest?’ vroeg ze. ‘Allemaal,’ antwoordde ik. Daarbij taxeerde ze me van kop tot teen, nam een jurk van de kleerhanger en hield die met gestrekte armen denkbeeldig voor mijn lijf. ‘Toen was je beduidend…’ ‘Als je die zin afmaakt, vrees ik dat ik het dubbele zal moeten aanrekenen,’ onderbrak ik haar. ‘Hoeveel kosten ze dan?’ vroeg ze. ‘Nu nog vijf euro.’ De wederhelft die er was komen bijstaan, stelde voor dat ik even zou pauzeren. De haarbal deed zijn job met verve, maar hij was bang dat ik potentiële kopers zou afschrikken.

Lang bleef ik niet weg. De tijd die je nodig hebt om een tas thee te zetten. Wanneer ik terug bij het kraam kwam staan, zag ik dat er echt al veel verkocht was. De pot met oude vijzen en spijkers was weg. Een groot deel van het verroeste gereedschap ook. Net als de berg Tupperware van Chinese makelij die de wederhelft vorig jaar nog op de rommelmarkt had gekocht. Wel zag ik dat mijn volledige boekenreeks van de Zeven Zussen in het midden van de tafel was uitgestald. Ik begon naar adem te happen. ‘Hoe is die daar geraakt, die heb ik niet…’ De wederhelft onderbrak me: ‘Wacht even, schat. ik heb net een koper, denk ik,’ en wuifde me weg. ‘Vijf euro,’ zei hij tegen de jongedame. ‘Voor de hele reeks?’ vroeg ze ietwat verbaasd. Hij knikte, breed glimlachend. ‘Waar ben je mee bezig?’ fezelde ik. ‘Die betonplexplaat terugverdienen,’ repliceerde hij zonder me aan te kijken. ‘Zo gaan wij geen vrienden blijven,’ fluisterde ik in zijn oor en griste de reeks van de tafel.

Nadat ik de boeken op een veilige plek had weggeborgen, viel mijn oog op mijn (gereduceerde) verzameling blikken koekendozen. Ik dacht dat ik uit mijn vel ging springen. “Hoeveel heb je er daar al van verkocht?’ gilde ik. ‘Nog maar vier. Ik had verwacht dat ze een groter succes zouden zijn,’ antwoordde de wederhelft koelbloedig. ‘Ben je helemaal gek geworden! Je verkoopt de spullen die ik hier op tafel heb gezet. Of helemaal niets.’ Ik duwde de overige koekendozen in zijn handen en joeg hem weg. Wat dacht hij wel… Daarbovenop was de bokaal die dienst deed als kassa zo goed als leeg. Alsof hij alles gratis had weggegeven om er vanaf te zijn. Een hulp was hij niet geweest.

In de daaropvolgende week bleek dat de wederhelft niet alleen een groot deel van mijn bloempotten ongevraagd had verkocht. Ook de zak potgrond die er naast stond en twee van mijn tuinkabouters waren verdwenen. Toen ik er in de garage naar op zoek was, botste ik op de pot met oude vijzen en nagels. Daaronder vond ik een doos met verroest gereedschap en een zak met goedkope Tupperware van Chinese makelij. Triest was het. Net zoals ons uitje naar de lokale kebabzaak. De wederhelft stond erop om daar te gaan eten. Ik had hem tenslotte een restaurantbezoek beloofd. Een kleine döner kebab met een portie friet kon er nog net af na de aankoop van een nieuwe betonplexplaat.

2 reacties op “Garageverkoop”

Geef een reactie op Mama Reactie annuleren