De krant

Alsof het universum er mee gemoeid was – of de postbode had mijn blog gelezen, dat kan ook – werd de krant vorige week maandag en dinsdag niet bezorgd. Toegegeven, ik weet dat ik schreef dat ik mijn abonnement op de krant zou stopzetten. Maar zo letterlijk bedoelde ik het ook niet. Die eerste maandag had ik mijn probleem nog netjes via de website gemeld. Dinsdag belde ik de klantendienst. De dame aan de andere kant van de lijn zag het probleem niet. Ik kon de krant die gemiste dagen toch ook gewoon digitaal lezen? Zo’n drama hoefde ik er niet van te maken, toch? In volgorde: nee, en jawel: het is een wereld van verschil! De letters van de stukjes van Dalilla of Hans Cottyn bijvoorbeeld die als suikerkristallen ’s morgens mijn koffie zoeten. De bladzijden die zich bij de eerste keer omslaan moeilijk laten temmen. Het geknisper. De geur van vers gedrukte inkt. Fuck néé! Niet dezelfde beleving op een schermpje van 16 op 7!

Mijn tirade legde weinig zoden aan de dijk want na woensdag – veel te laat – werd donderdag de krant niet geleverd. Tegen vrijdagmiddag kon ik wel uit mijn vel springen.  De (banale – ik weet het) stress die gepaard ging met de onwetendheid over de bezorging van mijn dagelijkse dosis letters deed me besluiten om de krant definitief op te zeggen. Ik werd er toch alleen maar ziek van. Als het niet van het nieuws in de krant was, dan wel van het nieuws dat ik miste. Vastbesloten belde ik opnieuw naar de klantendienst. Ik was het beu, zei ik, en beëindigde daar, voor eens en voor altijd, het tijdperk van de papieren krant. Althans dat was de bedoeling. De dame aan de andere kant van de lijn wist me ervan te overtuigen dat niet te doen. Wat had ik aan een abonnement als de krant niet bezorgd werd, opperde ik. Ze vroeg een week om het probleem uit te pluizen. Die tijd kreeg ze nog.

Diezelfde namiddag werd er aangebeld. De buurman van nummer vierentachtig stond er met een stapel gelezen kranten onder zijn arm. Hij had zijn queeste al opgegeven, was overal gaan aanbellen, totdat zijn vrouw voorstelde om toch ’s op de tweeëntachtig te proberen. Het was een wanhoopspoging. Ik wilde niet weten waar hij allemaal al was gaan informeren, zei hij. Dat hoefde ik inderdaad niet te weten. Toch somde hij zijn stappen op: bij de Duitse buren van nummer zessentachtig, bij de Turken, de gepensioneerden van de tweedehandswinkel wat verderop, zelfs aan de overkant van de straat (de oneven nummers!) bij de Viking en de Vertegenwoordigster. Dat het niet in hen opkwam dat wij, zijn naaste buren, mogelijks een kwaliteitskrant lazen, zegt veel over hoe hij over ons denkt. Of wat hij van de Standaard vindt, kan ook. Flutgazet.

De dag erna werd de weekendkrant met alle bijlagen geleverd. In welke staat ga ik niet uitleggen. Laat ons het erop houden dat er plakband aan te pas kwam. Toch, ik was gelukkig. Voor even, want daarna begon de mallemolen gewoon opnieuw. Maandag te laat. Dinsdag niet. Van de klantendienst hoorde ik niets meer. Dus ging ik op vinkeslag liggen. De postbode zou later op de dag nog een weekblad bezorgen, wist ik.

Van zodra ik de brievenbus hoorde klepperen, stormde ik naar de voordeur. De postbode was op dat moment al enkele huizen verder. Postbode! Riep ik. Ik moet iets vragen! Op mijn sokken ging ik hem achterna en deed mijn verhaal. De postbode, vriendelijk en uiterst begripvol haalde zijn notitieboekje boven. Er scheerde een loslopende hond langs mijn been. Welke onverlaat laat er hier zijn hond loslopen, dacht ik, en huh? Die viervoeter lijkt verdacht hard op onze haarbal. Fuck! Het is de onze! Ik had de voordeur open laten staan.

Zonder halsband, naakt, liep de haarbal zijn vrijheid tegemoet. Ik ging erachteraan, dook naar beneden. Greep naar zijn loshangend vel. De postbode kon niet wachten. Hij was gehaast. Hij wilde nog wel het telefoonnummer van het kantoor meegeven. Met beide handen vol hondenvacht, zonder balpen, zonder papier, hoe kon ik in godsnaam iets noteren? De postbode zag het dilemma. Haalt u me in, stelde hij voor. Ik knikte, worstelde met de haarbal tot bij de voordeur. Duwde hem het deurgat in, griste het weekblad van de vloer en zette op mijn kousenvoeten de achtervolging op de postbode in. Een balpen was ik vergeten. Desnoods noteer ik het nummer in bloed op de achterzijde van het weekblad, dacht ik. Zo ver heen was ik. Dat ik de deur had toegetrokken met de sleutel aan de binnenkant in het slot was een probleem voor later. Ik bleef rennen. Gelukkig kon ik de balpen van de postbode gebruiken. Bloed kwam er niet aan te pas. Nog niet.

Eén reactie op “De krant”

Geef een reactie op chrisvanriel2015 Reactie annuleren