Recyclagepark

De wederhelft en ik hadden de aanhangwagen zorgvuldig ingeladen, elke denkbare fractie van elkaar gescheiden. We zouden in het recyclagepark maar één rondje moeten maken en alle rommel op de daarvoor bestemde plek deponeren. We kenden de volgorde van de containers, hadden zelfs geen restafval bij. Het kon onmogelijk misgaan.

Bij het containerpark aangekomen stapte ik uit de wagen en trok mijn handschoenen aan. De wederhelft reed naar de eerste container. Daar kieperden we samen de stukken van een gebroken gipsplaat in. Bij de tweede container bleef hij achter het stuur zitten, de twee planken kon ik snel wel alleen in de container gooien. Ik klom het trapje op en net voordat ik ze in de container wilde werpen, stak een medewerker in oranje plunje, net zoals een stokstaartje, zijn kop boven de rand: ‘Wat denken we dat we aan het doen zijn?’ ‘Dit is hout toch?’ opperde ik. ‘Nuance: je hebt bewerkt hout in je handen. Dat mag niet in deze container.’ Ik keek naar de planken in mijn handen en vroeg me af waar hij op doelde maar besloot er geen halszaak van te maken. ‘Waar moet ik er dan mee blijven?’ vroeg ik. Hij wees naar een container aan de andere kant van het park. Ik keerde terug naar de auto, legde de planken bij het andere houtafval en negeerde het stokstaartje dat me onbeweeglijk bleef nakijken tot we ver genoeg van zijn container verwijderd waren.

Bij het tuinafval stapte de wederhelft wel uit. Na wat verdorde eenjarige bloemenstruikjes grepen we naar vier ferme graszoden. ‘Grond!’ werd er achter ons geroepen. Een collega-stokstaartje zwaaide met zijn schop hoog boven zijn hoofd gestoken. ‘Grond! Kluiten zijn grond!’ verduidelijkte hij. ‘Gras,’ repliceerde ik, ‘graskluiten zijn gras.’ ‘Lees het reglement er maar op na. Die kluiten gaan hier niet van dat karretje af!’ antwoordde het stokstaartje. De wederhelft keek me aan en schudde zijn hoofd: ‘Geen scene maken, schat.’ Ik fronste de wenkbrauwen, twijfelde even, maar besloot dan toch door te wandelen. Relax, fluisterde ik mezelf toe, blijven ademen, en telde tot vijfendertig.

Bij de container met het behandelde hout aangekomen, mikte ik met veel kabaal de rommel er zo ver mogelijk in. Stom van me om zo de aandacht te trekken, maar wat deed dat deugd. Bij mijn derde worp stak een ander, kleiner stokstaartje zijn kop omhoog. Toch; ik was er zeker van: de twee planken die ik vasthad hoorden echt wel in die container. Wanneer ik  een wijsvingertje – dat belerend van rechts naar links bewoog – de lucht in zag gaan, dacht ik dat ik ging ontploffen. ‘Die planken horen hier niet,’ zei het kleine stokstaartje. ‘Dacht ik wel,’ antwoordde ik. ‘Dacht ik niet,’ zei het stokstaartje. ‘Kalm blijven, schat,’ fluisterde de wederhelft en greep me daarbij zacht bij de arm.

Ik zuchtte luid, herpakte me en vroeg zo beheerst mogelijk: ‘En waar dacht je dat deze planken dan wel horen?’ Het stokstaartje wees naar de container waar ik eerder was weggestuurd. Ik perste een glimlach op mijn gezicht, knikte en beende met de planken onder mijn arm naar het eerste stokstaartje. Die zag me al van ver aankomen. ‘Hey! Hey!’ riep hij,  ‘Niet hier!’ ‘Vecht het maar uit met je collega,’ riep ik terug en keilde de twee planken in zijn container. De wederhelft kwam verontschuldigend achter me aan. Na een kleine woordenwisseling met de toegestroomde stokstaartjes duwde hij me in de auto en kroop naast me achter het stuur. ‘Nooit-neem-ik-je-nog-mee-naar-het-containerpark!’ siste hij. ‘Komt dat goed uit, antwoordde ik, want: nooit-zet-ik-hier-nog-een-voet-binnen!’

Ik bleef de rest van het rondje in de auto zitten. De wederhelft dropte zonder problemen de ene na de andere fractie in de daarvoor bedoelde containers. Bij de poort aangekomen stapte de wederhelft uit om nog wat klein gevaarlijk afval weg te brengen. Er lag ook nog een laatste stuk glas in de aanhangwagen: een glazen lichtarmatuur in de vorm van een halve schaal. Dat kon ik wel aan, dacht ik. Dus ik stelde voor dat snel even in de laatste container te deponeren. De wederhelft stemde toe, maar liet me eerst beloven dat ik er geen scene van zou maken.

Natuurlijk sprong er een stokstaartje op: ‘Dat moet bij het restafval.’ ‘Dit is toch glas,’ pruttelde ik. ‘Nee, dit is geen vlak glas! Bij deze fractie mag je enkel vlak glas deponeren.’ Ik keek over mijn schouder, de wederhelft was net door de poort gereden en zou daar op me wachten. Ik stond er alleen voor. ‘Dus ik moet met deze glazen schaal op de weegbrug gaan staan? Om ze vervolgens in die container daarginds te gooien?’ ‘Dat zijn de regels,’ antwoordde het stokstaartje. ‘Zwans je? Dit ding weegt amper iets! En geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om op die weegbrug te gaan staan!’ ‘Dan moet het terug mee naar huis.’ ‘Ben je helemaal mal?’ gilde ik. De man kruiste zijn armen voor zijn borst. ‘Dat zijn de regels,’ herhaalde hij. We bevonden ons in een patstelling.

Na lang te hebben nagedacht, strekte ik mijn armen recht voor me uit zodat de armatuur tussen mij en het stokstaartje in zweefde. ‘En wat als de armatuur op de grond zou “vallen”? Wat gebeurt er dan?’ vroeg ik. ‘Dat durf je niet,’ blufte hij. Ik loste enkele vingers, stak ze parmantig de lucht in en bewoog traag mijn hoofd op en neer. Er ontsnapte een vloek bij het stokstaartje. ‘Geef hier, dat ding!’ brulde hij. Ik duwde de armatuur in zijn handen en maakte me uit de voeten. Niet dat ik niet zou durven, maar ik heb daarna nooit nog een voet in het recyclagepark gezet.

Eén reactie op “Recyclagepark”

Geef een reactie op Mama Reactie annuleren