De haarbal is een niet te ontrafelen mysterie. Heeft ie pijn, of doet ie alsof? Na een nieuwe week van twijfel werd er toch maar weer een afspraak bij de dierenarts gemaakt. Blijft zijn hernia opspelen? Of is het artrose? De dierenarts weet het niet. Wij weten het niet. De haarbal weet het vermoedelijk wél maar die vertikt het om de pijn aan te wijzen. En zo blijven de wederhelft en ik in het duister tasten. Niet wetende wat de dag aan lichaamsbeweging zal brengen.
De ene wandeling sleept de haarbal zich hijgend voort en is het een succes dat er een kilometer binnen het uur afgewerkt kon worden. En op een goede dag wil ie dan weer continu rennen-rennen-rennen. Dan zie je zijn oren zo hard flapperen dat je denkt dat ie elk moment zou kunnen opstijgen. Daarvoor is ie te zwaar. “Weeral een kilo bijgekomen,” zei de dierenarts. Drieëndertig kilo, zag ik. “Komma zeven,” verbeterde ze me. Ik ben ervan overtuigd dat haar weegschaal stuk is, maar die gedachte hield ik voor mezelf. Wel dat ik het niet zag. Die kilo. De koekjes die ik in mijn zak had zitten, duwde ik snel wat dieper weg.
Vandaag wilde de haarbal rennen-rennen-rennen op de ochtendwandeling. Er volgde één uitbreiding, daarna een tweede en zo belandden we in een straat waar we zelden komen. Ik zag ze al van ver staan. Drie mannen bij een auto. Een van hen op de knieën en twee die aan het helpen waren. Althans dat was mijn eerste indruk. Ze waren een band aan het vervangen, zag ik wanneer we naderden. De man op de knieën was een zeventiger en de kleine van een jaar of zeven imiteerde de man waarvan ik vermoedde dat het zijn vader was. Allebei de handen in de zakken.
De veertiger was een bijzonder fraai exemplaar. Hij stond er, op zijn plastic slippers, in wijde, korte pyjamabroek en hoodie – de kap ver over zijn hoofd getrokken – en met zonnebril op, te kijken naar de man bij de grond. Die haalde er flux een wiel af en sprong, kruissleutel nog in de hand, recht om het goede wiel te nemen. De veertiger en de jongen stapten beleefd achteruit. Niet bereid om te helpen, maar in de weg staan wilden ze duidelijk ook niet.
De zeventiger liet het niet aan zijn hart komen, of deed alsof. Elke actie werd benoemd. Moeren los. Wiel van de as. Nieuw wiel. Moeren handvast aandraaien. Krik laten zakken. Niet volle gewicht! Moeren stevig vastdraaien. Kruislings! Gelijkmatige druk… De jongen keek met bewondering toe. Die man daar op zijn knieën, zijn opa, was een held. Wat me deed besluiten dat de veertiger onmogelijk de zoon van die held kon zijn. Het moest de nietsnut zijn waar zijn dochter mee was getrouwd. En getrouwd bleef.
De dochter, zo beeldde ik me in, ging op 21 maart op bezoek bij haar ouders, waar haar vader vaststelde dat ze nog met haar winterbanden rondreed. En op 22 maart (de tweede dag van de lente!) stonden die winterbanden er ’s morgens nog steeds op. Dat had ze in eerlijke schaamte aan haar vader opgebiecht. Die stond die tweede lentedag, ongelukkigerwijs een zondagmorgen, op een ontiegelijk vroeg uur (het uur dat de haarbal wil gaan wandelen) bij haar aan de deur. Daarop had ze haar nietsnut het bed uitgejast. Kater of niet: hij kon maar beter wat gaan helpen. Of bonen fretten, het was haar om het even. Ze schaamde zich dood. En dat vond haar vader best.


Eén reactie op “De Autoband”
😂👍
LikeLike