Kerstmarkt

Mijn geloofwaardige-excuses-trommel was vorig jaar al leeg. Maar toen kon ik tenminste nog corona veinzen. Nu liggen de mondmaskers ergens onderaan in de kast en word je uitgelachen als je een verkoudheid ervan verdenkt een laatste stuiptrekking van de pandemie te zijn. Uiterst zelden zeg ik toe op dingen die ik niet graag doe. Daar is het leven te kort voor. Ook hou ik niet van drukte, temperatuurverschillen, duisternis, knisperende vuurkorven en ik lust al hélemaal geen jenever. Maar Lieve liet uitschijnen dat dit wel ‘s mijn laatste kans kon zijn. Je kan niet eeuwig uitnodigingen blijven afslaan, zei ze. Dus stemde ik in om met haar naar de kerstmarkt te gaan. Nog een keer passen zou betekenen dat Lieve me nergens nog voor zou vragen. Misschien was dat haar bedoeling, dacht ik nog, want ze wist donders goed dat ik kerstmarkten haat.

Drie dagen lang rekende ik erop dat het voorspelde stormweer de organisatie ertoe zou nopen om de bazaar te annuleren. Helaas, wanneer de eerste foorkramers door de straat reden kon ik alleen nog op een afzegging van Lieve hopen. Niemand wil bij vijf graden Celsius voor zijn plezier regen en wind trotseren, ook Lieve niet. Ik besloot het lot een duwtje te geven en vroeg haar in een bericht of ze het weerbericht al bekeken had. Dat had ze, en dat ik het ook positief kon bekijken: door het slechte weer was de kans klein dat het er druk zou worden. De smiley die ze erachteraan plakte was voor weinig interpretatie vatbaar: ze dreef de spot met me en daar had ik een hekel aan.

Klokslag acht uur stond ik naast de kerststal op het dorpsplein in de dikke, donkergrijze rook van smeulende vuurkorven te wachten op Lieve. Mijn paraplu, stukgewaaid, had ik onderweg in een vuilnisbak achtergelaten. Met afgunst keek ik naar de ezel,  de geit en de kippen die knus in het droge stro naast Jozef en Maria wel konden schuilen voor de rukwinden en de slagregen. Lieve (status: vrolijk) kwam meer dan een kwartier te laat. Ze had het einde van de hevigste regen afgewacht en zei dat ze echt wel gedacht had dat ik dat ook zou doen. Een verontschuldiging kwam er niet. Het was de tweede keer dat het door mijn hoofd flitste dat een einde van onze vriendschap misschien niet zo heel erg zou zijn. Maar vrienden waren we daar op dat moment vooralsnog wel, dus probeerde ik te glimlachen.

Omdat het mij geen bal uitmaakte welke kramen we zouden bezoeken – en al helemaal niet in welke volgorde – liet ik het initiatief aan Lieve. Ze ging doelgericht langs de jeneverkramen van de scouts, de molengilde en de KLJ waar ze achtereenvolgens appeljenever, meloenjenever en oude Bols achteroversloeg. Bij het hamburgerkraam stelde ze vast dat ik weinig appetijt had. Je weet dat ik geen jenever lust en geen hamburgers eet, zei ik. Daar was ze het niet mee eens; hoe kon zij dat weten, want we waren in geen eeuwigheid nog samen uit geweest. De gedachte aan een (nabije) toekomst zonder haar, begon er vanaf dan steeds appetijtelijker uit te zien.

Er waren al een paar rukwinden over het dorpsplein gescheerd maar een welgekomen pittig exemplaar bracht Lieve uit haar evenwicht. De hamburger kwakte tegen de grond, maar niet voordat het ding eerst een lang ketchupspoor over haar jas had getrokken. Vriend of vijand, behulpzaam als ik ben, liep ik naar het hamburgerkraam om extra servetten te gaan halen. Daar botste ik op een bullenbak (status: hongerig) die niet wilde dat ik voorstak. Ik probeerde nog te verduidelijken dat het mij enkel om de servetten te doen was, maar het wilde niet doordringen. De discussie ontaardde in een verbale krachtmeting waar ik me niet van mijn beste kant liet zien. Hij kon de boom in.

Op de terugweg zag ik mijn buurman (status: strontzat) op me afkomen. Het was me ter oren gekomen dat hij nog een eitje met me te pellen had na het propagandakoekjesdebacle dat ik had met zijn vrouw. In poging hem te ontwijken liep ik in een grote boog rond de kerstmarkt heen. Bij Lieve aangekomen bleek dat het ketchupspoor verdwenen was. Dat ik traag was, zeurde ze, en dat haar broer al te hulp was geschoten. Broer, vroeg ik, maar ik zag hoe laat het was. De bullenbak van het hamburgerkraam keek me smalend aan. Ik wist niet hoe ik me daar nog kon uitpraten, en eerlijk gezegd: ik had er ook geen zin meer in. Mijn besluit was genomen en samen met dat besluit blies een rukwind de lichten van de kerstmarkt uit.

Eén reactie op “Kerstmarkt”

Plaats een reactie