Mijn neef (de voetballer, hij is een tiener nu) lachte me in het begin van de zomervakantie vierkant uit met het aantal likes dat ik verzamelde met mijn blogstukken. Facebook is zooo passé! Dat zijn tante een veertigplusser was, was voor hem geen excuus. Insta was hot! Tiktok ook, maar daarvoor moest je kunnen dansen of moesten meisjes zich kunnen schminken. Ik zag hem een inschatting maken. Insta, tante. JE-Moet een account op Insta maken.
Wat later ging het tijdens een lunchpauze over blogs (foodblogs in het bijzonder) en de te volgen accounts op Instagram. Je-Moet jezelf er ’s in verdiepen! De collega die dat zei was vastbesloten me in te wijden. Ze toonde me prachtige kiekjes van eten, reizen, prestaties en creaties. Vaak zelfs gecombineerd. Pagina’s met het ene restobezoek na het andere. Blitse interieurs, kleurenfilters, terrassen met zonsondergangen. Influencers op de lekkerste en meest hippe plekken in de wereld. Ik kreeg er honger van én goesting.
Die goesting om er zelf mee te beginnen was er ook nog op onze laatste reis, weliswaar sluimerend in het achterhoofd. Verworden tot een idee dat met de tijd die verstreken was (en een herwonnen realiteitszin) steeds meer naar de achtergrond was verschoven. Klaar om geklasseerd te worden. Het had gewoon nog één finaal duwtje nodig. Zodus, daar, in een godvergeten streek in Frankrijk, enkele weken geleden, was het er nog steeds. Ook toen de wederhelft en ik de haarbal de hoogste heuvel in de regio opduwden. Met de belofte dat er een herberg op de top was, hadden de wederhelft en ik het aangedurfd om enkele kilometers aan de wandeling te breien. Zonder instemming van de haarbal. Dat heet overmoed. Overmoed wordt afgestraft.
We moesten lang wachten op een garçon. Daarna nog langer op ons eten. Maar van zodra ik de karaf rosé binnen handbereik had was dat wachten al veel minder erg. In het midden van de tuin, naast de waterput, stond er een man van rond de dertig, type posterboy, met een selfiestick zichzelf en bij uitbreiding het hele terras te filmen. Vanuit alle windstreken werden er beelden geschoten. Hij zag dat het goed was en ging snel aan zijn tafeltje zitten want, in tegenstelling tot de rest van het cliënteel, had hij niet moeten wachten op zijn lunch. Wat er op zijn bord lag zag er verdraaid lekker uit. We konden ons niet herinneren dat het een keuze op de menukaart was.
Posterboy stroopte zijn mouwen op, zette zijn baseballpet af en schikte en herschikte alles wat er op het bistrotafeltje stond. Zijn pet, het bord, de pet, de karaf water, het waterglas, de pet opnieuw, het servet, het glas rode wijn, mes, vork en zijn pet voor de vierde keer. Vervolgens maakte hij met de armen gestrekt een rechthoekje met duimen en wijsvingers. De beslissing was gemaakt: de lege stoelen die rond de tafel stonden, zette hij uit de imaginaire fotokader. Met drie verschillende toestellen filmde hij en schoot hij foto’s. De pet steeds centraal, de rest herschikte hij. En nog eens. En nog eens. Ik schonk me een tweede glas rosé in en leunde makkelijk achterover in mijn stoel. Het finale duwtje was daar. Het idee kon worden geklasseerd.
Het was vermoeiend en op een manier eigenlijk ook triest om te zien, en niet alleen omdat zijn eten stond koud te worden. Wat een zonde, mopperde de wederhelft. Zijn maag knorde zo luid dat het oudere koppel naast ons het kon horen. Ze glimlachten begripvol, wezen naar hun lege tafel en dan schouderophalend naar het epicentrum van de actie. Posterboy had zonet bord en pet verlaten, liep op een drafje de herberg in en kwam seconden later terug naar buiten met een tweede glas rode wijn. Het glas dat nog op de tafel stond sloeg hij ad fundum achterover en verstopte hij in een bloembak. Uit beeld. Dan was het zover. Een eerste hap. Een foto. Een tweede en derde hap. Terug een foto. De baseballpet centraal. Gesponsord ongetwijfeld. Posterboy alleen aan tafel. Eten koud. Gegijzeld.

