De wandeling

De wederhelft lag in de lappenmand en de haarbal lag ernaast. Als die twee al wilden wandelen dan was dat hooguit een kilometer of drie. Vier misschien, onder dwang. Ik twijfelde dus niet toen de vrouw met de snor me voorstelde om op dagtrip te gaan en de natuur in te trekken. Met de wandellaarzen stevig aangetrokken en knooppunten in de hand zetten we aarzelend onze eerste stappen. Het was weeral even geleden dat we elkaar zagen. ‘Hoe gaat het,’ werd er gevraagd.  ‘Goed,’ werd er geantwoord. Een begroeting verworden tot platitude. Want het gaat “goed” met ons. Ook als het minder goed gaat. Of ronduit slecht… Het was zinsbedrog: met enkel bomen en wat struikgewas als getuigen vielen we zo door de mand. De stilte hoefde niet lang te duren.

‘Het is een existentiële crisis,’ zei ik. ‘Het is de menopauze,’ zei de vrouw met de snor. We staarden naar het rimpelende wateroppervlak. Een koppel ganzen zwom voorbij met achter hen acht kuikens op een rijtje. ‘We zijn allemaal loonslaven,’ zei ik. ‘Het is het hogere echelon dat geen voeling meer heeft met de werknemers, ’ zei de vrouw met de snor. Een wolk schoof voor de zon. Het begon te druppelen en dan te stortregenen. Tien minuten later stonden we doorweekt naar een salamander te kijken die zich in een gracht tegoed deed aan muggenlarven en ander (on)gedierte.

Je moet er geen metafoor in zien. Het was gewoon een salamander.

‘Ik weet niet of ik mijn job nog graag doe,’ zei ik. ‘Ik wéét dat ik mijn job niet graag meer doe,’ zei de vrouw met de snor. Ze keek naar de blauwe lucht en trok haar regenjas weer uit. Ik volgde haar voorbeeld. ‘Waar doen we het toch voor?’ vroeg ik. ‘Brood op de plank,’ zei de vrouw met de snor. ‘Dus we werken ons uit de naad gewoon om te kunnen overleven in de consumptiemaatschappij. Hoe stap je daaruit?’ ‘Kan je niet,’ antwoordde de vrouw met de snor. Een pony en een paard wandelden argwanend aan hun kant van de afsluiting achter ons aan, tot ze niet meer konden. Het paard steigerde. De pony brieste de prut uit zijn neus, draaide met de ogen en rende het paard achterna.

‘Had je geen groentetuin?’ vroeg de vrouw met de snor. ‘Had ik, antwoordde ik. ‘Te veel werk voor te weinig opbrengst. Het is een bloemenweide geworden.’ De vrouw met de snor knikte instemmend, plukte twee braambessen en reikte me er een aan. ‘Dus als ik het goed begrijp kan je  geen jaarvoorziening voedsel voor jou, je wederhelft en de haarbal telen.’ Ik werd gewaar dat ik in de val werd gelokt, aarzelde om te antwoordden en stak dan maar de braambes in mijn mond. De vrouw met de snor vatte dat op als een bevestiging van haar vermoeden. ‘Stel,’ zei ze, ‘dat we in de vijftiende of zestiende eeuw leefden, dan had je met dat knullige groentetuintje toch ook nog een wederdienst of twee moeten aanbieden om wat extra brood op de plank te krijgen of een dak boven je hoofd te kunnen veroorloven?’

Daar had je het. Dienst voor wederdienst. Niet persé het ruilen van een karton eieren voor een kilo aardappelen, maar via een ingenieus systeem van waardepapieren. ‘Welke dienst zou je aanbieden in pakweg die zestiende eeuw?’ vroeg de vrouw met de snor. Die vraag moest ik laten bezinken. De scherpe, klagende roep van een roofvogel deed me halthouden. Met de hand tegen mijn voorhoofd tuurde ik de einder af. Kie-kee-kee. Het was een sperwer. ‘Ik zou brieven schrijven voor mensen die dat niet konden, denk ik. Of in een gasthuis werken of zo.’ De vrouw met de snor glimlachte en vroeg: ‘Mensen helpen, dus? Stel ik me daar dan verpleging of maatschappelijk werk bij voor?’

Ik ging ervan uit dat dat een retorische vraag was en gromde. Dat had evengoed voor de hindernis op onze weg kunnen zijn, maar dat was het niet. We stonden voor de kruin van een omgevallen boom die het wandelpad versperde. We hadden weinig keuze. Simultaan tuurden we in de wei en besloten dat de koeien op een veilige afstand stonden te grazen. We kropen over de prikkeldraad. Drie stappen verder hoorde ik het kraken van een koeienvlaai onder mijn voet. Daar stond ik dan, in een  plavei smerige, stinkende smurrie die mijn schoen volledig omringde. De enige gedachte die nog door mijn hoofd speelde was: hoe krijg je dat in godsnaam proper. Er ontsnapte me een krachtterm. De vrouw met de snor was niet onder de indruk en zei: ‘Met stront onder je schoen relativeer je plots een pak meer, niet?’

Exit existentiële crisis…

Eén reactie op “De wandeling”

Plaats een reactie