Meesterwerken

Enkele weken geleden botsten we op een oude vriend van de wederhelft. Hun wegen waren door de jaren heen eerst naast en daarna uit elkaar gelopen. Het uitdoven van de vriendschap begon toen de alternatieve kunstenaar in de vriend ontwaakte, legde de wederhelft uit. En ondanks dat de wederhelft wel tegen een stootje kan op vlak van dans- en theatervoorstellingen, werd het hem gaandeweg toch wat speciaal. Veel gesprekstof was er na de gebruikelijke beleefdheden niet. De man, de haren lang, de baard in een vlecht, vroeg of de wederhelft nog voorstellingen had bijgewoond. Die gaf zonder blozen de haarbal de schuld van de impasse. ‘Dat is geen excuus,’ zei de oude vriend. ‘Ga naar het Middelheimmuseum. Daar is er het kunstenfestival “Come Closer”. Een echte aanrader. Honden welkom,’ zei hij nog, en daarna doofde ook het gesprek uit.

Het eerste dode moment in onze week vakantie stelde de wederhelft voor om naar het Middelheimmuseum te gaan. Daar aangekomen parkeerden we onze fietsen aan een zij-ingang en begonnen onze wandeling. Na een tiental meter passeerde er op ons pad een groep wandelaars. Stijf als een plank, de armen tegen het lichaam en de benen tegen elkaar gedrukt, hupten ze tussen twee bomen heen en weer. Wat verderop moesten we letterlijk opzij springen om een botsing te voorkomen. Zelfs de haarbal keek met verstomming naar de moeder met kind die, voorovergebogen en crawlgewijs, al wandelend voorbij kwamen gezwommen.

Nog voor de wederhelft vragen kon wat er aan de hand was, had ik het opgezocht: We bevonden ons op de route van “A Walk In The Sculpture Park”. De deelnemers kregen bij elk kunstwerk nieuwe instructies en zo de kans om de kunstwerken uit te beelden en op een andere manier te beleven. In interactie met zichzelf en de omgeving zouden ze zo zelf ook kunstwerk worden. Veel gekker hoefde het niet te worden en omdat de haarbal graag over grasweides rent, kozen we voor de dwarse uitweg. Met z’n drieën liepen we het grote grasplein over.

De wederhelft en de haarbal zochten daarna een plek om uit te puffen. Ik volgde hen naar een tribune die zich in sneltempo begon te vullen. De wederhelft zette zich op de onderste bank. ‘Er gaat hier dadelijk iets beginnen,’ zei ik in de hoop nog weg te geraken voordat de voorstelling effectief startte. Het maakte niet meer uit, vanuit mijn ooghoek zag ik een lange smalle spiegel dichterbij komen. De wederhelft bleef geïntrigeerd kijken. Die ging helemaal nergens heen en ook de haarbal liet de schaduw zich welgevallen. We bleven.

Vijftien vrouwen met evenveel hoge smalle spiegels positioneerden zich op een rij. Ze schuifelden van links naar rechts, draaiden zich dan enkele graden, zetten een stap naar voren en daarna weer twee achteruit. Steeds weer opnieuw, in een licht wijzigend patroon. Ik zag mezelf in de ene, dan weer in een andere spiegel en maakte aanstalten om op te staan. De wederhelft vond dat weinig respectvol. ‘Opstaan tijdens een voorstelling doe je niet,’ keef hij. ‘Ze staan achter een spiegel. Geen van die vrouwen gaat me missen,’ antwoordde ik. ‘Je zal de andere toeschouwers storen,’ zei de wederhelft. Ik keek om me heen, zuchtte en bleef zitten.

Na de vertoning wilde ik graag mijn menig delen met de wederhelft, maar nog voor ik mijn eerste cassante opmerking kon maken, hoorde ik de andere toeschouwers in superlatieven over de voorstelling praten. ‘Magisch,’ zei iemand. ‘Wonderlijk om zo, letterlijk en figuurlijk, een spiegel voorgehouden te worden.’ ‘Zo subtiel afstand én tegelijkertijd verbinding creëren,’ zei een man tegen zijn vrouw. Ik kromp in elkaar tot ik een moeder tegen haar zeurende dochter hoorde zeggen: ‘Als je ooit kunstonderwijs wil gaan volgen, zal je zo’n dingen dus moeten bedenken én uitvoeren. Knoop dat goed in je oren.’ Er was dan toch nog hoop.

Met die gedachte ging ik op zoek naar het kunstwerk van Panamarenko: de Archaeopterix Lithografica (dat had ik opgezocht), een vogel die beweegt als je dichtbij komt. De weg daarnaar heen leidde langsheen pretkreten en schel kindergegil. Niet echt een leuk vooruitzicht. De bron van het gekrijs waren twee metershoge nagemaakte industriële vaten waaruit er schuim borrelde dat zich steeds verder verspreidde. De haarbal, inmiddels bijgekomen, was niet te houden en snokte in een onbewaakt moment de leiband uit mijn handen. Enthousiast sprong hij het schuim in. We zagen dan eens een staart, dan twee lange flaporen boven het schuim uitkomen en daarrond kinderen die dollend naar beneden doken. De wederhelft wees naar zijn zere knie. Hij kon geen risico’s nemen, toch? En wilde ik niet naar de vogel van Panamarenko? Met grote tegenzin dook ik de pretpoel in en kon na drie pogingen de haarbal vangen.

Er vlogen nog steeds wolkjes schuim van me af toen ik in de verte een groepje van vier volwassenen door de knieën zag waggelen. Met hun handen onder de oksels bewogen ze de ellebogen drukdoend op en neer. Van zodra ook de haarbal hen in de smiezen kreeg, ging die koppig zitten. Niet meer vooruit te branden. Ik  kon hem geen ongelijk geven. Een ouder echtpaar dat achter ons liep, zag kans om ons in te halen. In het passeren keek de vrouw me afkeurend aan en zei tegen haar man, luid genoeg zodat ik het kon horen: ‘Die selfmade acteurs tot daar aan toe, maar als volwassenen ook nog ‘s mee in het schuim gaan springen, wordt het toch helemaal te gek!’ ‘Niet reageren, schat,’ suste de wederhelft. Hij nam de haarbal in zijn armen en ging me voor naar onze fietsen. We zouden een andere keer wel terugkomen. In de winter of zo.

Eén reactie op “Meesterwerken”

Plaats een reactie