Bullenbak

Even geleden reed ik met de fiets, door de ochtendspits, naar mijn werk in de stad. Ik vermeed de drukke steenweg en koos voor een kleine omweg door het park. We waren met velen die ochtend en ik was sneller dan het gros van mijn lotgenoten. Ook sneller dan een klein gedrongen mannetje op een koersfiets. Ik stak hem in een wijde boog voorbij en bleef, veel langer dan gebruikelijk, in het midden van de brede geasfalteerde parkweg fietsen.

Het mannetje versnelde even en kwam achter me rijden. Ik wilde hem niet hinderen en week uit naar rechts. Hij deed hetzelfde. Ik ging terug in het midden rijden. Hij ook. Het was een wieltjeszuiger. Doorgaans heb ik geen probleem met die mannen (vrouwen doen dat nooit), maar bij deze wieltjeszuiger had ik meteen een onbehaaglijk gevoel. We fietsten in een park, slalomden tussen wandelaars en kinderen (groot en klein). Hij had niet kunnen stoppen als ik in de remmen had moeten gaan staan… Ik wilde hem sowieso ook niet achter me. Gruwelde zelfs bij het idee…

Zonder er nog verder bij na te denken, kneep ik de remmen dicht.

Er volgde een vloek en een resem verwensingen waarvan “achterlijk wijf” nog de meest beleefde was. Het bleek voor hem ook moeilijk te zijn om de scheldtirade te combineren met het fietsen. Zo kwam de brulboei en vijftigtal meter verderop tot stilstand. Dat deed ik ook en behield daarbij wijselijk een veilige afstand. De man bleef tieren. Ik vroeg hem om op te houden en door te rijden, maar dat deed hij niet. Hij moest zijn gelijk halen. Dat ik opperde dat hij te allen tijde moest kunnen remmen om een botsing te vermijden en als hij dat niet kon, hij dan een veiligere afstand diende te bewaren, werkte als een rode lap op een stier. Hij duldde geen tegenspraak. Ik was “een gevaar was op de weg”, “had hem niet mogen voorbijsteken”. Dat ik “beter terug in mijn auto kroop” was zijn beste advies. Ondertussen passeerden er wandelaars en fietsers, snel en traag. Niemand hield halt. Wellicht dachten ze dat ik met mijn grote mond “mijn mannetje” wel kon staan…

Daar stond ik dan; op enkele meters van een briesende lul met een metalen kadertje tussen zijn spierwitte kromme O-beentjes. Ik vroeg hem opnieuw om zijn weg te hervatten, want geen haar op mijn hoofd dat overwoog terug voor hem uit te rijden. Dat wilde hij niet, maar deed hij uiteindelijk wel, scheldend en tierend.

Iets verderop, bij het rode licht, sloot ik achter hem aan in de lange rij. Daar draaide hij zich naar me toe en schreeuwde: “Gij zijt zot! Gij zijt zot!’ Hij begon op mijn zenuwen te werken. Het liefst had ik hem daar op zijn plaats gezet, maar er stonden ook moeders met kinderen te wachten, dus ik besloot om van tactiek te veranderen en probeerde hem te bedaren: ‘Kalmeer, man,’ zei ik. ‘Laat het los. Er is niets gebeurd. Geen botsing. Geen schade. Geen gewonden.’ Het mannetje ging daarop door het lint: ‘Wat? En verschieten: da telt ni of wa!?!’ gilde hij in plat Antwerps. Ik schoot in de lach; ‘Nee, meneer,’ antwoordde ik, ‘dat telt niet, nee…’ Hij was toch geen kind meer? Maar de man meende wat hij zei, want hij repliceerde: ‘Pas maar op, of ik sla u een blauw oog.’ Wat bezielde die man toch? Wat maakte dat hij – in de ochtendspits, in een park, omringd door mannen, vrouwen, kinderen en moeders met peuters – een vrouw dacht te kunnen afdreigen?

Niemand kwam tussenbeide, trouwens. Tussen al dat volk stond ik er alleen voor. Maar wat zouden het véél getuigen zijn. Dat sterkte me in mijn overtuiging dat hij me géén blauw oog zou slaan. Dus zei ik: ‘Dat ga jij niet doen.’ Het licht bij de man ging uit, net op het moment dat het verkeerslicht op groen sprong. Iedereen kwam in beweging. Het geschuifel noopte hem om ook over te steken. Aan de overkant aangekomen bleef hij naar me roepen: ‘Pas maar op, gij! Pas maar op, gij!’ Dat was voor mij het signaal om een andere weg in te slaan. Hij zou niet ophouden zolang ik in zijn buurt bleef. En daar had ik geen zin in.

Wat ik me nu afvraag: zou hij zo te keer zijn gegaan tegen een man? Natuurlijk niet, hij had misschien even gevloekt, maar de confrontatie aangaan? Daar had hij de ballen niet voor. Een vrouw bedreigen en voor het rot van de straat uitschelden dat ging hem wel af, totdat de dame in kwestie het aandurfde een grens te stellen en besloot zich niet te laten intimideren door een misogyne zak.

Ik sta mijn mannetje wel en wil hier absoluut niet in de slachtofferrol kruipen. Toch, hierbij een warme oproep aan iedereen: wanneer je getuige bent van een voorval als dit. Stop. Ga naast het slachtoffer staan. Spreek de dader rechtstreeks aan. Maak duidelijk dat wat hij doet of zegt niet door de beugel kan. Vraag hem om het slachtoffer met rust te laten. Want als je niets doet? Dan geef je het signaal: “Doe maar verder oude man, je hebt gelijk.”

Plaats een reactie